Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1837

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/377
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 30a Wet WOZWet herwaardering proceskostenvergoeding WOZWet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt geen uitzondering op vermenigvuldigingsfactor proceskostenvergoeding Wet WOZ

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerende-zaakbelastingen voor 2023. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende proceskostenvergoeding toe met toepassing van een vermenigvuldigingsfactor van 0,25 voor de beroepsfase. Belanghebbende stelde dat zijn gemachtigde een bijzonder geval is, waardoor de vermenigvuldigingsfactor niet van toepassing zou zijn.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde niet gebaseerd is op no cure no pay, maar op vaste instapvergoedingen die klanten ook bij verlies van de procedure verschuldigd zijn. Het Gerechtshof volgde de uitleg van de Hoge Raad dat het bedrijfsmodel beoordeeld moet worden op het moment van het instellen van het rechtsmiddel en dat een instapvergoeding van € 750 exclusief btw per procedure niet overeenkomt met no cure no pay.

Het Hof vernietigde het deel van de uitspraak van de Rechtbank over de proceskostenvergoeding in beroep, stelde de vergoeding zonder vermenigvuldigingsfactor vast en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De overige proceskosten en taxatierapportvergoeding bleven ongewijzigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt het deel van de uitspraak over de proceskostenvergoeding in beroep en stelt de vergoeding zonder vermenigvuldigingsfactor vast.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/377

Uitspraak van 23 april 2026

in het geding tussen:

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende

(gemachtigde: A. Oosters)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de heffingsambtenaar.
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 maart 2025, nummer SGR 24/3763.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als de [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 361.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 371. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.875,76;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 371,- aan belanghebbende te vergoeden;
- draagt de heffingsambtenaar op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 579. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen op 21 februari 2026.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 5 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase bij e-mailbericht van 17 januari 2025 een compromisvoorstel gedaan, inhoudende dat de waarde van de woning op € 444.000 wordt vastgesteld.
2.3.
De Rechtbank heeft een proceskostenvergoeding van € 1.872,76 toegekend, bestaande uit
- voor de bezwaarfase:
o 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift (met een waarde per punt van € 647),
o 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting (met een waarde per punt van € 647),
o beide met een wegingsfactor 1, in totaal voor de bezwaarfase € 1.294;
- voor de beroepsfase:
o 1 punt voor het verschijnen ter zitting (met een waarde per punt van € 907),
o 1 punt voor het indienen van het beroepschrift (met een waarde per punt van € 907),
o beide met een wegingsfactor 1 en op grond van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ een vermenigvuldigingsfactor van 0,25, in totaal voor de beroepsfase € 453,50;
- een vergoeding van € 128,26 voor het overgelegde taxatierapport.
2.4.
Het in hoger beroep ingediende nader stuk van belanghebbende omvat een uitgebreide onderbouwing met diverse bijlagen ter ondersteuning van het standpunt van de gemachtigde van belanghebbende, dat hij dient te worden aangemerkt als een “bijzonder geval” zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. De bijlagen bestaan onder meer uit de overeenkomst zoals die door de gemachtigde van belanghebbende wordt gebezigd sinds oktober 2024, een aantal overeenkomsten en facturen uit 2024, overeenkomsten uit 2026, een Excel-overzicht met winstcijfers en de winst- en verliesrekeningen van de onderneming van de gemachtigde over de jaren 2012 tot en met 2023.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:
“1. (…) De (nader voorgestelde) waarde van de woning en de proceskostenvergoeding in bezwaar zijn niet langer in geschil. Het beroep ziet slechts op de toepassing van vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.
2. Belanghebbende bepleit dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ niet op hem van toepassing is omdat hij voldoet aan de uitzonderingen zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025[1].
3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan
het bedrijfsmodeleruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm[2] worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.[3]
4. Dat in dit geval sprake is van een dergelijk bijzonder geval, heeft belanghebbende noch zijn gemachtigde aannemelijk gemaakt. Weliswaar zijn in de onderhavige zaak door deze gemachtigde duidelijk tijd en moeite gestoken in de procedure, en zijn in zijn aanvulling op het beroepschrift ook op de zaak toegespitste gronden opgenomen die niet kunnen worden aangemerkt als gestandaardiseerde tekstblokken, echter, dat is naar het oordeel van de rechtbank niet de toets die in dit verband geldt. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust[4], heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfactor(en) wel geld(t)(en).
5. De rechtbank stelt alsdan de te vergoeden proceskosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.875,76 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- (tarief 2025) en wegingsfactor 1, - totaal bezwaarfase € 1.294,-); 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,-, een wegingsfactor 1 en vermenigvuldigend met een factor van 0,25[5], totaal beroepsfase € 453,50). De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat een bedrag van € 128,26 euro moet worden vergoed voor de kosten van het deskundigenrapport.
7. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Over de vraag of deze wettelijke bepaling onrechtmatig is, zoals belanghebbende meent, laat de rechtbank zich niet uit. De rechtbank is als bestuursrechter namelijk niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.[6]
(…)
[2] Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507.
[3] ECLI:NL:HR:2025:46, rechtsoverweging 5.3.1. en 5.3.2.
[4] ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, laatste volzin.
[5] Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de gemachtigde van belanghebbende is aan te merken als een “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vaststelling van de proceskostenvergoeding zonder toepassing van artikel 30a Wet WOZ en terugbetaling van de betaalde griffierechten.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het geschil

5.1.1. Op het beroep, dat is ingesteld tegen de in 2024 gedane uitspraken op de bezwaren, is artikel 30a, lid 2, Wet WOZ van toepassing. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zijn bedrijfsmodel meebrengt dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ (r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46) en heeft daartoe in hoger beroep financiële en andere informatie over zijn bedrijf in het geding gebracht.
5.1.2. Uit die informatie blijkt volgens de gemachtigde van belanghebbende in de onderhavige zaak zijn werkzaamheden verricht op basis van afspraken die zijn gemaakt ruim vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2024 van de WHpkv, op basis van no cure no pay.
5.2.1. Sinds 1 januari 2024 werkt de gemachtigde van belanghebbende in nieuwe zaken niet langer op basis van no cure no pay, zo heeft hij verklaard. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst van opdracht waarin onder andere het volgende is bepaald:

“Artikel 3.1: Kosten controle voor bezwaarfase

De kosten voor het beoordelen bedragen € 99,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Het bezwaarschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 250,- inclusief BTW per gemotiveerd aanslagbiljet. Staan er meer dan 3 objecten op een aanslagbiljet moeten er aanvullende maatwerkafspraken gemaakt worden.
Als het bezwaar gegrond wordt verklaard kent de gemeente, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase zal voor 75% aan [kantoor gemachtigde] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever.
[kantoor gemachtigde] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [kantoor gemachtigde] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank beroep in te stellen. In dat geval
ontvangt u geen extra factuur van [kantoor gemachtigde] .

Artikel 3.2: Kosten controle voor beroep, hoger beroep- of cassatiefase

De kosten voor het beoordelen van een uitspraak bedragen € 99,- inclusief BTW per uitspraak. Het beroepschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 395,- inclusief BTW per procedure. Indien we voor u de bezwaarprocedure gevoerd hebben, dan bedragen de kosten voor beroep alleen € 395,- want de beoordelingskosten van € 99,- worden dan niet in rekening gebracht.
Als het (hoger)beroep gegrond wordt verklaard kent de rechtbank/gerechtshof, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de (hoger)beroepsfase zal voor 75% aan [kantoor gemachtigde] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever. Indien we voor u in hoger beroep of cassatie gaan nadat we voor u in de voorgaande fase geprocedeerd hebben, dan gelden dezelfde voorwaarden als voor die voorgaande fase.
[kantoor gemachtigde] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [kantoor gemachtigde] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank, het gerechtshof en/of de Hoge Raad daartegen (hoger)beroep, verzet en/of cassatie in te stellen. In dit geval ontvangt u geen extra
factuur van [kantoor gemachtigde] .

Artikel 3.3: Verbod op winst

Opdrachtgever kan nooit meer vergoeding ontvangen dan de gemaakte kosten. In dat geval
vervalt het meerdere aan [kantoor gemachtigde] .
(…)

Artikel 5: Ambtshalve Pro verzoek

Als het bezwaar gegrond wordt verklaard en de WOZ-waarde met 20% of meer wordt verlaagd, dan kan [kantoor gemachtigde] namens opdrachtgever een ambtshalve verzoek indienen bij de gemeente om de WOZ-waarden en/of OZB-aanslagen van de afgelopen vier jaren op juistheid te beoordelen. Als het verzoek deels of geheel wordt gehonoreerd wordt bij opdrachtgever 25% excl. BTW van het voordeel in de gemeentebelastingen in rekening gebracht. Opdrachtgever dient de factuur binnen 14 dagen na ontvangst van de belastingvermindering te voldoen.”
5.2.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd bevestigd dat hij voor zijn diensten bij een eventueel hoger beroep op verzoek van de cliënt wederom de in artikel 3.2 genoemde bedragen aan de cliënt in rekening brengt. Voor het ambtshalve verzoek als bedoeld in artikel 5 brengt Pro de gemachtigde geen extra bedrag in rekening, nu het ambtshalve verzoek enkel plaatsvindt na afloop van een afgeronde (bezwaar)procedure. De gemachtigde heeft verklaard dat het op eigen initiatief procederen over de proceskostenvergoeding en het indienen van een ambtshalve verzoek slechts in een klein aantal gevallen aan de orde is.
5.2.3.
De gemachtigde heeft individuele overeenkomsten en facturen overgelegd die het jaar 2024 betreffen. De gemachtigde van belanghebbende heeft toegelicht dat de bedragen volgens de eerder in 2024 gesloten overeenkomsten variëren als gevolg van de ontwikkeling van het nieuwe bedrijfsmodel. Overgelegde facturen voor een bezwaar- dan wel een beroepsprocedure op basis van in april tot en met december 2024 gesloten overeenkomsten variëren in kosten (inclusief btw) van € 240 tot € 387 tot € 484 tot € 580 tot € 851. Volgens een op 18 juli 2024 gesloten overeenkomst bedragen de kosten van een beroepschrift en een taxatierapport € 774,40 inclusief btw.
5.3.
In zijn arrest van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.3.2 In het arrest van 17 januari 2025 [
Hof: ECLI:NL:HR:2025:46] heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het doel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.
2.3.3
Gevallen die kennelijk niet de drie hiervoor in 2.3.2 bedoelde kenmerken hebben, zijn aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.1 bedoeld. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het is aan de belanghebbende om daarvan het bewijs te leveren. Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken.
De door belanghebbende verstrekte gegevens
2.4.1
Belanghebbende heeft in zijn bericht van 13 mei 2025 betoogd dat met de door hem verstrekte gegevens wordt bewezen dat op het moment waarop in deze zaak beroep in cassatie werd ingesteld (4 september 2024), het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde (hierna: de gemachtigde) noch het eerste kenmerk van optreden op basis van no cure no pay, noch het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft. De gemachtigde is een in 2018 opgerichte besloten vennootschap, [A B.V.] , met een advies- en procespraktijk, gespecialiseerd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm).
2.4.2
Over het eerste kenmerk stelt belanghebbende dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde in het algemeen nooit gebaseerd is geweest op het principe van no cure no pay en dit in elk geval niet meer zo is met ingang van 20 september 2023. Volgens belanghebbende brengt de gemachtigde sindsdien haar klanten voor iedere procedure, dat wil zeggen voor elk bezwaar tegen een betaling op aangifte of elk bezwaar tegen een naheffingsaanslag, inclusief eventuele opvolgende procedures, een instapvergoeding per betrokken auto in rekening. Die instapvergoeding blijft de klant verschuldigd aan de gemachtigde, ook als de procedure wordt verloren.
Tussen 1 januari 2020 en 20 september 2023 bedroeg de instapvergoeding tussen de € 125 en € 265, exclusief omzetbelasting. Vanaf 20 september 2023, het moment waarop de gemachtigde kennisnam van het wetsvoorstel van de WHpkv, rekent de gemachtigde een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting, behoudens in een verwaarloosbaar aantal uitzonderingsgevallen. Volgens belanghebbende kan van zo’n hoog bedrag niet worden gezegd dat de klant géén risico loopt bij het geven van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand.
(…)
Beoordeling optreden op basis van no cure no pay
2.6.1
Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure.
Voor de verder strekkende opvatting van de Staatssecretaris (neergelegd in de hiervoor in 2.2 bedoelde reactie) dat wanneer het bedrijfsmodel van de gemachtigde zo is vormgegeven dat de winstgevendheid of het voortbestaan van het bedrijf volledig afhankelijk is van bedragen aan proceskostenvergoedingen en vergoedingen van immateriële schade, dat bedrijfsmodel op één lijn moet worden gesteld met optreden op basis van no cure no pay, valt geen steun te ontlenen aan de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv.
2.6.2
De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de WHpkv worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. In dat kader wordt namelijk onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.
2.7.1
Met de overlegging van de hiervoor in 2.4.3 en 2.5 bedoelde gegevens heeft belanghebbende naar het oordeel van de Hoge Raad buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop beroep in cassatie is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft. Met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde vanaf 20 september 2023 voor elke op te starten procedure een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto in rekening brengt, ongeacht de uitkomst van die procedure.
Een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto is niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij een instapvergoeding ter hoogte van dit bedrag staat vast dat klanten van de gemachtigde financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. Daaraan staat niet in de weg dat de klant van de gemachtigde – de belanghebbende in een bpm-procedure – vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt.
2.7.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.7.1 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder inachtneming van de WHpkv.”
5.4.
Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad (in het bijzonder r.o. 2.7.1) volgt dat het bedrijfsmodel van de beroepsmatig optredende gemachtigde moet worden beoordeeld naar het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is ingesteld en dat voor de toets of wordt opgetreden op basis van no cure no pay moet worden gekeken naar hetgeen volgens dat bedrijfsmodel voor elke op te starten procedure in rekening wordt gebracht. Hierbij heeft de Hoge Raad klaarblijkelijk niet van belang geacht dat de desbetreffende procedure reeds vóór ingang van het nieuwe door de Hoge Raad in aanmerking genomen bedrijfsmodel werd opgestart (de uitspraak van de rechtbank in die procedure is van 26 juni 2023 terwijl het nieuwe bedrijfsmodel startte per 20 september 2023).
5.5.
Het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende (zie 5.2) ten tijde van het instellen van beroep op 27 maart 2024, heeft niet het kenmerk van no cure no pay. Anders dan in de uitspraak van dit Hof van 18 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:227, heeft de gemachtigde van belanghebbende met hetgeen hij in deze zaak in hoger beroep heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2024 voor elke op te starten procedure bedragen in rekening brengt die dusdanig hoog zijn dat niet kan worden gezegd dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij bedragen zoals door de gemachtigde in rekening worden gebracht staat vast dat zijn klanten financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof erkend dat de klanten van de gemachtigde financieel risico lopen.
5.6.
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.5 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een “bijzonder geval”. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vergoeding van de proceskosten in de fase van het beroep moet worden berekend zonder inachtneming van de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ, waaraan de omstandigheid dat in de onderhavige zaak (zoals voorheen) nog geprocedeerd wordt op basis van no cure no pay niet afdoet.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Er is aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in hoger beroep betaalde griffierechten. Het Hof laat de vergoeding van kosten voor de bezwaarfase (€ 1.294) en het opstellen van het taxatierapport (€ 128,26) zoals bepaald door de Rechtbank in stand, aangezien deze niet in geschil is. Deze vergoeding bedraagt in totaal € 1.422,26.
Beroepsfase
6.2.
Wat betreft de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep, worden deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, gesteld op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1).
Hogerberoepsfase
6.3.
De vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep wordt, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vastgesteld op € 934 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 0,5).
Griffierechten
6.4.
Verder dient de Heffingsambtenaar het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de vergoeding van proceskosten in beroep betreft;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van het beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 2.802;
- draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende de hoger beroep betaalde griffierechten van € 579 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en R.A. Bosman in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door H.A.J. Kroon.
De griffier, de raadsheer,
D.W. Renes H.A.J. Kroon

De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.