ECLI:NL:GHDHA:2026:1907

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/620
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229b GemeentewetArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:41a AwbArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen legesheffing verhuurvergunning gemeente Leiden wegens schending evenredigheidsbeginsel

Belanghebbende diende een aanvraag in voor een verhuurvergunning in Leiden waarvoor een legesbedrag van € 938,50 werd geheven. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en wees de zaak terug naar de Heffingsambtenaar voor nadere specificatie van de kostenramingen.

In hoger beroep betwistte belanghebbende de hoogte van het legestarief en stelde dat het tarief onevenredig was voor verhuurders met een klein aantal woningen. Het Hof oordeelde dat de opbrengstlimiet niet werd overschreden, maar dat de gemeente onvoldoende inzicht gaf in de belangenafweging bij het vaststellen van het vaste tarief.

Het Hof concludeerde dat sprake was van een onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering, waardoor het tarief buiten toepassing werd gelaten en de aanslag werd vernietigd. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De legesaanslag voor de verhuurvergunning wordt vernietigd wegens schending van het evenredigheidsbeginsel en onvoldoende motivering.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/620

Uitspraak van 9 juni 2026

in het geding tussen:

[X] , te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 augustus 2025, nummer SGR 25/1714.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft van belanghebbende € 938,50 aan leges voor een verhuurvergunning geheven.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijst de zaak terug naar verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het ingestelde beroep is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026 te Den Haag. Daar zijn partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Met dagtekening 1 juli 2024 heeft belanghebbende een aanvraag ingediend voor een verhuurvergunning voor de woning gelegen aan [adres] te [woonplaats 1] . Met ingang van 1 juli 2024 is in Leiden de vergunningplicht ingevoerd op grond van de Verhuurverordening Leiden 2024.
2.2.
Bij besluit van 22 augustus 2024 is de vergunning verleend. Bij schriftelijke kennisgeving van 17 september 2024 is van belanghebbende voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor de verhuurvergunning op grond van artikel 2 van Pro de Verordening op de heffing van leges en invordering Leiden 2024 (de Legesverordening Leiden 2024) en onderdeel 3.5.6 van de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening Leiden 2024 (de Tarieventabel) een bedrag van € 938,50 aan leges geheven (de aanslag leges).
2.3.
De programmabegroting voor het jaar 2024 bevat de volgende raming van de kostendekkendheid van de leges voor dat jaar, uitgesplitst naar de drie hoofdstukken van de Tarieventabel (hier aangeduid als ‘titels’):
Berekening kostendekkendheid van de leges
Titel 1 Burgerzaken leges
Kosten taakveld(en) incl. (omslag)rente
1.600.409
Overhead
626.566
BCF - btw
Totaal lasten
2.226.975
Legesopbrengsten
1.896.233
Titel 2 Bouw leges (wabo)
Kosten taakveld(en) incl. (omslag)rente
5.084.964
Overhead
2.507.332
BCF - btw
Totaal lasten
7.592.296
Legesopbrengsten
4.034.279
Titel 3 Overige leges (evenementen en horeca)
Kosten taakveld(en) incl. (omslag)rente
178.504
Overhead
102.953
BCF - btw
Totaal lasten
281.457
Legesopbrengsten
118.723
Kostendekkendheid
Titel 1 burgerzaken
85,15%
Titel 2 bouw leges
53,13%
Titel 3 overige leges
42,18%
Totaal
59,89%
2.4.
De Heffingsambtenaar heeft de kosten voor de inhoudelijke behandeling van een aanvraag van een verhuurvergunning in zijn verweerschrift in hoger beroep als volgt toegelicht:
“Het tarief omvat de kosten voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag. Dit betreft werkzaamheden zoals het controleren van de feitelijke situatie (al dan niet door middel van een locatiebezoek), het raadplegen van gemeentelijke registraties, het opvragen en beoordelen van aanvullende stukken en het zorgvuldig vastleggen en verwerken van de vergunning in de systemen. Ook de juridische toetsing en de noodzakelijke afstemming tussen betrokken afdelingen maken hier deel van uit.
Voor de inhoudelijke behandeling van een aanvraag om een verhuurvergunning is gerekend met een gemiddelde inzet van circa tien uur per aanvraag. Deze uren zijn verdeeld over de volgende processtappen:
Processtap Gemiddelde tijdsbesteding
Ontvangst en registratie van de aanvraag 0,5 uur
Raadplegen en analyseren registraties/databestanden 2,0 uur
Beoordeling van de volledigheid en ontvankelijkheid 1,0 uur
Beoordelen stukken en opvragen aanvullende info 2,5 uur
Controleren feitelijke situatie 1,5 uur
Vastleggen en verwerken in systemen 1,0 uur
Juridische toetsing en besluitvorming 1,0 uur
Afstemming tussen betrokken afdelingen 0,5 uur
Totaal 10,0 uur
2. Loonkosten
Voor de berekening van het legestarief is uitgegaan van de directe loonkosten van gemeentelijk personeel dat betrokken is bij de afhandeling van verhuurvergunningen. Daarbij gaat het onder meer om vergunningverleners, toezichthouders, juridisch medewerkers en administratief ondersteunend personeel.
1. Brutosalaris
Als uitgangspunt gaan wij uit van een medewerker in schaal 10, trede 7 – een
representatief gemiddelde binnen schaal 8 t/m 11: ± € 4.600.
− Basis jaarsalaris: € 4.600 × 12 = € 55.200
▪ IKB (17,05% over € 55.200):
▪ € 55.200 × 0.1705 = € 9.412
Totaal bruto jaarsalaris met IKB: € 55.200 + € 9.412 = € 64.612
2. Werkgeverslasten
Pensioenpremies (ABP), sociale lasten, en verzekeringen. Deze kostenpost komt al snel
uit op 30% tot 40% van het brutoloon.
− 35% × € 64.612 = € 22.614
3. Totaal directe loonkosten per jaar:
− € 64.612 + € 22.614 = € 87.226
4. Productieve uren per jaar (aan de hand van tabel CBS ‘gemiddeld aantal
declarabele uren’, analoog toegepast op productieve uren per jaar)
(…)
Afgerond 1.350 72,1%
5. € 87.226 ÷ 1.350 = € 64,62 per uur
6. Correctie
− In de praktijk is er vaak ook inzet van medewerkers in hogere schalen (doorgaans schaal 12). Dit drijft de gemiddelde loonkosten per uur op. Ook kan sprake zijn van onderbenutting of inzet op meer complexe dossiers. Wij achten, gelet op bovenstaande, een verhoging van ± 5 euro gerechtvaardigd = circa € 70 euro per uur (exclusief overheadkosten). € 70 per uur is daarbij niet veel, maar een nette en realistische schatting van de directe loonkosten (exclusief overhead) voor gemeentelijk personeel.
Voor de berekening van de kosten is uitgegaan van een kostendekkend uurtarief van € 70 dat volledig bestaat uit loonkosten van betrokken medewerkers, zonder toepassing van een opslag voor algemene overhead. Dit tarief is gebaseerd op functies binnen de gemeentelijke organisatie in de salarisschalen 8 tot en met 11. Het uurtarief omvat het brutoloon, de werkgeverslasten en directe personeelsgebonden kosten. Het tarief bevat geen opslag voor centrale of afdelingsbrede overhead zoals huisvesting, ICT-beheer, management of stafondersteuning.
3. Overhead
De gemeente Leiden hanteert gemeentebreed bij de werkgeverskosten per werknemer ongeacht de loonschaal een vast overhead-tarief van € 32,00 per uur. De totale overheadkosten betreffen voor de gemeente Leiden over het jaar 2024 € 76.129.707,00. De overheadkosten dienen vervolgens te worden afgezet tegen het aantal productieve uren per jaar in de gemeente Leiden (met het oogmerk op de formatie in uren per jaar (1.350 uur per fte)): € 76.129.707,00 / 2.414.578,00 productieve uren per jaar = € 32,00 overheadkosten. Voor de uitgebreide uiteenzetting van de overheadkosten wordt verwezen naar bijlage 10.
4. Conclusie
Op basis van dit tarief (loonkosten en overheadkosten) en de inzet per aanvraag resulteert dit in een bedrag van circa ((€ 70 + € 32) x 10 uur =) € 1.020,00 euro. Ten slotte is daarbij van belang dat voor iedere woning binnen het gereguleerde gebied een verhuurvergunning moet worden aangevraagd. Onder één verhuurvergunning kunnen daarnaast (kosteloos) meerdere woningen opgenomen worden. Dit betekent dat per aanvraag sprake is van een individuele beoordeling en verwerking, wat het kostenniveau verklaart en onderbouwt. Daarmee is het tarief naar ons oordeel in overeenstemming met de uitgangspunten van de legessystematiek zoals bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet.
Gelet op bovenstaande uiteenzetting acht de heffingsambtenaar een bedrag ad € 938,50
passend. Wellicht ten overvloede merkt de heffingsambtenaar op dat de door belanghebbende aangehaalde gemeentefonds niet zien op de kosten die enigszins in verbinding staan tot de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van verhuurvergunningen.”

Verordening met tarieventabel

3. De Legesverordening Leiden 2024, gepubliceerd in het Gemeenteblad 2023, nr. 526860, van 11 december 2023, luidt voor zover van belang:

Artikel 2 Belastbaar Pro feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:
a. het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit;
(…)

Artikel 3 Belastingplicht Pro

Belastingplichtig is de aanvrager of degene voor wie de aanvraag is gedaan.
(…)

Artikel 5 Maatstaven Pro van heffing en tarieven

1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde.
(…)

Bijlage 1 Tarieventabel behorende bij de Legesverordening Leiden 2024

(…)
Artikel Aanvraag, dienst of besluit € Tarief
(…)
Hoofdstuk 3 Dienstverlening waarop de Dienstenrichtlijn van toepassing is.
(…)
Paragraaf 5 Huisvestingswet 2014 en Wet goed verhuurderschap
3.5.
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
(…)
3.5.6.
om een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet goed verhuurderschap voor een verhuurvergunning woonruimte € 938,50
(…)”

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid met eiser en de Heffingsambtenaar met verweerder:
“7. Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in een verordening op grond waarvan leges worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de leges niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.
De vraag of het tarief in overeenstemming met deze bepaling is vastgesteld, wordt procesrechtelijk erdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende, maar de heffingsambtenaar over de gegevens beschikt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling daarvan. Daarom geldt dat als een belastingplichtige aan de orde stelt of de geraamde baten de ‘lasten ter zake’ overschrijden, de heffingsambtenaar inzicht dient te verschaffen in de desbetreffende ramingen.[1]
8. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift aan de orde gesteld of de baten van de heffing niet de lasten ter zake overschrijden. Daarmee was verweerder gehouden inzage te geven in de ramingen die bij het vaststellen van de verordening daaraan ten grondslag zijn gelegd. Nu hij dat niet heeft gedaan, heeft hij niet voldaan aan het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hij heeft die schending van de motiveringsplicht niet hersteld door in reactie op het beroepschrift alsnog inzage in de ramingen te geven. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar verweerder, opdat hij aan eiser inzage verschaft in de ramingen van de opbrengsten en de lasten ter zake om vervolgens opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.
9. Omdat niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
(…)
[1] HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

5.1.
In hoger beroep is in geschil of:
a. a) de Rechtbank de behandeling van de zaak ten onrechte heeft teruggewezen naar de Heffingsambtenaar;
b) de Heffingsambtenaar in hoger beroep de legesheffing niet meer inzichtelijk mag maken;
c) de legesheffing voor de verhuurvergunning berust op niet-inzichtelijke gegevens en, zoals belanghebbende stelt, in strijd is met artikel 229b Gemeentewet;
d) de aanslag moet worden vernietigd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
5.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag en tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
5.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Terugwijzen? Onderbouwing legestarief in hoger beroep?
6.1.1.
Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat de Rechtbank de zaak niet had mogen terugwijzen naar de Heffingsambtenaar, maar finaal had moeten beslechten. Deze klacht faalt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2132, r.o. 3.8.2, volgt dat de rechter in belastingzaken, indien hij het beroep gegrond verklaart, het juiste bedrag van de aanslag als regel zelf vaststelt (zoals tegenwoordig overigens ook is bepaald in artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Een uitzondering geldt echter in gevallen waarin de rechter over zo weinig relevante feitelijke gegevens beschikt, dat hij zich – desgeraden na inwinning van deskundigenbericht en/of andere informatie – redelijkerwijs niet in staat acht zelf het bedrag van de belastingaanslag vast te stellen. De rechter kan in dergelijke bijzondere gevallen op grond van artikel 8:72, lid 4, Awb gebruikmaken van zijn bevoegdheid om na vernietiging van de uitspraak op bezwaar het bestuursorgaan op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. De Rechtbank heeft in deze procedure naar het oordeel van het Hof in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid, waarbij het Hof mede acht slaat op de omstandigheid dat belanghebbende voor de Rechtbank zelf uitdrukkelijk ertoe heeft geconcludeerd dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de Heffingsambtenaar wordt opgedragen een gedetailleerde specificatie van de berekening van de leges te verstrekken. Het Hof beantwoordt geschilvraag a) daarom ontkennend.
6.1.2.
Hoewel de klacht tegen de beslissing van de Rechtbank om de zaak terug te wijzen naar de Heffingsambtenaar faalt, ziet het Hof toch aanleiding om de zaak inhoudelijk te behandelen, aangezien belanghebbende thans daarop aandringt en concludeert tot vernietiging van de aanslag leges. De herkansingsfunctie van het hoger beroep laat toe dat partijen in hoger beroep andere conclusies verbinden aan hun stellingen dan in eerste aanleg. Tevens brengt die herkansingsfunctie mee dat een partij zich mag verweren met alle gronden, waaronder gronden die zij nog niet had aangevoerd bij de Rechtbank, tenzij een goede procesorde zich daartegen verzet (vgl. HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1239, r.o. 3.2.2 en HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786, r.o. 3.1).
6.1.3.
In dit geval verzet een goede procesorde zich niet tegen de inbreng van de hiervoor onder 2.4 opgenomen berekening, aangezien belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad te reageren op het verweerschrift, waarin die berekening stond. De geschilvraag onder b) beantwoordt het Hof daarom eveneens ontkennend. Wel tekent het Hof hierbij aan dat inbreng van deze gegevens bij de Rechtbank een efficiënte procesgang ten goede was gekomen en daarom beslist de voorkeur had verdiend.
Tarief
6.2.
Belanghebbende stelt dat het bedrag aan leges dat van hem is geheven (€ 938,50) te hoog is voor de werkzaamheden die voor het verlenen van de verhuurvergunning door de gemeente moeten worden verricht, in het bijzonder omdat zijn aanvraag slechts één woning betreft.
Opbrengstlimiet
6.3.
Voor zover belanghebbende de leges voor de verhuurvergunning wil toetsen aan de opbrengstlimiet en stelt dat de opbrengst de kosten voor de werkzaamheden verbonden aan de aanvraag van de verhuurvergunning overtreffen, verwerpt het Hof deze stelling omdat de opbrengstlimiet moet worden toegepast op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden (HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:282, r.o. 2.4). Alle soorten leges die in dezelfde verordening zijn geregeld, moeten dus gezamenlijk worden getoetst aan de opbrengstlimiet. De Heffingsambtenaar heeft in dit verband de raming van de baten en lasten van de leges in de programmabegroting voor het jaar 2024 overgelegd (zie 2.3) en in zijn verweerschrift uitvoerig uiteengezet dat op het niveau van de gehele Verordening de voor 2024 geraamde opbrengsten van de in de Verordening geregelde legesheffingen de kosten daarvan niet overtreffen en dat van overschrijding van de opbrengstlimiet geen sprake is. Het Hof volgt de Heffingsambtenaar in dit betoog. Voor zover belanghebbende bezwaar maakt tegen het tijdstip waarop inzicht wordt geboden, omdat de kostendekkendheidstoets van artikel 229b, lid 1, Gemeentewet moet plaatsvinden aan de hand van de gegevens die ten tijde van de vaststelling van de Verordening beschikbaar waren, overweegt het Hof dat de Heffingsambtenaar de onder 2.3 vermelde gegevens, die afkomstig zijn uit de programmabegroting van de gemeente Leiden voor het jaar 2024, weliswaar pas in hoger beroep heeft ingebracht, maar dat nergens uit blijkt dat deze gegevens zouden zijn opgesteld na vaststelling van de Verordening. Het Hof beantwoordt de geschilvraag onder c) ontkennend.
Evenredigheidsbeginsel
6.4.
Belanghebbende stelt verder dat het door hem als verhuurder van één woning verschuldigde tarief onevenredig hoog is in verhouding tot het tarief dat een verhuurder betaalt die een verhuurvergunning aanvraagt voor meerdere woningen. Hij betaalt immers hetzelfde tarief.
6.5.
Blijkens de Tarieventabel hanteert de gemeente één vast legestarief van € 938,50 voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een verhuurvergunning, ongeacht het aantal woningen dat een verhuurder verhuurt.
6.6.
Ingevolge artikel 229, lid 2, van de Gemeentewet en de daarop door de wetgever gegeven toelichting, kunnen gemeenten behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, pp. 65-67 en 77-78).
6.7.
De hoogte van het tarief staat op zichzelf niet aan de belastingrechter ter beoordeling. Dat is slechts anders voor zover de regeling daarover in een gemeentelijke verordening onverbindend is doordat zij in strijd komt met (i) een ieder verbindende bepaling van internationaal recht zoals bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, (ii) een wet in formele zin, of (iii) een algemeen rechtsbeginsel of ander ongeschreven recht (vgl. HR 12 augustus 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1510, r.o. 3.6.2, en HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, r.o. 4.1.2).
6.8.
Indien de rechtmatigheid van een bepaling in een gemeentelijke belastingverordening die een lastenverzwaring met zich meebrengt met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, dient de rechter eerst te toetsen aan het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 Awb Pro) en het beginsel van een deugdelijke motivering. De belastingrechter dient bij de toetsing aan deze beginselen in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen, die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de belastingrechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift. Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen. Bij de toets aan deze beginselen komt het niet erop aan of de gegeven motivering steekhoudend is. Die vraag komt pas aan de orde bij de beoordeling of het evenredigheidsbeginsel is geschonden (vgl. HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, r.o. 4.4.1-4.4.2. en HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.4.1).
6.9.
De Heffingsambtenaar heeft noch in zijn schriftelijke stukken, noch ter zitting voor het Hof inzage gegeven in de afwegingen die de gemeentelijke wetgever heeft gemaakt bij de totstandkoming van het tarief voor de leges verhuurvergunning en evenmin voor het achterwege laten van differentiatie. Zo blijkt niet dat de gemeenteraad beschikte over de raming van de tijdsbesteding en de kosten van het behandelen van een vergunningaanvraag als weergegeven in 2.4. Met name blijkt niet dat bij de totstandkoming van het vaste tarief de belangen van een verhuurder met een klein aantal woningen zijn afgewogen tegen die van een verhuurder met een groot aantal woningen. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting gesteld dat dit een beleidsmatige keuze is geweest die verband houdt met het persoonsgebonden karakter van de verhuurvergunning, die volgens hem bedoeld is om de naleving van ‘goed verhuurderschap’ te bevorderen. Dat deze overweging inderdaad een rol heeft gespeeld bij de afwegingen van de gemeentelijke wetgever bij de vaststelling van het onderwerpelijke legestarief, wordt echter niet geboekstaafd met enig schriftelijk stuk. Als dat wel het geval is geweest, blijkt daaruit overigens niet dat de hiervoor bedoelde belangenafweging heeft plaatsgevonden. Nog minder volgt dat uit de ter zitting geuite vermoedens van de Heffingsambtenaar dat de invoering van de leges verhuurvergunning een ‘hamerstuk’ is geweest of als ‘non-problematiek’ is beschouwd. Het Hof komt tot de slotsom dat het niet kan beoordelen of de belangen van een verhuurder met een klein aantal woningen zijn afgewogen tegen die van een verhuurder met een groot aantal woningen. Daarom moet worden geoordeeld dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het tarief voor de behandeling van de aanvraag voor een verhuurvergunning in de Tarieventabel bij de Legesverordening Leiden 2024. Het Hof zal het tarief buiten toepassing laten, zodat de aanslag leges moet worden vernietigd.
6.10.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

7.1.
Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten voor beide instanties en heeft bij de Rechtbank daarvoor een proceskostenformulier ingediend, waarin hij heeft verzocht om vergoeding van reis- en verletkosten. Het Hof zal dit formulier bij de beoordeling van het verzoek betrekken.
7.2.
Op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, stelt het Hof de vergoeding vast, op:
- Reiskosten van belanghebbende per openbaar vervoer voor de zitting van 23 april 2026 bij het Hof: 2 x € 36,50, is € 73.
- Verletkosten. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van verletkosten voor het bijwonen van de zitting en de reis van [woonplaats 2] naar Den Haag en terug, zijnde 1 uur voor de zitting en 7 uren voor het reizen. Volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit proceskosten fiscale procedures (voorloper van het Besluit proceskosten bestuursrecht) kunnen als verletkosten kosten van tijdsverzuim voor het persoonlijk bijwonen van een zitting voor vergoeding in aanmerking komen. Het aantal uren acht het Hof redelijk. Volgens artikel 2, lid 1, onderdeel e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2026) bedraagt een vergoeding voor verletkosten minimaal € 9 en maximaal € 109 per uur. Inzake het te hanteren tarief is door belanghebbende geen onderbouwing gegeven. Het Hof acht een tarief van € 50 per uur redelijk. Het Hof stelt de te vergoeden verletkosten daarom vast op: 8 uren x € 50, is € 400.
7.3.
De Rechtbank heeft belanghebbende voor het beroep geen proceskostenvergoeding toegekend omdat niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Ook in hoger beroep is niet gebleken dat belanghebbende in die fase van de procedure voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt. Hij heeft immers de zitting bij de Rechtbank niet bijgewoond, zodat daarvoor geen reis- of verletkosten zijn gemaakt.
7.4.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 143 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van het griffierecht;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag leges;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 473; en
- veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding aan belanghebbende van het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 143.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, H.A.J. Kroon en A.P. Bliek-Monsma, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.
De griffier, de voorzitter,
Y. Postema C. Maas
De beslissing is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.