Belanghebbende heeft BPM betaald op basis van een aangifte voor een gebruikte BMW 4-serie Coupé M440i xDrive, waarbij zij bezwaar maakte tegen het bedrag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedde het griffierecht.
In hoger beroep stelt belanghebbende dat de rechtbank en Hoge Raad niet bevoegd zijn het Unierecht uit te leggen zonder prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, en dat zij recht heeft op extra kortingen zoals een ex-rental korting en een extra leeftijdskorting. Het hof oordeelt dat nationale rechters wel bevoegd zijn het Unierecht uit te leggen en dat er geen aanleiding is tot prejudiciële vragen. De stellingen over extra kortingen worden verworpen wegens gebrek aan bewijs.
Het hof stelt vast dat de historische nieuwprijs correct is toegepast en dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van €82 BPM. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het bezwaarbesluit worden vernietigd, en de Inspecteur wordt gelast het bedrag terug te betalen. Tevens wordt de proceskostenvergoeding verhoogd en het griffierecht in hoger beroep vergoed.
De klacht over het griffierecht wordt afgewezen, het hof bevestigt dat de heffing niet in strijd is met het Unierecht. Verzoeken om rentevergoeding over teruggaaf en griffierecht worden afgewezen. De termijn voor wettelijke rentevergoeding gaat lopen vier weken na de uitspraakdatum.