Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €596.000, en stelde beroep in tegen de afwijzing van dit bezwaar. De rechtbank stelde de waarde in goede justitie vast op €589.000 en kende belanghebbende een proceskostenvergoeding toe met toepassing van een wegingsfactor 0,5 wegens het lichte gewicht van de zaak.
In hoger beroep stond uitsluitend de vraag centraal of de rechtbank terecht de wegingsfactor 0,5 hanteerde. Belanghebbende stelde dat op grond van een richtsnoer een wegingsfactor 1 toegepast moest worden, omdat het ging om een inhoudelijk geschil over de WOZ-waarde. De Heffingsambtenaar verdedigde de lagere wegingsfactor vanwege het beperkte belang en de geringe ingewikkeldheid.
Het hof overwoog dat de rechtbank op basis van eigen waardering het gewicht van de zaak mocht bepalen, rekening houdend met het belang, de ingewikkeldheid en de werkbelasting van de gemachtigde. Het hof vond de toepassing van wegingsfactor 0,5 passend bij de lichte aard van het geschil en wees het beroep van belanghebbende af. Tevens benadrukte het hof dat rechtbanken niet gebonden zijn aan het richtsnoer dat door belastingkamers is vastgesteld.
De uitspraak bevestigt dat bij proceskostenvergoedingen in bestuursrechtelijke WOZ-zaken de zwaarte van de zaak en de werkbelasting bepalend zijn voor de wegingsfactor, en dat richtsnoeren niet bindend zijn voor rechtbanken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.