ECLI:NL:GHDHA:2025:2595

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
BK-24/897
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-beschikking en onroerende-zaakbelastingen in verband met eigendomsrecht en rechtsgeldigheid

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 23 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een WOZ-beschikking en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelastingen. De belanghebbende, eigenaar van een woning in Rotterdam, had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de Heffingsambtenaar, die de waarde van de woning op 1 januari 2022 had vastgesteld op € 534.000. De Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna de belanghebbende in beroep ging bij de Rechtbank Rotterdam. De Rechtbank verklaarde het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond. Hierop heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof.

In hoger beroep heeft de belanghebbende drie grieven ingediend, waarbij zij betoogde dat de beschikking en aanslag in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 13 EVRM. De belanghebbende concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en veroordeling van de Heffingsambtenaar tot schadevergoeding. De Heffingsambtenaar concludeerde tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Het Gerechtshof heeft de grieven van de belanghebbende verworpen en geoordeeld dat de WOZ-beschikking rechtsgeldig is opgelegd. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de heffingsambtenaar geen rekening hoefde te houden met eerdere WOZ-waarden en dat de datum van de beschikking op een zondag geen rechtsgevolgen had. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/897

Uitspraak van 23 oktober 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: R.W. Jagtenberg),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] ).
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 30 augustus 2024, nummer ROT 23/4986.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2023 bij beschikking vastgesteld op € 534.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Rotterdam (de gemeente) voor deze woning (de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar tegen de beschikking en aanslag bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 16 september 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. Belanghebbende is op 1 januari 2023 eigenaar van de woning. Het betreft een pand uit 1907 met woonoppervlakte van 159 m2, gelegen op een perceel van 117 m2 in de wijk [Wijk] in de buurt [Buurt] .

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

3.1.
In hoger beroep is in geschil of:
het geven van de beschikking en het opleggen van de aanslag in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);
het geven van de beschikking en het opleggen van de aanslag in strijd is met artikel 13 EVRM in verbinding met artikel 1 EP;
de beschikking zoals aangeduid in 4.3.2 (de WOZ-beschikking 2020) niet rechtsgeldig is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in vergoeding van schade, al dan niet op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar met toepassing van artikel 8:51a Awb, en tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten.
3.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

4.1.
Belanghebbende voert in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank de volgende drie grieven aan. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank ten onrechte niet geoordeeld dat:
de overdrachtsfictie in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);
het “domino-effect” in strijd is met artikel 13 EVRM jo. artikel 1 EP;
de WOZ-beschikking 2020 niet rechtsgeldig is omdat de dag van dagtekening van die beschikking een zondag is.
Ten aanzien van grief 1
4.1.1.
In deze grief komt belanghebbende op tegen het oordeel van de Rechtbank in rechtsoverweging 7 van haar uitspraak, welk oordeel – voor zover hier van belang – als volgt luidt, en waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres:
“7. (…) het betoog van eiseres [kan] niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De modelmatige waardebepaling en het gebruik van begrippen als ‘wijk’ en ‘buurt’ als zodanig leiden niet tot een inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres. Voor zover eiseres betoogt dat de heffing van onroerende-zaakbelastingen met de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf een schending oplevert van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, geldt het volgende. Het Eerste Protocol bij het EVRM laat de wetgever bij de heffing en invordering van belastingen een ruime beoordelingsmarge. Die marge is met de heffing van onroerende-zaakbelastingen, dan wel de daaraan ten grondslag liggende waardebepaling op grond van de Wet WOZ niet overschreden.[5]
[5] Hof Den Haag 4 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:748, r.o. 5.2.2 en HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1457.
(…)”
4.1.2.
In de uitspraken van dit Hof van 4 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:748, en 24 januari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:683, is geoordeeld dat de Wet WOZ en de onroerende-zaakbelastingen niet in strijd zijn met het recht op ongestoord eigendom, noch met het verbod van discriminatie, noch met het evenredigheidsbeginsel. De tegen deze uitspraken ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad, onder verwijzing naar artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongemotiveerd ongegrond verklaard.
4.1.3.
Hetgeen belanghebbende in haar eerste grief tegen bovenvermeld oordeel van de Rechtbank in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om op deze eerdere in vorenbedoelde uitspraken neergelegde beslissingen terug te komen.
4.1.4.
Grief 1 wordt verworpen.
Ten aanzien van grief 2
4.2.1.
In deze grief komt belanghebbende op tegen het oordeel van de Rechtbank aan het slot van rechtsoverweging 7 van haar uitspraak, welke luidt als volgt en waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres:
“De WOZ-waarde wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld, onafhankelijk van de WOZ-waarde van vorige belastingjaren.[6] De heffingsambtenaar hoefde dus geen rekening te houden met het voor het belastingjaar 2019 bereikte compromis.
[6] Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 15 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1282. (…)”
4.2.2.
Het is vaste jurisprudentie dat de WOZ-waarde van een woning voor ieder jaar opnieuw wordt vastgesteld op basis van gegevens van dat jaar. Daarbij worden gegevens gebruikt van met de woning vergelijkbare woningen die zijn verkocht op of rond de waardepeildatum. De WOZ-waarde van de woning in voorgaande of latere jaren en de procentuele stijging of daling van de WOZ-waarde van de woning ten opzichte van de WOZ-waarden van andere woningen spelen daarbij geen rol (vgl. Gerechtshof Den Haag 15 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1282, Gerechtshof Amsterdam 23 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1397, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2516). De Rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Heffingsambtenaar geen rekening hoefde te houden met het voor het jaar 2019 bereikte compromis. Op deze grond falen ook belanghebbendes klachten over proportionaliteit, strijd met de goede procesorde en misbruik van recht.
4.2.3.
Het betoog van belanghebbende in grief 2 gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Grief 2 treft derhalve geen doel.
Ten aanzien van grief 3
4.3.1.
In deze grief komt belanghebbende op tegen het oordeel van de Rechtbank in rechtsoverweging 2 van haar uitspraak, welke luidt als volgt en waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres:
“(…) het beroep [is], voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing, niet-ontvankelijk. Er bestaat in Nederland geen geschreven of ongeschreven rechtsregel die zich verzet tegen het dateren van het aanslagbiljet op een zondag. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de analogische toepassing van de rechtspraak over een onjuist geadresseerde beschikking. Omdat het aanslagbiljet voor het belastingjaar 2020 rechtsgeldig is, moet het verzoek van eiseres om een nieuwe WOZ-beschikking voor dat belastingjaar worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve herziening van die beschikking. De heffingsambtenaar is immers niet bevoegd meermaals een aanslag op te leggen ten aanzien van hetzelfde belastbare feit.[1] In de uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard en de WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2020 ambtshalve getoetst. Daarmee heeft de heffingsambtenaar ook beslist op het verzoek om ambtshalve herziening en is hij niet in gebreke tijdig een besluit te nemen. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing, is daarom niet-ontvankelijk.[2]
[1] HR 17 december 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9828.
[2] Artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).”
4.3.2.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking, met dagtekening (zondag) 15 maart 2020, op grond van artikel 22 Wet WOZ de waarde van de woning op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 475.000 (de WOZ-beschikking 2020). Belanghebbende heeft, met dagtekening 7 mei 2020, hiertegen een bezwaarschrift ingediend, en tevens verzocht om een nieuwe – niet op een zondag gedateerde – WOZ-beschikking 2020.
4.3.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2021 heeft de Heffingsambtenaar geconstateerd dat het tegen de WOZ-beschikking 2020 ingediende bezwaarschrift niet binnen daarvoor geldende termijn, en derhalve niet tijdig, is ontvangen, aangezien het bezwaarschrift is ontvangen op 8 mei 2020. Het is ook niet binnen die termijn door belanghebbende verzonden en in de zevende week na de dagtekening van de beschikking ontvangen. Gelet hierop heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
4.3.4.
Bij brief van 5 maart 2022 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar erop gewezen dat zij in haar bezwaar met dagtekening 7 mei 2020 om een nieuwe gewijzigde WOZ-beschikking 2020 heeft gevraagd, en, omdat zij op dat verzoek geen reactie heeft ontvangen, heeft zij de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld.
4.3.5.
Belanghebbende had haar bezwaar tegen de dagtekening van de WOZ-beschikking 2020 tijdig, dat wil zeggen: binnen de zeswekentermijn, moeten indienen bij de Heffingsambtenaar en had daarin haar standpunt moeten verwoorden dat – naar haar mening – de WOZ-beschikking 2020 ongeldig is aangezien een zodanige beschikking niet genomen kan worden op een zondag. Belanghebbende heeft niet binnen de zeswekentermijn bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking 2020. Het is vaste jurisprudentie dat het stelsel van wettelijke bepalingen dat het beroep in belastingzaken of in zaken met betrekking tot een WOZ-beschikking regelt, meebrengt dat met het doen van een uitspraak op een bezwaarschrift – welke uitspraak op bezwaar in casu 6 oktober 2021 is gedaan – de behandeling van het bezwaar en daarmee de bezwaarfase eindigt. Voorts heeft de Rechtbank terecht beslist dat er in Nederland geen geschreven of ongeschreven rechtsregel bestaat die zich verzet tegen het dateren van een aanslagbiljet op een zondag. Dat betekent dat als belanghebbende het niet eens is met vorenbedoelde uitspraak op bezwaar, zij hiertegen beroep bij de Rechtbank had moeten instellen (vgl. HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516). Aangezien belanghebbende geen beroep bij de Rechtbank heeft ingesteld, is de WOZ-beschikking 2020 onherroepelijk vast komen te staan. Dit laat bovendien onverlet dat de onderhavige procedure slechts het belastingjaar 2023 betreft. De rechtsgeldigheid van de WOZ-beschikking 2020 kan in deze procedure derhalve niet meer aan de orde komen.
4.3.6.
Belanghebbendes betoog dat, met een enkele verwijzing naar de Corona-pandemie, sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding treft geen doel omdat zij dienaangaande niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
4.3.7.
Grief 3 faalt derhalve.
Slotsom
4.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, falen de grieven en is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de door belanghebbende gemaakte proceskosten noch tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter
T. van Hout P.J.J. Vonk
De beslissing is op 23 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.