ECLI:NL:GHDHA:2025:2595
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WOZ-beschikking en onroerende-zaakbelastingen in verband met eigendomsrecht en rechtsgeldigheid
In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 23 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een WOZ-beschikking en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelastingen. De belanghebbende, eigenaar van een woning in Rotterdam, had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de Heffingsambtenaar, die de waarde van de woning op 1 januari 2022 had vastgesteld op € 534.000. De Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna de belanghebbende in beroep ging bij de Rechtbank Rotterdam. De Rechtbank verklaarde het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond. Hierop heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof.
In hoger beroep heeft de belanghebbende drie grieven ingediend, waarbij zij betoogde dat de beschikking en aanslag in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 13 EVRM. De belanghebbende concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en veroordeling van de Heffingsambtenaar tot schadevergoeding. De Heffingsambtenaar concludeerde tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Het Gerechtshof heeft de grieven van de belanghebbende verworpen en geoordeeld dat de WOZ-beschikking rechtsgeldig is opgelegd. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de heffingsambtenaar geen rekening hoefde te houden met eerdere WOZ-waarden en dat de datum van de beschikking op een zondag geen rechtsgevolgen had. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.