ECLI:NL:GHDHA:2025:2325
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WOZ-waarde woning en informatieverplichting gemeente
Belanghebbende is eigenaar van een parterre portiekwoning uit 1933, waarvan de WOZ-waarde voor 2022 door de gemeente Den Haag is vastgesteld op €610.000. Tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting is bezwaar gemaakt, dat is afgewezen. Vervolgens is beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag, dat ongegrond werd verklaard. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
In het hoger beroep stond centraal of de gemeente de informatieverplichting uit artikel 40, lid 2, Wet WOZ had geschonden en of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat onder meer de gehanteerde KOUDV-factoren en indexeringen niet inzichtelijk waren gemaakt en dat de waarde van de woning te hoog was door onvoldoende rekening te houden met de staat van onderhoud en vergelijkingsobjecten.
Het Hof oordeelde dat de gemeente geen gebruik maakte van KOUDV-factoren, indexeringscijfers of liggingsfactoren en dat deze gegevens daarom niet ter beschikking konden worden gesteld. De gehanteerde vergelijkingsobjecten waren voldoende vergelijkbaar en de waarde was op juiste wijze bepaald. De informatieverplichting was niet geschonden en de WOZ-waarde was niet te hoog. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €610.000 wordt bevestigd.