Belanghebbende maakte bezwaar tegen invorderingskosten van een aanslag lokale heffingen 2021, waarop de Invorderingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaarde. De Rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Het Hof oordeelt dat de Rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, omdat er ten tijde van het beroep nog een verrekeningsmogelijkheid bestond. Deze termijn is inmiddels verstreken, waardoor belanghebbende thans geen belang meer heeft bij een uitspraak over de invorderingskosten.
Belanghebbende vorderde tevens immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar met circa twee maanden is overschreden, wat geheel aan de Rechtbank is toe te rekenen. Daarom kent het Hof een schadevergoeding van € 500 toe, te betalen door de Staat.
Verder veroordeelt het Hof de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten en griffierechten. Het verzoek om overige schadevergoeding wordt afgewezen. De uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, de uitspraak op bezwaar bevestigd en het hoger beroep deels gegrond verklaard.