ECLI:NL:HR:2023:1056
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid heffingsambtenaar tot ambtshalve vermindering WOZ-waarde en kostenvergoeding bezwaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en aanslag OZB voor 2019, nadat de heffingsambtenaar telefonisch een lagere WOZ-waarde toezegde en deze ambtshalve verlaagde. De Rechtbank oordeelde dat het bezwaar gegrond was en kende proceskosten toe, maar het Hof stelde dat de ambtshalve vermindering rechtsgeldig was en dat het bezwaar geen verdere verlaging opleverde, waardoor geen kostenvergoeding verschuldigd was.
In cassatie werd betoogd dat de heffingsambtenaar niet bevoegd zou zijn tot ambtshalve vermindering vóór onherroepelijkheid van de beschikking en dat de procedure onzorgvuldig was. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de bevoegdheid tot ambtshalve vermindering ook vóór onherroepelijkheid bestaat, mits belanghebbende niet wordt benadeeld.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de behandeling van het bezwaar niet leidde tot herroeping van de beschikking en dat de toegepaste wegingsfactor voor kostenvergoeding passend was gezien het geringe belang van het beroep. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de ambtshalve vermindering van de WOZ-waarde blijft gehandhaafd zonder recht op kostenvergoeding.