Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag bpm opgelegd op een gebruikte Mercedes-Benz C-klasse 300 Ambition, gefabriceerd voor de Amerikaanse markt. De Inspecteur stelde de naheffingsaanslag vast op basis van een hogere handelsinkoopwaarde dan door belanghebbende opgegeven, waarbij ook de CO₂-uitstoot en historische nieuwprijs centraal stonden.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende belanghebbende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedde griffierecht en proceskosten. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde onder meer aan dat de Nederlandse rechters niet bevoegd zijn het Unierecht uit te leggen, dat de hoorplicht en het verdedigingsbeginsel waren geschonden, en dat de naheffingsaanslag onjuist was vastgesteld.
Het Hof oordeelde dat de nationale rechters wel bevoegd zijn het Unierecht uit te leggen zonder verplicht te zijn prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Het hof verwierp de klachten over schending van het verdedigingsbeginsel en hoorplicht. De waardebepaling van de auto werd aangepast, waarbij de historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde werden vastgesteld op basis van de Xray-koerslijst en taxatierapporten. De naheffingsaanslag werd verminderd tot € 5.749. Tevens werd de proceskostenvergoeding verhoogd en het griffierecht vergoed.