Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid met een deelneming in Brazilië, ontving in 2018 en 2019 bruto inkomsten uit IoNE. De Inspecteur corrigeerde de toegekende tax sparing credit van 25% naar 20%, stellende dat IoNE als interest kwalificeert volgens het belastingverdrag Nederland-Brazilië. De Rechtbank oordeelde echter dat de IoNE voor de jaren 2018 en 2019 als dividend moet worden aangemerkt, wat recht geeft op de hogere tax sparing credit van 25%, en vernietigde de uitspraken op bezwaar.
In hoger beroep bevestigt het Gerechtshof deze uitspraak. Het hof stelt vast dat de IoNE in de Braziliaanse wetgeving fiscaal als interest wordt behandeld, maar dat voor de toepassing van het belastingverdrag de kwalificatie volgens Nederlandse belastingwetgeving prevaleert. De IoNE vertoont sterke kenmerken van dividend, zoals betaling aan aandeelhouders op basis van aandelenbezit en winst. Het hof wijst ook op het ontbreken van terugwerkende kracht van het MAP-besluit uit 2022 dat IoNE als interest kwalificeert.
De Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.