Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1846

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
200.362.721/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 362 RvNBBU-CAO artikel 22 lid 5
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige beëindiging uitzendovereenkomst door werkgever met toekenning schadevergoedingen

De zaak betreft een hoger beroep van Oostwings B.V. tegen een beschikking van de kantonrechter waarin werd geoordeeld dat de uitzendovereenkomst met [naam 1], een uitzendkracht in fase 3, niet door hem zelf was opgezegd, maar onrechtmatig door Oostwings was beëindigd. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat [naam 1] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en dat Oostwings de overeenkomst zonder instemming en zonder de wettelijke opzegtermijn heeft beëindigd.

Oostwings voerde onder meer aan dat de vordering niet-ontvankelijk was vanwege een onjuiste partijaanduiding en dat [naam 1] zelf ontslag had genomen. Het hof verwierp deze grieven, onder meer omdat de vergissing in de partijaanduiding niet tot niet-ontvankelijkheid leidt en omdat de communicatie en omstandigheden geen duidelijke en ondubbelzinnige opzegging door [naam 1] aantonen.

Het hof oordeelt dat Oostwings tekort is geschoten in haar zorgplicht door [naam 1] niet te informeren over de gevolgen van ontslag, terwijl hij zich in een kwetsbare positie bevond. De beëindiging door Oostwings is onregelmatig en onrechtmatig, waardoor toekenning van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding aan [naam 1] gerechtvaardigd is.

Verzoeken van Oostwings tot verrekening van leningen en niet gewerkte uren worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en het niet tijdig indienen van deze verzoeken in hoger beroep. Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en veroordeelt Oostwings in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de uitzendovereenkomst onrechtmatig door Oostwings is beëindigd en kent diverse vergoedingen toe aan de werknemer.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.362.721/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11631016 VZ VERZ 25-2446
Beschikking van 9 juni 2026
in de zaak van
Oostwings B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
verzoekster,
advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[naam bewindvoerderskantoor]
B.V.,
gevestigd in Dordrecht, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van de heer [naam 1],
wonend in [vestigingsplaats],
verweerster,
advocaat: mr. J.W. Dijke, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna ‘Oostwings’, ‘de bewindvoerder’ en ‘[naam 1]’.

1.De zaak in het kort

1.1
[naam 1] werkte als uitzendkracht fase 3 voor Oostwings. Volgens Oostwings heeft [naam 1] op enig moment zelf ontslag genomen en is daarom de uitzendovereenkomst tussen Oostwings en [naam 1] geëindigd. [naam 1] ontkent dat hij zelf ontslag heeft genomen.
1.2
Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] de uitzendovereenkomst heeft opgezegd. Integendeel: door te handelen zoals zij heeft gedaan, moet ervan worden uitgegaan dat Oostwings zelf de overeenkomst heeft beëindigd. Dat heeft zij niet volgens de wettelijke regels gedaan en daarom moet Oostwings verschillende vergoedingen aan [naam 1] betalen.

2.Procesverloop in hoger beroep

Bij beroepschrift, ter griffie ingekomen op 16 december 2025 is Oostwings in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 19 september 2025.
De bewindvoerder heeft een verweerschrift ingediend dat op 10 maart 2026 is ontvangen ter griffie van het hof.
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 1 april 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[naam 1] is in dienst geweest bij Oostwings van 1 augustus 2022 tot en met 31 juli 2024 en vanaf 2 september 2024.
3.2
De laatste overeenkomst betrof een zogenaamde ‘uitzendovereenkomst Fase 3’ die liep van 2 september 2024 tot 2 september 2025, laatstelijk tegen een salaris van € 2.395,20 bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld en reserveringen. De functie van [naam 1] was turnaround planner.
3.3
Overeengekomen werd dat [naam 1] werd ingeleend door Alfa Piping & Mechanical B.V. (hierna: Alfa).
3.4
Op de uitzendovereenkomst is de NBBU-CAO voor uitzendkrachten van toepassing.
3.5
In een e-mail van 7 februari 2025 heeft Alfa aan Oostwings het volgende laten weten:
‘(…) De heer [naam 1] is deze week nog aan het werk.
Begin deze week is er besloten dat dit zijn laatste werk week is.’
3.6
In een e-mail van 10 februari 2025 om 4:54 uur heeft [naam 1] aan Oostwings geschreven:
‘(…) afgelopen week geprobeerd te gaan werken maar ben niet volledig hersteld en ben goed ziek nog (…). Bij deze wil ik mij dan ook ziekmelden. (…)’
3.7
Oostwings heeft in haar email van 10 februari 2025 om 9:47 uur aan [naam 1] geschreven:
‘(…) Nadat jij aangaf ontslag te nemen bij Oostwings heb jij zowel [naam 2] als mij op whatsapp geblokkeerd. Tevens hebben wij van Alfa vorige week al vernomen dat Alfa begin vorige week had aangegeven bij jou dat vorige week jouw laatste werkweek zou zijn. Jouw onderstaande mail verbaast ons dus. In je mail laat je lijken dat je nog gewoon via Alfa bij [naam 3] werkt, maar je weet zelf ook dat vorige week je laatste werkweek was.
We gaan om bovenstaande redenen dus ook niet akkoord met je ziekmelding.
(…)’
3.8
In zijn e-mail van 12 februari 2025 heeft [naam 1], in reactie op de hiervoor onder 3.7 weergegeven mail aan Oostwings geschreven:
‘Ok bedankt.
Dan weet ik dat,
Meld ik me bij het uwv’
3.9
Oostwings heeft, in een mail van 27 februari 2025 aan de bewindvoerder laten weten:
‘(…)
De heer [naam 1] heeft telefonisch aangegeven dat hij per direct ontslag neemt, wel hebben wij een e-mail ontvangen van de klant waarin wordt aangegeven dat week 6 zijn laatste werkweek was. Op de maandag van week 7 deed de heer [naam 1] alsof hij van niks wist en wilde hij zich opeens ziekmelden. (…)
Op 31 januari 2025 heeft u zijn laatste salaris ontvangen voor week 4. (…) In week 12 zal de heer [naam 1] zijn eindafrekening krijgen indien er nog iets overblijft.‘

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
De bewindvoerder heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam bij verzoekschrift verzocht om Oostwings te veroordelen tot betaling aan [naam 1] van achterstallig loon, reserveringen, vakantietoeslag, vergoedingen en wettelijke verhoging, met rente en kosten.
4.2
De bewindvoerder heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. [naam 1] was in dienst bij Oostwings. Vanaf 7 februari 2025 heeft hij geen salaris meer ontvangen, omdat hij volgens Oostwings ontslag had genomen. Volgens [naam 1] heeft hij geen ontslag genomen en heeft Oostwings de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig beëindigd. [naam 1] vordert daarom ook betaling van de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
4.3
Oostwings heeft verweer gevoerd.
4.4
De kantonrechter heeft de verzoeken van [naam 1] toegewezen en Oostwings in de proceskosten veroordeeld.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
Oostwings verzoekt in hoger beroep - zakelijk weergegeven - de beschikking te vernietigen en de verzoeken van/ namens [naam 1] niet ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, met veroordeling van [naam 1] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van Oostwings op het volgende. De in het inleidend verzoekschrift genoemde partij is niet de bewindvoerder van [naam 1]. Nu er een verzoek is ingediend door een niet bestaande bewindvoerder, behoort het verzoek te worden afgewezen (grief I). De verzoeken van [naam 1] zijn ten onrechte toegewezen, aangezien er geen sprake is geweest van een opzegging door Oostwings (grief II). Er is ten onrechte geen rekening gehouden met een bedrag van (in totaal ) € 11.080,- dat [naam 1] van Oostwings heeft geleend en dat [naam 1] nog moet terugbetalen (grief III). Er is ook geen rekening mee gehouden dat [naam 1] teveel loon uitbetaald heeft gekregen voor in totaal 40 niet gewerkte uren bij opdrachtgever Brunel. Oostwings heeft hierdoor € 2.662,- aan Brunel moeten terugbetalen (grief IV).
5.3
De bewindvoerder en [naam 1] hebben verweer gevoerd.

6.Beoordeling in hoger beroep

Ontvankelijkheid

6.1
Oostwings stelt zich op het standpunt dat de in het verzoekschrift genoemde partij, de beoogde bewindvoerder, een niet bestaande partij is omdat geen besloten vennootschap als bewindvoerder staat vermeld. Nu is verzocht door en beschikking is gewezen tussen een niet bestaande bewindvoerder/ verzoeker en Oostwings, is volgens Oostwings sprake van niet ontvankelijkheid. Dat Oostwings in het hoger beroep de juiste bewindvoerder vermeldt, doet er niet aan af dat het oorspronkelijke verzoek door een niet bestaande partij is ingesteld en om die reden niet-ontvankelijkheid aan de orde is.
6.2
Volgens [naam 1] (althans de bewindvoerder) leidt het niet vermelden van de woorden ‘besloten vennootschap’ niet tot niet-ontvankelijkheid of noodzakelijke afwijzing van de vordering. Uit het beroepschrift blijkt duidelijk om welke bewindvoerder het gaat en Oostwings is ook niet in haar verdediging geschaad door het weglaten van de woorden ‘besloten vennootschap’. Bovendien blijkt uit het voor iedereen toegankelijke curatele- en bewindregister ook wie de bewindvoerder is.
6.3
Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in dagvaardingszaken kan een vergissing in de partijaanduiding door een rectificatie worden hersteld indien (a) de vergissing onder de gegeven omstandigheden voor de processuele partij kenbaar was, (b) de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging is geschaad, en (c) de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden. Met herstel van louter formele fouten mogen in de regel geen materiele belangen van de wederpartij worden geschaad. Het hof gaat er – evenals de gerechtshoven Amsterdam en Den Bosch – van uit dat deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing is in verzoekschriftprocedures. Vergissingen in bijvoorbeeld de partijaanduiding in het verzoekschrift moeten in beginsel kunnen worden hersteld. Weliswaar is dat in de onderhavige zaak niet gebeurd, maar die enkele omstandigheid leidt naar het oordeel van het hof in dit geval niet tot niet ontvankelijkheid. Daartoe overweegt het hof als volgt.
6.4
Vast staat dat in het verzoekschrift in eerste aanleg ‘[naam bewindvoerderskantoor] Bewindvoering, Juridische diensten en Schuldhulpverlening’ is vermeld als bewindvoerder van [naam 1] en dat in die vermelding de toevoeging ‘B.V.’ ontbreekt. Ook in de beschikking van de kantonrechter ontbreekt die toevoeging.
6.5
Nu het verzoekschrift in eerste aanleg is ingediend door de bewindvoerder, ligt het voor de hand dat sprake is geweest van een vergissing aan de zijde van de bewindvoerder. Dat dat het geval is, wordt bevestigd door de omstandigheid dat zowel [naam 1] als de gemachtigden van beide partijen bij de behandeling in eerste aanleg aanwezig waren. Oostwings heeft zich bij die gelegenheid niet op het standpunt gesteld dat zij door het ontbreken van de vermelding ’B.V.’ in verwarring was over wie zij als partij tegenover zich had.
6.6
Onder die omstandigheden is te begrijpen dat de bewindvoerder (dan wel [naam 1]) zich niet heeft gerealiseerd dat abusievelijk de aanduiding “B.V.” is weggelaten, en dat zij dat in hoger beroep niet heeft gerectificeerd. Bovendien heeft Oostwings zelf de bewindvoerder met de correct weergegeven naam in hoger beroep betrokken. Hieruit kan geen andere conclusie volgen dan dat het voor Oostwings volstrekt duidelijk was wie haar processuele wederpartij was.
6.7
Niet is gesteld of gebleken dat Oostwings in enig (processueel) belang is geschaad doordat de bewindvoerder in de procedure in eerste aanleg is aangeduid zonder de toevoeging ‘B.V.’. Van de door Oostwings bepleite niet ontvankelijkheid kan dan ook geen sprake zijn.
6.8
Grief I faalt.
Geen opzegging uitzendovereenkomst door [naam 1]
6.9
Oostwings stelt zich op het standpunt dat [naam 1] welbewust bij Oostwings ontslag heeft genomen op 7 februari 2025 en heeft hij daarin berust door enkele dagen later te kennen te geven dat hij zich bij het UWV zal melden.
6.1
[naam 1] betwist dat hij ontslag heeft genomen. Weliswaar was het voor hem duidelijk dat zijn werkzaamheden bij Alfa ten einde liepen, maar hieruit volgt niet dat daarmee ook zijn uitzendovereenkomst per 7 februari 2025 eindigde. [naam 1] heeft zich op 12 februari 2025 in verband met zijn ziekmelding gewend tot het UWV omdat Oostwings hem daarnaar verwees.
6.11
Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor het aannemen van een opzegging door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting die gericht is op definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst vereist. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor hem kan hebben, zoals het verloren gaan van de mogelijkheid zich op ontslagbescherming te beroepen en het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. Deze maatstaf brengt mee dat een werkgever niet snel mag aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op een vrijwillige beëindiging (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AS8387). Verder kan onder omstandigheden op de werkgever een onderzoekplicht rusten om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten. Daarbij is de context waarin de verklaring is afgelegd van groot belang. Een relevante omstandigheid kan zijn dat de werknemer na een verklaring die redelijkerwijs als opzegging mag worden geduid, niet meer op het werk verschijnt en ook overigens niet laat blijken dat hij op die opzegging terug wenst te komen.
6.12
Dat [naam 1] zou zelf ontslag zou hebben genomen of berust zou hebben in een ontslag, volgt niet uit de e-mails die in dit verband door Oostwings zijn overgelegd. Daaruit volgt slechts dat [naam 1] zich op 10 februari 2025 ziek wilde melden, dat Oostwings dat niet accepteerde en dat [naam 1] vervolgens aangaf zich dan tot het UWV, waarnaar Oostwings hem had verwezen, te zullen wenden. Een berusting in ontslag valt hierin niet te lezen, net zo min als een opzegging van de arbeidsovereenkomst of de wens daartoe. Integendeel: [naam 1] wilde weer aan het werk, maar was daartoe nog niet in staat omdat hij ziek was.
6.13
Ook overigens biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt dat het [naam 1] zelf geweest is die zijn arbeidsovereenkomst met Oostwings met onmiddellijke ingang heeft opgezegd.
6.14
Oostwings heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat [naam 1] telefonisch zijn ontslag heeft ingediend. Het hof gaat hier, gelet op het navolgende, aan voorbij.
Oostwings heeft [naam 1] niet gewezen op de gevolgen van ontslag
6.15
Oostwings stelt dat zij [naam 1] heeft gewezen op de gevolgen van het ontslag. Dat volgt volgens haar uit de brief die zij in verband daarmee aan [naam 1] heeft gestuurd. Het hof volgt Oostwings hierin niet. [naam 1] betwist dat hij een brief heeft ontvangen waarin hij gewezen is op de gevolgen van ontslag en een brief met die inhoud maakt ook geen deel uit van het procesdossier. Verder is niet gesteld dat nog ergens anders uit zou blijken dat Oostwings op dit punt aan haar zorgplicht heeft voldaan. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat Oostwings heeft geverifieerd of [naam 1] werkelijk bedoelde zijn arbeidsovereenkomst met haar op te zeggen en evenmin dat Oostwings [naam 1] heeft gewezen op de gevolgen van een door hem ingediend ontslag.
6.16
Oostwings was, gelet op de omstandigheden van het geval, zonder meer gehouden om [naam 1] op dit punt te informeren: [naam 1] was een uitzendkracht die bovendien op dat moment ziek was en daarmee in een kwetsbare arbeidsrechtelijke positie verkeerde. [naam 1] was voor zijn inkomen afhankelijk van Oostwings en had een contract dat nog liep tot 2 september 2025. Tegen deze achtergrond mocht Oostwings er niet zonder meer op vertrouwen dat [naam 1], zo hij zelf de arbeidsovereenkomst zou hebben opgezegd, ook werkelijk bedoelde om die overeenkomst op te zeggen.
6.17
Het voorgaande brengt mee dat, zelfs wanneer Oostwings zou slagen in het door haar aangeboden bewijs, niet kan worden vastgesteld dat zij aan haar zorgplicht jegens [naam 1] heeft voldaan en zij daarom niet mocht afgaan op het door haar gestelde door [naam 1] zelf genomen ontslag.
Onrechtmatige opzegging door Oostwings
6.18
Nu de arbeidsovereenkomst niet door [naam 1] is beëindigd, is deze volgens hem met ingang van 7 februari 2025 niet rechtsgeldig door Oostwings beëindigd.
6.19
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [naam 1] de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd en ook niet heeft ingestemd met een beëindiging daarvan. Vast staat ook dat Oostwings na 31 januari 2025 geen salaris meer heeft betaald aan [naam 1] én dat zij een eindrekening voor [naam 1] heeft opgemaakt. Op grond van deze handelswijze van Oostwings moet er van worden uitgegaan dat zij de arbeidsovereenkomst met [naam 1] eenzijdig heeft beëindigd terwijl [naam 1] niet heeft ingestemd met deze beëindiging.
6.2
Oostwings heeft ter zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst sowieso moest eindigen omdat het project bij Alfa Piping, waarop [naam 1] werd ingezet, voor hem was geëindigd. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de uitzendovereenkomst dan van rechtswege eindigt, aldus Oostwings.
6.21
Het hof gaat aan dit betoog voorbij. In dit verband is relevant dat de arbeidsovereenkomst tussen [naam 1] en Oostwings een zogenaamde ‘uitzendovereenkomst Fase 3’ voor bepaalde tijd is. Artikel 22 lid 5 van Pro CAO NBBU schrijft voor dat bij het wegvallen van de uitzendarbeid de uitzendonderneming aan de uitzendkracht die werkzaam is in fase 3 het laatstverdiende feitelijk loon verschuldigd is zolang en/of voor het deel van de arbeidsduur dat de uitzendkracht nog niet is herplaatst. Anders dan Oostwings meent, brengt het einde van een project voor een specifieke uitzendkracht werkzaam in fase 3 niet mee dat ook de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt. Integendeel: die overeenkomst loopt door en de uitzendonderneming kan in zo’n geval de uitzendkracht herplaatsen op een ander project.
6.22
Oostwings heeft echter de overeenkomst met vrijwel onmiddellijke ingang beëindigd. Daarmee is sprake van een (onrechtmatige en onregelmatige) opzegging in strijd met artikel 7:671 BW Pro. Dat heeft de hierna te noemen consequenties.
Gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding
6.23
[naam 1] verzoekt vanwege niet rechtsgeldige opzegging door Oostwings betaling van gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en de billijke vergoeding.
6.24
Oostwings heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken op dit punt moet worden afgewezen, omdat deze vergoedingen zijn gebaseerd op een onregelmatige opzegging. Nu Oostwings niet heeft opgezegd, is van een onregelmatige opzegging volgens haar geen sprake.
6.25
Het hof overweegt als volgt. Zoals uit voorgaande volgt, heeft tot uitgangspunt te gelden dat het Oostwings was die de arbeidsovereenkomst (de facto) onrechtmatig met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Daarmee is de grondslag voor de verzoeken ten aanzien van de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en ook de billijke vergoeding gegeven.
6.26
Reeds hierop strandt grief II.
6.27
De gefixeerde schadevergoeding moet worden toegewezen, omdat de arbeidsovereenkomst is beëindigd zonder daarbij de geldende opzegtermijn in acht te nemen. Nu Oostwings de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding (€ 5.634,16) niet heeft betwist, ligt dit verzoek in zoverre voor toewijzing gereed.
6.28
Nu de arbeidsovereenkomst geacht moet worden door Oostwings te zijn beëindigd, en van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [naam 1] niet is gebleken, is Oostwings ook de wettelijke transitievergoeding verschuldigd. De transitievergoeding wordt bepaald aan de hand van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig (met een juiste opzegging tegen een juiste datum) zou hebben opgezegd. [naam 1] verzoekt in dat verband om toewijzing van een bedrag van € 2.703,03 bruto. Het hof komt bij ambtshalve berekening van de transitievergoeding per 1 september 2025 op bijna hetzelfde bedrag uit. Omdat Oostwings tegen de berekening van [naam 1] geen verweer heeft gevoerd, zal het hof het door hem berekende bedrag aanhouden.
6.29
Dat geldt ook voor het verzoek ter zake van de billijke vergoeding ad € 3.219,52. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij onder meer om de mate van verwijtbaarheid van de werkgever en de (inkomens-)schade van de werknemer van belang. Daarbij speelt onder meer mee hoelang de arbeidsovereenkomst, de onregelmatige opzegging weggedacht, naar verwachting zou hebben voortgeduurd en op welke termijn de werknemer vervangende inkomsten heeft verworven of, als dat niet zo is, redelijkerwijs zou hebben kunnen verwerven. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
6.3
Zoals hiervoor al is overwogen, heeft als uitgangspunt te gelden dat Oostwings de uitzendovereenkomst met [naam 1] onrechtmatig heeft beëindigd. Daarmee kwam [naam 1], die onder bewind staat, per direct zonder inkomsten te zitten. [naam 1] kreeg eerst in week 13/2025 een bijstandsuitkering wegens broodnood toegekend en heeft daarmee in de periode van 7 februari 2025 tot en met 23 maart 2025 geen inkomsten genoten. Oostwings heeft de overeenkomst met een werknemer met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, die voor zijn inkomen afhankelijk was van Oostwings, onder bewind stond en die op dat moment bovendien ziek was, in strijd met de daarvoor geldende regels opgezegd. Tegen deze achtergrond beoordeelt het hof de door [naam 1] verzochte billijke vergoeding ter hoogte van één bruto maandsalaris zonder meer in lijn met voernoemde uitgangspunten. Nu de hoogte hiervan verder ook niet door Oostwings is betwist, ligt het verzoek ook ten aanzien hiervan voor toewijzing gereed.
6.31
De kantonrechter heeft een bedrag van € 3.123,61 bruto aan loon, reserveringen en vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente toegewezen. Tegen dit oordeel is geen grief gericht.
Geen verrekening lening(en) en niet gewerkte uren bij Brunel
6.32
Oostwings verzoekt voor het eerst in hoger beroep dat [naam 1] een bedrag van € 11.080,- aan haar terugbetaalt. Volgens Oostwings heeft [naam 1] dat bedrag van haar geleend. Daarnaast heeft [naam 1] ten onrechte loon uitbetaald gekregen voor in totaal 40 niet verrichte uren, hetgeen neerkomt op € 2.662,-. Oostwings beroept zich ten aanzien van beide posten op verrekening.
6.33
[naam 1] ontkent dat de betalingen aan hem leningen zijn en hij betwist dat hij € 2.662,- aan Oostwings is verschuldigd vanwege niet verricht werk.
6.34
Het hof overweegt als volgt. De verzoeken van Oostwings, zoals verwoord in haar grieven III en IV, moeten worden aangemerkt als een zelfstandig (tegen)verzoek zoals bedoeld in artikel 362 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat bepaalt dat in hoger beroep niet voor het eerst een zelfstandig (tegen)verzoek kan worden gedaan. Dat betekent dat de verzoeken van Oostwings reeds hierom stranden.
6.35
Oostwings heeft ten aanzien van de gestelde lening(en) en niet gewerkte uren geen voldoende specifiek en relevant bewijs aangeboden.
6.36
Met betrekking tot de gestelde lening(en) komt daar nog bij dat niet is gebleken dat de betalingen zijn gedaan uit hoofde van een (of meer) tussen partijen gesloten overeenkomst(en) van lening. Het dossier bevat een aantal bankafschriften waaruit volgt dat er door Oostwings verschillende betalingen aan [naam 1] zijn gedaan, soms per bankoverboeking en soms via Tikkie. Nergens wordt hierbij vermeld dat het zou gaan om een lening en een overeenkomst van lening ontbreekt in het dossier.
6.37
De grieven III en IV zijn dan ook vergeefs voorgesteld.
6.38
Ten aanzien van de niet gewerkte uren bij Brunel overweegt het hof nog ten overvloede dat het weliswaar mogelijk is dat Brunel ten onrechte een bedrag aan Oostwings heeft betaald, maar dat die omstandigheid op zichzelf nog geen betalingsplicht voor datzelfde bedrag voor [naam 1] met zich brengt. Niet gebleken is op grond waarvan [naam 1] in dit verband aan Oostwings zou moeten (terug) betalen.
Conclusie en proceskosten
6.39
De conclusie is dat het hoger beroep van Oostwings niet slaagt. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. Het hof zal Oostwings als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.4
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.596,-

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 19 september 2025;
  • veroordeelt Oostwings in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de bewindvoerder begroot op € 3.596,-;
  • bepaalt dat als Oostwings niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Oostwings de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G.C. Veneman, M.D. Ruizeveld en P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.