De zaak betreft een hoger beroep van Oostwings B.V. tegen een beschikking van de kantonrechter waarin werd geoordeeld dat de uitzendovereenkomst met [naam 1], een uitzendkracht in fase 3, niet door hem zelf was opgezegd, maar onrechtmatig door Oostwings was beëindigd. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat [naam 1] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en dat Oostwings de overeenkomst zonder instemming en zonder de wettelijke opzegtermijn heeft beëindigd.
Oostwings voerde onder meer aan dat de vordering niet-ontvankelijk was vanwege een onjuiste partijaanduiding en dat [naam 1] zelf ontslag had genomen. Het hof verwierp deze grieven, onder meer omdat de vergissing in de partijaanduiding niet tot niet-ontvankelijkheid leidt en omdat de communicatie en omstandigheden geen duidelijke en ondubbelzinnige opzegging door [naam 1] aantonen.
Het hof oordeelt dat Oostwings tekort is geschoten in haar zorgplicht door [naam 1] niet te informeren over de gevolgen van ontslag, terwijl hij zich in een kwetsbare positie bevond. De beëindiging door Oostwings is onregelmatig en onrechtmatig, waardoor toekenning van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding aan [naam 1] gerechtvaardigd is.
Verzoeken van Oostwings tot verrekening van leningen en niet gewerkte uren worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en het niet tijdig indienen van deze verzoeken in hoger beroep. Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en veroordeelt Oostwings in de proceskosten van het hoger beroep.