Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“13. Eiseres stelt, voor zover de rechtbank begrijpt, dat zij voor de auto geen fijnstoftoeslag mrb verschuldigd is, omdat zij met keuringsrapporten en roetwaardemetingen heeft aangetoond dat de auto niet milieuvervuilend is. Daarnaast stelt eiseres, voor zover de rechtbank begrijpt, dat de naheffingsaanslag 1 ten onrechte is opgelegd omdat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de daaraan voorafgaande rekening 1, hetgeen verweerder had moeten opvatten als verzoek om uitstel van betaling.
14. Verweerder heeft daarentegen aangevoerd dat gelet op het feit dat de auto een datum 1e toelating heeft van vóór 1 september 2009 en de fijnstoftoeslag van de auto niet staat geregistreerd in het kentekenregister eiseres als gevolg daarvan ingevolge artikel 23 Wet MRB een fijnstoftoeslag is verschuldigd. De enige tegenbewijsmogelijkheid (artikel 4bis Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994) is het (op verzoek bij de RDW) opnemen van de fijnstofuitstoot gegevens in het kentekenregister (indien de alsdan geregistreerde waarde(s) dusdanig laag is (zijn) dat geen fijnstoftoeslag is verschuldigd). Eiseres is volgens verweerder niet geslaagd in het leveren van het tegenbewijs. Ter zitting is door verweerder het nadere standpunt ingenomen dat de zaken van eiseres niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu eiseres volgens verweerder tegen beter weten in procedeert.
15. De rechtbank stelt voorop dat de rekening fijnstofstoeslag geen belastingaanslag of beschikking is waartegen bezwaar en beroep open staat. Gelet hierop heeft verweerder terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard[1] en verklaart het beroep in zoverre ongegrond.
16. Niet in geschil is dat de auto een datum eerste toelating heeft van vóór 1 september 2009 en dat in het kentekenregister van de RDW (het kentekenregister) geen fijnstofuitstoot staat geregistreerd. Dit betekent dat de auto van eiseres op grond van artikel 23, vijfde lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet mrb) geacht moet worden een fijnstofuitstoot te hebben die tot verschuldigdheid van fijnstoftoeslag leidt, tenzij eiseres bewijs levert dat de auto minder vervuilend is dan de in artikel 23, vijfde lid, van de Wet mrb gestelde norm van maximaal 5 milligram fijnstof per kilometer. De bewijslast voor het leveren van tegenbewijs ligt dus volledig bij eiseres. Zoals het gerechtshof Den Haag in zijn uitspraken van 17 maart 2022 [2]en 2 maart 2023[3] heeft overwogen, volgt uit de tekst van artikel 23, vijfde lid, van de Wet mrb dat de wetgever de hiervoor genoemde norm heeft bedoeld en niet de uitkomst van de roettest die in het kader van de APK-keuring wordt uitgevoerd.
17. Voor de tegenbewijsregeling als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet mrb zijn in artikel 4bis, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 (Uitvoeringsregeling mrb) nadere regels gesteld. Hieruit volgt dat eiseres alleen tegenbewijs kan leveren door bij de RDW een verzoek in te dienen tot wijziging van de gegevens over de fijnstofuitstoot in het kentekenregister. Verweerder is niet gehouden zelf de door eiseres verstrekte bewijsstukken te beoordelen. Hij kan uitgaan van de gegevens in het kentekenregister. Eiseres dient zich, zoals ook volgt uit de letterlijke tekst van artikel 4bis, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling mrb, tot de RDW te wenden en daar te informeren naar de mogelijkheden om de lagere uitstoot te bewijzen. Dat de fijnstof, naar eiseres stelt, niet te meten is, maakt niet dat de bewijslast naar de RDW verschuift.
18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is eiseres voor de auto een fijnstoftoeslag verschuldigd die zij op aangifte had moeten voldoen. Nu eiseres de fijnstoftoeslag niet heeft voldaan, zijn de rekening en de naheffingsaanslagen terecht verstuurd en opgelegd.
19. Vast staat dat eiseres de rekeningen niet tijdig heeft betaald. Verweerder heeft daarom terecht op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de naheffingsaanslagen opgelegd. Dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen de rekening 1 betekent niet dat geen naheffingsaanslag opgelegd had mogen worden. Het door eiseres in dit verband aangehaalde artikel 25.2.2 van de Leidraad Invordering 2008, leidt niet tot een ander oordeel.[4]
20. Eiseres heeft haar stelling dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel onvoldoende geconcretiseerd. Ook anderszins is niet gebleken dat hiervan sprake is. Eiseres heeft verder gesteld dat er sprake is van een motiveringsgebrek in de uitspraken op bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraken op bezwaar voldoende ingaan op hetgeen eiseres in haar bezwaren heeft aangevoerd.
21. De stellingen van eiseres over (het opschorten van) invordering, kan in deze procedure niet aan de orde komen. In deze procedure gaat het immers uitsluitend om de vraag of de rekening en de naheffingsaanslagen terecht zijn (opgelegd). Met eventuele vragen over en/of bezwaren tegen de invordering van de fijnstoftoeslag, kan eiseres zich tot de Ontvanger wenden.
22. Hetgeen eiseres verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt nog wel op dat zij zich, met verweerder, afvraagt wat eiseres beweegt om tijd en moeite (en griffiegeld) te besteden aan het telkens in het geweer te komen tegen eenzelfde terugkerende heffing. De rechtbank ziet evenwel geen reden om (in dit geval) hieraan de door verweerder voorgestelde conclusie te verbinden. Dit te meer nu eiseres niet op deze door verweerder eerst ter zitting nader onderbouwde stelling heeft kunnen reageren.
23. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.
24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
[4] ECLI:NL:GHDHA:520, r.o. 5.4.”