ECLI:NL:GHDHA:2025:2664

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
200.348.456/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenlease en onrechtmatige advisering door tussenpersoon in relatie tot Dexia Nederland B.V.

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia Nederland B.V. en de geïntimeerde. De geïntimeerde, vertegenwoordigd door advocaat mr. J.B. Maliepaard, had in eerste aanleg vorderingen ingesteld tegen Dexia, waarbij hij stelde dat Dexia onrechtmatig had gehandeld door advies te ontvangen van een tussenpersoon die niet over de vereiste vergunning beschikte. Het hof heeft vastgesteld dat de tussenpersoon, die betrokken was bij de totstandkoming van de overeenkomsten, niet de benodigde vergunning had en dat Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. Het hof oordeelde dat Dexia onrechtmatig had gehandeld en dat zij de schade van de geïntimeerde volledig diende te vergoeden. De kantonrechter had eerder de vorderingen van de geïntimeerde in conventie toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten, en de vorderingen van Dexia in reconventie voor een deel toegewezen. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en veroordeelde Dexia in de proceskosten van het hoger beroep. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van aanbieders van financiële producten en de noodzaak voor hen om te waarborgen dat tussenpersonen voldoen aan de wettelijke vereisten voor advisering.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.456/01
Zaaknummer rechtbank: : 10215018 EL 22-65
Arrest van 16 december 2025
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 30 november 2023 (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
[geïntimeerde] heeft acht effectenleaseovereenkomsten gesloten met Dexia. Daarvan zijn er in dit hoger beroep drie in geschil: effectenleaseovereenkomst [contractnummer 1] , effectenleaseovereenkomst [contractnummer 2] en effectenleaseovereenkomst [contractnummer 3] . Deze overeenkomsten worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de Overeenkomsten’. De Overeenkomsten zijn tot stand gekomen via de tussenpersoon [tussenpersoon] . In hoger beroep is de vraag aan de orde of [geïntimeerde] ten aanzien van de Overeenkomsten is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat (i) Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] ter zake van de Overeenkomsten, (ii) [geïntimeerde] schade heeft geleden als gevolg van dit onrechtmatig handelen welke Dexia gehouden is te vergoeden en (iii) [geïntimeerde] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is. [geïntimeerde] heeft de kantonrechter eveneens verzocht Dexia te veroordelen (i) tot voldoening aan [geïntimeerde] van al datgene wat [geïntimeerde] aan Dexia heeft betaald onder de Overeenkomsten, (ii) tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en (iii) in de proceskosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Dexia heeft verweer gevoerd en tegenvorderingen ingesteld. Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan onder de Overeenkomsten en twee andere leaseovereenkomsten en dat [geïntimeerde] niets meer van haar te vorderen heeft. Dexia heeft bij de kantonrechter eveneens gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen (i) tot betaling van een bedrag van € 1.555,47 ter zake van de Overeenkomsten, te vermeerderen met de wettelijke rente over afzonderlijke bedragen in relatie tot de Overeenkomsten, en (ii) in de proceskosten.
3.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie (met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten) toegewezen. De kantonrechter heeft de vorderingen van Dexia in reconventie toegewezen voor zover deze zien op andere leaseovereenkomsten dan die waarover in conventie is geoordeeld. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld in de proceskosten in conventie en de proceskosten in reconventie gecompenseerd.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en tot het alsnog integraal toewijzen van haar reconventionele vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de Overeenkomsten met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de Overeenkomsten met [geïntimeerde] [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [2]
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de Overeenkomsten, onder “De feitelijke gang van zaken” in de inleidende dagvaarding. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] heeft een bij naam genoemde adviseur van [tussenpersoon] ontmoet tijdens een bezoek aan zijn zus en zwager. De adviseur heeft [geïntimeerde] tijdens dit bezoek gevraagd of hij ook interesse had in een gesprek, waar [geïntimeerde] wel oren naar had. Hierop hebben er adviesgesprekken bij [geïntimeerde] thuis plaatsgevonden. Tijdens het eerste adviesgesprek is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen. Voorts is besproken welk doel [geïntimeerde] voor ogen had, en welke middelen [geïntimeerde] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan heeft de adviseur van [tussenpersoon] [geïntimeerde] gedurende het tweede adviesgesprek aan de hand van een financieel plan geadviseerd om de in dit geding genoemde, specifieke effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Deze producten waren volgens de adviseur van [tussenpersoon] geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . De adviseur heeft [geïntimeerde] geadviseerd om een hypotheek af te sluiten, omdat daarmee de overwaarde op de woning van [geïntimeerde] kon worden opgenomen en aangewend voor de bekostiging van de effectenleaseproducten en voor storting op een beleggingsrekening bij [bedrijf] . De adviseur heeft zijn verhaal kracht bijgezet aan de hand van een prognose. [geïntimeerde] heeft op het de deskundigheid van de adviseur vertrouwd en zijn advies opgevolgd. De Overeenkomsten zijn ondertekend en daarna door de adviseur aan Bank Labouchere verstuurd. Onder deze feiten en omstandigheden zijn de Overeenkomsten tot stand gekomen, aldus [geïntimeerde] .
4.7.
Dexia meent dat de kantonrechter de stellingen van [geïntimeerde] voor waar heeft aangenomen, ondanks het ontbreken van elk bewijs. [geïntimeerde] heeft niet onderbouwd dat huisbezoeken hebben plaatsgevonden. Het verhaal van [geïntimeerde] vertoont lacunes. Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Dexia voert verder aan dat de (blote) stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband eveneens op dat het gaat om gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben en meent dat hier niet aan voorbij moet worden gegaan. Dexia stelt dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat dat er inmiddels overvloedig bewijs is dat zij veelvuldig een geheel andere werkwijze hanteerden die niet is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling.
4.8.
De stukken die de kantonrechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd zijn volgens Dexia onvoldoende om het oordeel te dragen dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd. Dexia betoogt verder dat de kantonrechter artikel 149 Rv onjuist heeft toegepast. Dexia stelt dat uit de toenmalige wetgeving, noch uit de jurisprudentie volgt dat zij de plicht had om onderzoek te doen naar de betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst en relevante gegevens hieromtrent te verzamelen. Dexia is van mening dat zij moet worden toegelaten tot het leveren van (tegen)bewijs.
4.9.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op in 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht aan personen heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia heeft gelegen te controleren wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Als dat het geval was, zou Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer hebben moeten weigeren. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.10.
De door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de Overeenkomsten, moet in het licht van de prejudiciële beslissing worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] , (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt en (iii) de tussenpersoon vervolgens specifieke effectenleaseproducten van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon de effectenleaseproducten aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde] , en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties – waaronder het financiële plan – voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken, zoals beschreven door [geïntimeerde] , bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.11.
De omstandigheid dat [geïntimeerde] niet de data heeft genoemd waarop de huisbezoeken zouden hebben plaatsgevonden, betekent niet dat [geïntimeerde] stellingen onvoldoende specifiek zouden zijn. Overigens heeft [geïntimeerde] bij de inleidende dagvaarding de aanvraagformulieren overgelegd. Op deze formulieren is een datum vermeld, zodat aannemelijk is dat [geïntimeerde] en de tussenpersoon elkaar in ieder geval op of rond die dag hebben gesproken.
4.12.
Dexia merkt verder nog op dat [geïntimeerde] niet ingaat op het feit dat hij de effectenovereenkomsten met de nummers [contractnummer 4] en [contractnummer 5] al in 1997 en 1998 had afgesloten en dat [geïntimeerde] goede ervaringen had met die overeenkomsten. Volgens Dexia volgt hieruit ook dat [geïntimeerde] al drie jaar beleggingservaring had toen hij de Overeenkomsten afsloot. Dexia ziet er echter aan voorbij dat het bij de beantwoording van de vraag of de tussenpersoon [geïntimeerde] vergunningplichtig heeft geadviseerd niet doorslaggevend is of [geïntimeerde] al dan niet beleggingservaring had met eerdere effectenleaseovereenkomsten.
4.13.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft ook onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de (feitelijke) gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Het hof zal Dexia daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van [tussenpersoon] , met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de Overeenkomsten heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen.
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
4.15.
Voor zover Dexia van mening is dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten destijds geen vergunningplichtige activiteit was, wordt dat verweer verworpen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.16.
Dexia heeft verder nog aangevoerd dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE, thans AFM), als toezichthouder, nooit signalen heeft afgegeven dat Dexia gehouden was onderzoek te doen naar de totstandkoming van een effectenleaseovereenkomst of effectenleaseovereenkomsten en zij daaraan ook het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet. Dat verweer gaat niet op. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de STE/AFM erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico.
Wetenschap Dexia
4.17.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde] .
4.18.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de Overeenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door [tussenpersoon] werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat uit de schermafbeelding van de (toenmalige) website van [tussenpersoon] volgt dat zij zich naar de buitenwereld presenteerde als financieel adviseur, wat voor Dexia eenvoudig was na te gaan. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist, of behoorde te weten, dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.19.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Openstaande restschuld en verklaring voor recht
4.20.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht gedeeltelijk is afgewezen. Omdat de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Conclusie
4.21.
De conclusie is dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en de schade van [geïntimeerde] daarom volledig dient te vergoeden.
4.22.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.13 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen. In dit verband merkt het hof nog op dat, anders dan Dexia in grief III aanvoert, [geïntimeerde] de openstaande restschuld niet hoeft te voldoen.
Slotsom en proceskosten
4.23.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.24.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.821,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 178,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).