ECLI:NL:GHDHA:2025:2865

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
BK-25/51
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 6a Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 22 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag bpm wegens juiste historische nieuwprijs en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende had een naheffingsaanslag bpm van €249 opgelegd gekregen na registratie van een gebruikte Opel Corsa. De Inspecteur baseerde de naheffing op een CO2-uitstoot van 137 gr/km volgens de RDW, wat leidde tot een hogere historische nieuwprijs en bpm. Belanghebbende betwistte dit en voerde aan dat de CO2-uitstoot lager was en dat het taxatierapport met schadeaftrek betrouwbaar was.

De Rechtbank oordeelde dat de RDW-waarde leidend is en dat het taxatierapport vanwege formele en materiële gebreken geen bewijskracht heeft. De rechtbank honoreerde het beroep van de Inspecteur op interne compensatie, waardoor de naheffingsaanslag niet werd verminderd. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

Het Hof stelde vast dat de CO2-uitstoot van 137 gr/km volgens het kentekenregister leidend is en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze onjuist is. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur weliswaar in eerste aanleg een standpunt had ingenomen over vermindering van de naheffingsaanslag tot €204, maar dat het beroep op interne compensatie voor een hoger bedrag in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daarom werd de naheffingsaanslag verminderd tot €204.

Daarnaast kende het Hof belanghebbende een vergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsfase. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de eerdere uitspraken vernietigd.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot €204 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/51

Uitspraak van 18 november 2025

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2024, nummer SGR 23/8347.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 249 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 2 oktober 2025.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 452 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Opel Corsa 1.2. Elegance (de auto). De datum van eerste toelating is 22 december 2020.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [A B.V.] (het taxatierapport). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 23.347 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 10.042. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 6.435 in mindering gebracht wegens schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 3.607. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 2.930 (CO2-uitstoot van 124 gr/km).
2.3.
De RDW heeft de auto op 17 maart 2022 gekeurd. Daarbij heeft de RDW de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld op 137 gr/km (WLTP).
2.4.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 249 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van 137 gr/km (WLTP). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.542.
2.5.
In het verweerschrift in eerste aanleg met dagtekening 25 april 2024 heeft de Inspecteur onder meer het volgende geschreven:
“(…)
Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1703) wordt de historische nieuwprijs bepaald door de catalogusprijs + btw + bpm, waarbij de bpm berekend wordt op basis van de CO2- uitstoot van het in te schrijven voertuig. In onderhavig geval houdt dit in dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag een verkeerde historische nieuwprijs als uitgangspunt is genomen.
Door aanpassing van de historische nieuwprijs en uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 16.874 wordt de verschuldigde bpm € 656. Op aangifte is een bedrag van € 452 betaald, zodat de naheffingsaanslag tot € 204 dient te worden verminderd.
Voor de berekening wil ik verwijzen naar bijlage 11.
5. Conclusie
Het beroep is enkel gegrond op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 inzake de historische nieuwprijs.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
CO2-uitstoot
7. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor het vaststellen van de CO2-uitstoot van de auto dient te worden uitgegaan van de uitstoot vastgesteld volgens de WLTP meetmethode. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
8. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) wordt de belasting voor een personenauto bepaald aan de hand van de CO2-uitstoot van die auto. De voor de heffing van Bpm relevante CO2-uitstoot kan op grond van artikel 9, dertiende lid, van de Wet Bpm alleen worden bewezen met de bewijsmiddelen genoemd in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling). Op grond van artikel 6a, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling geldt daarbij als uitgangspunt dat de omvang van de CO2-uitstoot blijkt uit het kentekenregister.
Als de omvang van de CO2-uitstoot niet uit het kentekenregister blijkt dan kan de omvang van de CO2-uitstoot blijken uit de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming (CVO).
9. Vaststaat dat de RDW de CO2-uitstoot heeft vastgesteld op 137 gr/km WLTP en dat deze waarde ook in het kentekenregister is opgenomen. Alsdan heeft die waarde als uitgangspunt te gelden (zie hiervoor onder 8). De rechtbank vindt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de RDW bepaalde CO2-uitstoot. Eiseres heeft met wat zij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat de RDW de CO2-uitstoot van de auto onjuist heeft vastgesteld. Weliswaar toont de bij de aangifte gevoegde Spaanse Technica Fecha, behorende bij het Spaanse kentekenbewijs, een CO2-uitstoot van 96 gr/km NEDC, maar dat is een waarde die is vastgesteld volgens een andere meetmethode waaruit niet – althans niet zonder een overtuigende en (cijfermatig) onderbouwde toelichting welke ontbreekt – kan worden afgeleid dat de door de RDW vastgestelde WLTP-waarde onjuist is. Nu de gegevens uit het kentekenregister leidend zijn, is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag terecht uitgegaan van een WLTP-uitstoot van 137 gr/km. Voor zover eiseres meent dat dat de RDW de CO2-uitstoot onjuist heeft berekend, heeft zij dit niet nader onderbouwd met een eigen berekening. De door eiseres overgelegde uitdraai met gegevens van een Opel Corsa met kenteken [kenteken] uit het kentekenregister, met een CO2-uitstoot staat van 124 gr/km WLTP en 96 gr/km NEDC, brengt de rechtbank niet tot een andere conclusie. Immers, uit niets blijkt dat deze gegevens ook hebben te gelden voor de auto van eiseres, en niet valt uit te sluiten dat de auto en dit bewuste voertuig op (geringe) (motortechnische)onderdelen van elkaar verschillen.
Als eiseres desondanks wil dat wordt uitgegaan van een aangepaste, lagere CO2-uitstoot van de auto, moet zij zich tot de RDW wenden met het verzoek de CO2-uitstoot van de auto aan te passen. Pas nadat RDW de CO2-uitstoot lager heeft vastgesteld, kan dat voor de heffing van de Bpm worden gevolgd.
Historische nieuwprijs
10. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de historische nieuwprijs van de auto te laag is vastgesteld, dat deze € 24.959 bedraagt en dat dit in beginsel leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 204.
Beroep op interne compensatie / Schadeaftrek
11. Verweerder doet in verband met voornoemde vermindering een beroep op interne compensatie. Daartoe stelt verweerder – kort gezegd – dat het taxatierapport dat ten grondslag ligt aan de aangifte van eiseres van bewijs dient te worden uitgesloten vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport kleven, en dat, nu er evenmin een adequate koerslijst beschikbaar is, had moeten worden nageheven op basis van een afschrijving bepaald met toepassing van de forfaitaire tabel. Alsdan is de naheffingsaanslag, ondanks dat de historische nieuwprijs dient te worden verhoogd, niet te hoog en is het beroep daarom ongegrond, aldus verweerder. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
12. Eiseres heeft bij het doen van aangifte het standpunt ingenomen dat de handelsinkoopwaarde die wordt gebruikt ter bepaling van de afschrijving moet worden verminderd vanwege – niet in de gehanteerde koerslijst (in casu XRAY-rental) verwerkte – beschadigingen aan de auto. Verweerder betwist nu in zijn nader stuk alsnog dat de schade aan de auto tot het in het taxatierapport van eiseres opgenomen schadebedrag kan worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade. Eiseres draagt alsdan de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen aan het voertuig een waardedaling ten opzichte van de uit de gehanteerde koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben.[1]
13. Eiseres heeft verwezen naar het taxatierapport dat in haar opdracht bij gelegenheid van de aangifte is opgemaakt. Daarin is de schade naar haar mening duidelijk beschreven. Verweerder betoogt in beroep dat het rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiseres kleven. Verweerder wijst daarbij op het volgende:
- De handelsinkoopwaarde dient
naar waarheiden
aan de hand van een gedegen fysieke opnamete worden vastgesteld; dat daarvan sprake is, is niet controleerbaar en ook niet waarschijnlijk, mede gegeven het korte tijdsbestek (15 minuten) dat met de opname is gemoeid geweest en waarin kennelijk onder andere het volgende is beoordeeld en de volgende werkzaamheden zijn verricht:
▪ wielophanging : redelijk
▪ velgen en banden : beschadigde staat
▪ stuurinrichting : redelijk
▪ remmen : redelijk
▪ motor : goed werkende staat
▪ versnellingsbak en aandrijving : redelijk
▪ elektrische installatie : redelijk
▪ carrosserie : beschadigde staat
▪ interieur : redelijke staat
▪ algehele staat : bovenmatige schade
  • Er zijn 45 foto’s gemaakt, die zeer sterk zijn ingezoomd en waarvan een deel onscherp is afgedrukt, en waar op een aantal foto’s de auto is voorzien van krijtstrepen om gestelde schade aan te tonen.
  • Er is niet duidelijk of en hoe met gebruikerssporen rekening mee is gehouden.
  • Er is door de taxateur géén onderzoek ingesteld naar de oorzaak van eventuele aanwezige schade terwijl dit juist inherent is aan de werkzaamheden van een taxateur als zodanig en terwijl de taxateur wel € 6.389 aan schade heeft gecalculeerd en vastgesteld dat daarvan 85% in mindering kan worden gebracht, waarbij ook nog geldt dat de in het taxatierapport genoemde vermindering wegens schade van € 4.600 als zijnde 85% van de totale schade onjuist is berekend en niet overeenkomst met de daadwerkelijk toegepaste vermindering van € 5.431.
  • Er wordt zonder duidelijke berekening of motivering meer dan 72% van de schade in mindering gebracht op de waarde.
  • Er wordt een waardevermindering gesteld van 10% (€ 1.004) voor een schadeverleden zonder enige deugdelijke onderbouwing.
  • De waarde in onbeschadigde staat van € 10.042 is vastgesteld op basis van een koerslijst van XRAY-rental, die i) niet juist is ingevuld nu alle opties zijn opgenomen onder ‘overige’ in plaats van dat deze op de juiste wijze in het programma zijn geselecteerd hetgeen leidt tot een lagere koerslijstwaarde (zie ECLI:NL:GHDHA:2023:1694) en ii) die bovendien een koerslijst van een ex-rental betreft terwijl niet is aangetoond dat sprake is van een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende waardevermindering leidt.
  • Er worden posten als schade opgenomen in de schadecalculatie die geen schade betreffen, zoals expertisekosten, Nederlandse onderhoudsboekenpakket en Nederlandse software programmeren.
  • Er is geen sprake van een taxatie/opname in de staat waarin de auto ten hoogste één maand vóór het tijdstip dat de bpm is verschuldigd verkeert.
  • Uit de door eiser overgelegde inkoopfactuur blijkt dat het voertuig op 7 maart 2023 is aangekocht door eiseres voor een bedrag van € 11.850. Dat betekent dat eiseres in feite minimaal € 12.302 (€ 11.850 plus € 452 bpm) (exclusief p.m.) heeft betaald voor een auto in beschadigde staat en – uitgaande van het schadebedrag van € 6.389 – feitelijk een bedrag van minimaal € 18.691 (exclusief p.m.), terwijl de taxateur aangeeft dat de auto slechts € 3.607 (inclusief btw en Bpm en schade) waard is.
14. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, vanwege al de hiervoor genoemde punten, in onderlinge samenhang bezien en meer in het bijzonder ook de punten over de voor de opname gebruikte tijd, het niet duidelijk gemaakt zijn van hoe is omgegaan met gebruikersschade, het in aanmerking nemen van een vermindering wegens een schadeverleden zonder enige toelichting of onderbouwing en het zonder enige toelichting of onderbouwing uitgaan van een koerslijst voor een ex-rental voertuig die ook nog onjuist is ingevuld wat betreft de opties, aan het taxatierapport van eiseres geen bewijskracht toekomt en dat op basis daarvan dan ook geen schade kan worden vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres geen afdoende verklaring heeft gegeven met betrekking tot de hiervoor genoemde punten die twijfels doen rijzen over de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van het taxatierapport. Ook acht de rechtbank van belang de door verweerder geschetste discrepantie tussen enerzijds het aankoopbedrag van € 12.302 (inclusief Bpm) danwel (inclusief ook schade) € 18.691 en de in het taxatierapport vastgestelde handelsinkoopwaarde van € 3.607; ook dat draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat het taxatierapport niet betrouwbaar en onbruikbaar is.
15. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres, tegenover het de betwisting van verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van de aangifte schade (niet zijnde normale gebruiksschade) op de auto bevond. Behoudens (de constateringen in) het taxatierapport, heeft eiseres dienaangaande niets, althans in ieder geval niet voldoende gesteld en/of overgelegd om enige schade op dat moment aannemelijk te maken. Op de foto’s van het voertuig in het dossier is ook geen (noemenswaardige) schade te zien, in ieder geval geen schade waarvoor de kwalificatie ‘normale gebruiksschade’ niet passend zou zijn. Voor zover eiseres in dit verband een beroep doet op beleid binnen de autobranche en stelt dat DRZ dit beleid niet heeft gevolgd en dat verweerder daarom de schade onvoldoende heeft betwist, volgt de rechtbank eiseres daarin niet, reeds omdat DRZ en verweerder aan een binnen de autobranche bestaand beleid niet gebonden zijn.
Dat verweerder de (taxatie van eiseres van de) auto niet heeft laten controleren door DRZ, maakt het vorenstaande niet anders. Dit neemt immers niet weg dat de bewijslast van gestelde schade op eiseres rust; zij moet aannemelijk maken dat de gestelde schade aanwezig is en terecht in aanmerking is genomen. Ook heeft eiseres geen enkel bewijs aangedragen van de door haar gebezigde aannames dat sprake is van een schadeverleden dat een waardevermindering rechtvaardigt en dat sprake is van een verleden als ex-rental dat een waardevermindering rechtvaardigt. Eiseres is aldus voor geen enkel punt op basis waarvan zij een waardevermindering heeft geclaimd in de op haar rustende bewijslast geslaagd.
16. Verweerder bepleit vervolgens terecht dat het gebruik van de taxatiemethode na
verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is.[2] Immers, er is met het verwerpen van het taxatierapport van eiseres geen taxatierapport van de auto meer voorhanden. Alsdan kan de taxatiemethode ook niet (meer) worden toegepast en moet, naar verweerder ook stelt, in beginsel worden teruggevallen op de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel.
17. Voor toepassing van de koerslijstmethode is, naar verweerder terecht stelt, vereist dat er een adequate (complete) uitdraai van een juiste koerslijst tot de gedingstukken behoort. Daarvan is hier geen sprake. Immers, er is enkel een koerslijst voorhanden van een ex-rental voertuig, terwijl door eiseres, op wie ook in dit verband de bewijslast rust, niet eens een begin van bewijs geleverd dat de auto een dergelijk ex-rental voertuig – dat wil zeggen een voertuig met een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende waardevermindering leidt – is. Nu een juiste koerslijst (van een niet ex-rental voertuig) ontbreekt, kan ook de koerslijstmethode niet worden toegepast.
18. Het vorenstaande betekent dat verweerder terecht concludeert dat in dit geval de verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Eiseres heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel, ook bij de aanpassing van de historische nieuwprijs als hiervoor benoemd, leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is. De rechtbank honoreert het beroep van verweerder op interne compensatie. De verhoging van de historische nieuwprijs resulteert daarom niet in een verlaging van de naheffingsaanslag.
19. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, gelet op de uitlatingen van verweerder in het verweerschrift over de vermindering van de naheffingsaanslag, de door verweerder in het nader stuk en ter zitting voorgestane interne compensatie in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwerpt dit beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel en overweegt daartoe het volgende.
20. In het verweerschrift heeft verweerder in dit verband – voor zover van belang – het volgende geconcludeerd en vermeld:
“Op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1703) wordt de historische nieuwprijs bepaald door de catalogusprijs + btw + bpm, waarbij de bpm berekend wordt op basis van de CO2-uitstoot van het in te schrijven voertuig. In onderhavig geval houdt dit in dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag een verkeerde historische nieuwprijs als uitgangspunt is genomen.
(…)
Door aanpassing van de historische nieuwprijs en uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 16.874 wordt de verschuldigde bpm € 656. Op aangifte is een bedrag van € 452 betaald, zodat de naheffingsaanslag tot € 204 dient te worden verminderd.
(...)
5. Conclusie
Het beroep is enkel gegrond op basis van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 inzake de historische nieuwprijs.”
De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee een duidelijk, ondubbelzinnig standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het geschilpunt over de historische nieuwprijs. Daaraan is de bewuste conclusie ‘
vermindering van de naheffingsaanslag’ verbonden. De (tegemoetkomende) standpuntinname van verweerder in het verweerschrift heeft hij nadrukkelijk beperkt tot het geschilpunt over de historische nieuwprijs. Het strekt naar het oordeel van de rechtbank dan te ver om daarin ook een toezegging/standpuntbepaling te mogen/kunnen lezen met betrekking tot andere elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, zoals bijvoorbeeld de in aanmerking te nemen schade. Met de uitlatingen in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgeven van (een) standpunt(en) door verweerder met betrekking tot de overige elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, waardoor verweerder zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Eiseres heeft de uitlating in het verweerschrift redelijkerwijs ook niet zo kunnen of mogen opvatten. De mededeling dat ‘
de naheffingsaanslag tot € 204 dient te worden verminderd’, maakt ook niet dat de standpuntinname van verweerder breder kan worden getrokken, juist omdat deze conclusie zo specifiek is gekoppeld aan het bewuste standpunt over de historische nieuwprijs. Onder deze omstandigheden staat het verweerder vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Die grenzen heeft verweerder met zijn beroep op interne compensatie naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Gelet op dit alles faalt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.
21. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
22. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het ter zitting gedane verzoek van de gemachtigde van eiseres om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.
(…)
[1] Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
[2] Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31, alsook HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en HR ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en op een te hoog bedrag is vastgesteld, meer specifiek of de CO2-uitstoot juist is vastgesteld, of de Inspecteur een beroep op interne compensatie toekomt en of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 24.959, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 656 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 204. Tot slot concludeert belanghebbende tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten en in de vergoeding van immateriële schade.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Vertrouwensbeginsel
5.1.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte het beroep op interne compensatie van de Inspecteur heeft gehonoreerd. Volgens belanghebbende is het beroep op interne compensatie in strijd met het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert belanghebbende aan dat de Inspecteur in zijn verweerschrift heeft toegezegd dat de naheffingsaanslag tot € 204 dient te worden verminderd en dat om die reden niet in een later stadium alsnog interne compensatie kan worden toegepast.
5.1.2.
Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur toezeggingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden mocht afleiden dat de Inspecteur er onvoorwaardelijk mee akkoord ging dat de naheffingsaanslag tot € 204 zou worden verminderd (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, BNB 2020/120, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439, BNB 2021/95). Uit het verweerschrift in eerste aanleg blijkt dat de Inspecteur uitdrukkelijk en ondubbelzinnig het standpunt heeft ingenomen dat de naheffingsaanslag tot € 204 dient te worden verminderd. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de Inspecteur geen enkel voorbehoud heeft opgenomen ten aanzien van de vermindering van de naheffingsaanslag tot € 204 en dat de aanvulling op het verweerschrift, waarin de Inspecteur het beroep op interne compensatie heeft opgenomen, pas vijf maanden later is ingediend. Een uitkomst waarin de naheffingsaanslag tot een hoger bedrag dan € 204 wordt vastgesteld is dan ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Gelet hierop komt de Inspecteur geen beroep op interne compensatie toe voor zover dit tot een hogere naheffingsaanslag leidt dan € 204.
CO2-uitstoot
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 137 gr/km. Volgens belanghebbende heeft de RDW een fout gemaakt bij het meten van de CO2-uitstoot en bedraagt de juiste CO2-uitstoot van de auto 124 gr/km. Belanghebbende verwijst daarbij naar de gegevens van een Opel Corsa met kenteken [kenteken] uit het kentekenregister, met een CO2-uitstoot staat van 124 gr/km WLTP en 96 gr/km NEDC.
5.2.2.
De heffing van bpm is gerelateerd aan de CO2-uitstoot in die zin dat voor personenauto’s het op grond van artikel 9 van Pro de Wet verschuldigde bedrag aan bpm hoger is naarmate de vastgestelde CO2-uitstoot van de personenauto hoger is. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto moet worden bepaald hoeveel CO2 deze uitstoot.
De CO2-uitstoot is een objectief vast te stellen, onderscheidend criterium voor motorvoertuigen. De relevante CO2-uitstoot kan op grond van artikel 9, lid 13, van de Wet bpm alleen worden bewezen met de bewijsmiddelen genoemd in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling). Op grond van artikel 6a, leden 1 en 2, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling geldt daarbij als uitgangspunt dat de omvang van de CO2-uitstoot blijkt uit het kentekenregister.
5.2.3.
Uit het kentekenregister volgt een CO2-uitstoot van de auto van 137 gr/km WLTP. Derhalve heeft deze CO2-uitstoot als uitgangspunt te gelden, totdat deze daadwerkelijk in het kentekenregister wordt gewijzigd. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat deze CO2-uitstoot onjuist is vastgesteld. Uit de door belanghebbende overgelegde gegevens volgt niet dat het referentievoertuig en de auto van zowel wat betreft merk, model, type, uitvoering als leeftijd hetzelfde zijn. Niet valt uit te sluiten dat het referentievoertuig en de auto op (geringe) (motortechnische) onderdelen van elkaar verschillen, hetgeen een oorzaak kan zijn van verschil in CO2-uitstoot. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat zowel het referentievoertuig als de auto volgens de WLTP-meetmethode is getest. Het verschil kan dus niet zijn veroorzaakt door een verschil in meetmethode. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de auto vanuit het oogpunt van de consument concurreert met het referentievoertuig. Zo is niets bekend over slijtage en opties.
5.2.4.
Belanghebbende heeft het Hof ter zitting verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van de Hoge Raad op de door Hof Amsterdam gestelde prejudiciële vragen tot nadere duiding van de antwoorden in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 24 april 2024 (Hof Amsterdam 15 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1252). Het Hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding tot aanhouding van het geschil totdat de Hoge Raad hieromtrent arrest heeft gewezen.
Ex-rental
5.3.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857. Niet is gebleken dat hier sprake is van een ex-rental. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van referentievoertuigen met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt.
Conclusie naheffingsaanslag
5.4.
Gelet op het voorgaande stelt het Hof de naheffingsaanslag vast op € 204.
Vergoeding van immateriële schade
5.5.1.
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaar- en beroepsfase.
5.5.2.
Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Hierbij geldt dat voor de bezwaarfase een termijn van een half jaar als redelijk wordt beschouwd en dat voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar als redelijk wordt beschouwd.
5.5.3.
Het bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 30 november 2022 en hij heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 10 november 2023. Het beroepschrift is op 11 december 2023 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 december 2024. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak doet, zijn twee jaar en (afgerond) één maand verstreken. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 500. De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Het Hof zal de Inspecteur veroordelen tot betaling van genoemd bedrag van
€ 500.
Slotsom
5.4.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat zijn bedrijfsmodel, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het hoger beroep is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van ‘no cure no pay’ heeft en dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (Whpkv) om die reden in het onderhavige geval toepassing mist. Volgens de gemachtigde van belanghebbende kwalificeert hij als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, waarbij hij verwijst naar het arrest HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382. Mede gelet op het voornoemde arrest van 26 september 2025 en de verklaringen van de gemachtigde ter zitting dat hij een vast tarief van € 750 in rekening brengt en dat zijn bedrijfsmodel in 2025 gelijk aan dat in 2024 is gebleven, merkt het Hof de gemachtigde van belanghebbende aan als een bijzonder geval als in het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Anders dan de Inspecteur, ziet het Hof geen aanleiding om aan de verklaringen van de gemachtigde van belanghebbende te twijfelen. Het Hof berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder inachtneming van de Whpkv.
6.2.
Er bestaat aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten wegens beroepsmatig verleende bijstand vast op € 4.922 (€ 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorgesprek) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak)).
6.3.
Voorts dient de Inspecteur aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 944 (€ 365 en € 579) te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 204;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.922;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500; en
  • draagt de Inspecteur op aan belanghebbende het voor het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 944 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.D.M.A Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon A. van Dongen
De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.