Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1959

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.360.363/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:761b lid 9 BWArt. 6:119 BWArt. 7:625 BWArt. 7:669 lid 2 BWArt. 7:671b lid 9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever en toekenning billijke vergoeding

De arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Fertiglobe werd door de kantonrechter ontbonden per 1 juli 2025 wegens een verstoorde arbeidsverhouding. In hoger beroep oordeelt het hof dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van de werkgever, waardoor een billijke vergoeding aan de werknemer toekomt.

De werknemer had klachten over intimidatie en ongewenst gedrag van haar leidinggevenden gemeld, waarop Fertiglobe pas na vijf maanden inhoudelijk reageerde. Daarnaast werd zij zonder voldoende waarschuwing en zonder een adequaat verbetertraject op non-actief gesteld en werd het ontbindingsverzoek ingediend zonder haar de kans te geven haar functioneren te verbeteren. Dit handelen van Fertiglobe wordt als ernstig verwijtbaar beoordeeld.

Het hof bepaalt de ontbindingsdatum op 1 oktober 2025, in afwijking van de eerdere datum 1 juli 2025, en kent een billijke vergoeding toe van €55.656 bruto. Tevens veroordeelt het hof Fertiglobe tot betaling van salaris en emolumenten over de periode van 1 juli tot 1 oktober 2025, met wettelijke rente en een beperkte wettelijke verhoging. Fertiglobe wordt ook veroordeeld tot het verstrekken van een correcte loonspecificatie en eindafrekening en tot betaling van proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 oktober 2025 wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, met toekenning van een billijke vergoeding van €55.656 en betaling van salaris over juli-oktober 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.360.363/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11517830 \ AZ VERZ 25-8
Beschikking van 2 juni 2026
in de zaak van
[naam] e/v [appellant],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. N.M.J. van der Maas, kantoorhoudend in Maastricht,
tegen
Fertiglobe Mena B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: Fertiglobe,
advocaat: mr. M. Schlimbach, kantoorhoudend in Amsterdam.

1.De zaak in het kort

1.1
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is door de kantonrechter wegens een verstoorde arbeidsverhouding ontbonden met ingang van 1 juli 2025. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van de werkgever. Het verzoek van de werkneemster om het einde van de arbeidsovereenkomst op een latere datum (1 oktober 2025) te bepalen en haar een billijke vergoeding toe te kennen wijst het hof daarom toe.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, met bijlagen, ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ingekomen op 6 augustus 2025, is [appellant] in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 mei 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht.
2.2
Bij beschikking van 11 september 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op de voet van art. 62b van de Wet rechterlijke organisatie de zaak ter verdere behandeling verwezen naar het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof).
2.3
Fertiglobe heeft een verweerschrift ingediend dat op 24 februari 2026 is ontvangen ter griffie van het hof.
2.4
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026. De advocaten van partijen hebben daartoe pleitnota’s voorgedragen en overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Bij de beoordeling van deze zaak gaat het hof uit van de volgende, als vaststaand aan te merken feiten.
3.2
Fertiglobe is onderdeel van Fertigloble PLC, een in Abu Dhabi gevestigde producent van stikstofhoudende meststoffen. [appellant] , geboren op [geboortedatum], is op 1 juni 2023 in dienst getreden bij Fertiglobe. De functie van [appellant] was
product managerUrea, met een loon van € 11.959,88 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten (waaronder een jaarlijkse
performance bonusvan 3 maandsalarissen bij het behalen van de afgesproken doelen, en een
sign-on bonusvan € 15.000,-- na 1, 2 en 3 jaar diensttijd).
3.3
Ten tijde van haar indiensttreding was [manager 1] (toenmalig OCI-manager; hierna: [manager 1] ) de leidinggevende van [appellant] . Van november 2023 tot maart 2024 was [manager 2] (
commercial director Europe-OCI global; hierna: [manager 2] ) [appellant] leidinggevende en vanaf maart 2024 was [manager 3] (
global head of salesvan Fertiglobe; hierna: [manager 3] ) dat.
3.4
Kort na haar indiensttreding is [manager 1] met [appellant] een verbetertraject gestart dat Fertiglobe niet heeft afgemaakt.
3.5
In december 2023 heeft [appellant] van [manager 2] een goede beoordeling ontvangen en een daarmee samenhangend
performance bonusvan € 32.936,23 bruto.
3.6
In maart 2024 heeft [appellant] bij [vicepresident 1] (
vicepresident human capitalvan Fertiglobe; hierna: [vicepresident 1] ) klachten gemeld over het commercieel management van Fertiglobe. Haar klachten gingen over het gedrag van haar leidinggevenden in hun omgang met haar, waardoor zij zich geïntimideerd, genegeerd en gepasseerd voelde en werd verhinderd haar werk te doen.
3.7
Op 5 juni 2024 heeft een Teams-meeting plaatsgevonden tussen [appellant] , [vicepresident 2] , [manager 3] en [vicepresident 1] , waarin [appellant] een slechte beoordeling over 2024 werd aangekondigd. Na afloop van deze meeting heeft [appellant] een e-mailbericht gestuurd aan [vicepresident 1] en [manager 3] , met voorbeelden van situaties waarin zij zich geïntimideerd, genegeerd en gepasseerd voelde en gehinderd werd haar werk te doen.
3.8
Tijdens een gesprek met [vicepresident 1] en [manager 3] op 9 juli 2024 heeft [appellant] erover geklaagd dat [vicepresident 2] (
vice president commercialvan Fertiglobe en leidinggevende van [manager 3] ; hierna: [vicepresident 2] ) zich jegens haar had misdragen in oktober 2023 in Portugal. Volgens [vicepresident 1] ging het om
‘serious allegations and statements (…) that (…) needed to be substantiated with clear evidence’(productie 8 bij inleidend verzoekschrift). [vicepresident 1] heeft [appellant] klachten overgedragen aan [hr business partner] (
senior hr business partnervan Fertiglobe; hierna: [hr business partner] ).
3.9
Tijdens een Teams-vergadering op 19 juli 2024 heeft [appellant] [vicepresident 2] , [manager 3] en [vicepresident 1] herinnerd aan de door haar gemelde klachten.
3.1
Op 8 augustus 2024 heeft [appellant] bij [hr business partner] geïnformeerd naar de reactie van Fertiglobe op haar klachten.
3.11
Bij brief van 12 augustus 2024 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] – in vervolg op haar brief van 29 juli 2024 – Fertiglobe gewezen op de verschuldigdheid per juni 2024 van het eerste deel van de overeengekomen
sign on bonusen verzocht om betaling daarvan aan [appellant] .
3.12
Op 12 augustus 2024 heeft [appellant] per e-mail bij [vicepresident 1] en [hr business partner] geïnformeerd of Fertiglobe een vertrouwenspersoon heeft. Na een herinneringsmailtje van 20 augustus 2024 heeft [hr business partner] bij e-mailbericht van 22 augustus 2024 daarop ontkennend geantwoord.
3.13
Bij brief van 19 augustus 2024 heeft de gemachtigde van Fertiglobe gereageerd op de brief van 12 augustus 2024 en de gemachtigde van [appellant] het volgende geschreven:
‘From the very beginning, there have been concerns about your client’s performance. (…) Fertiglobe attempted to address her underperformance in two recent conversations, aiming to assist her and provide a fair opportunity for improvement. (…) However, both conversations took an unexpected turn, which Fertiglobe regrets. (…) During the conversation in July, your client reiterated previously raised allegations against the commercial management. (…) conversations and correspondence have shown continuous disagreement between your client and Commercial Management on business decisions rather than inappropriate behaviour by Commercial Management. (…) On 8 August, again, your client did not want to discuss the performance issues. (…) If your client does not wish to discuss the performance issues, an unworkable situation arises. (…) A deteriorating working relationship is in no one’s interest. Fertiglobe would prefer to find a solution through good consultation with your client, by exploring together the possibility of terminating the employment agreement by mutual consent. (…) if the parties do not succeed in reaching an agreement, Fertiglobe is forced to start a formal PIP process. In that case, Fertiglobe will invite Ms Bekink-[naam] for a conversation on short notice about the PIP process, during which Fertiglobe will expect your client's full cooperation as well’(productie 5 bij verweerschrift in eerste aanleg).
Het (in deze brief in concept uitgewerkte) beëindigingsvoorstel heeft [appellant] afgewezen.
3.14
Bij e-mailbericht van 20 augustus 2024 heeft [appellant] haar klachten gemeld bij Fertiglobe’s vertrouwenspersoon [vertrouwenspersoon] (
director internal audit, head of compliancevan Fertiglobe). Daarin schrijft zij over het gedrag van [vicepresident 2] :
‘During a conference in Portugal, [vicepresident 2] physically insulted me by pushing on my left shoulder until I could not hold it anymore and I dropped my shoulder, had to hit his back to defend myself, he eventually released me. I was very angry to him, brought him outside asked him how he can do this to me, he said it is because I said UREA business is simple, he claimed that I underestimated their effort. He acted very angrily. This happened during a team dinner. The same evening, we (team) went another place for drinks, on the way back [vicepresident 2] grab my head and neck under his arm and pushed me down, I was almost falling’(productie 5 bij inleidend verzoekschrift).
3.15
Op 20 september 2024 heeft [appellant] over haar klachten gesproken met [hr business partner] en [compliance officer] (
group compliance officervan Fertiglobe; hierna: [compliance officer] ). [hr business partner] en [compliance officer] hebben een onderzoek verricht naar de klachten van [appellant] .
3.16
Bij e-mailbericht van 10 oktober 2024 heeft [hr business partner] [appellant] medegedeeld dat het onderzoek zich in de afrondende fase bevond en dat naar verwachting met [appellant] een afspraak zou worden gemaakt tegen het einde van de daaropvolgende week. Toen die afspraak uitbleef, heeft [appellant] op 11 november 2024 en 11 december 2024 e-mailberichten gestuurd aan [hr business partner] en [compliance officer] ter herinnering.
3.17
Op 12 december 2024 hebben [hr business partner] en [compliance officer] [appellant] medegedeeld dat haar klachten niet werden bevestigd door het door hen uitgevoerde onderzoek.
3.18
Bij e-mailbericht van 21 januari 2025 van [hr business partner] aan [appellant] heeft Fertiglobe [appellant] op non-actief gesteld. Het bericht houdt onder andere het volgende in:
‘Please be informed that Fertiglobe has decided to place you on garden leave as of today, Tuesday 21th January 2025, 18:00hrs that is with immediate effect. Fertiglobe will request the competent judge to terminate your employment agreement. (…) The reasons for your intended dismissal and garden leave I summarize hereunder.
You do not respect the line of command, instructions from your leadership and you fail to acknowledge that fact that not only you, but others have decisive authority as it comes to business decisions.
A number of your colleagues are reluctant to work with you and have expressed complaints about your behaviour.
Some of our most important customers have asked Fertiglobe management not to engage you as the point of contact with you any longer.
(…)
When confronted with several of these allegations you fail to show introspection and moreover start accusing several of your colleagues of unethical behaviour. As you are aware Fertiglobe has investigated your accusations and has established that none of the accusations stand. (…)
Please note that we will disconnect you from the company digital environment at least up and until the outcome of court case’(productie 12 bij verweerschrift in eerste aanleg).

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
Bij verzoekschrift van 21 januari 2025 heeft Fertiglobe de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht (hierna: de kantonrechter), verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellant] per de eerst mogelijke datum te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege disfunctioneren, meer subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, en uiterst subsidiair op de zogeheten cumulatiegrond van art. 7:669 lid Pro 2, aanhef en onder i, BW. Daarnaast heeft Fertiglobe verzocht [appellant] geen transitievergoeding toe te kennen.
4.2
[appellant] heeft tegen het verzoek van Fertiglobe verweer gevoerd. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, heeft [appellant] de kantonrechter verzocht – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – om toekenning van de transitievergoeding van € 9.837,95 bruto bij een ontbindingsdatum van 1 juli 2025 (of van € 11.031,44 bruto bij een ontbindingsdatum van 1 oktober 2025) en van een billijke vergoeding van € 373.319,46 bruto. Verder heeft [appellant] verzocht om veroordeling van Fertiglobe tot betaling van het tweede deel van de
sign on bonusvan € 15.000,-- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.3
Bij de beschikking van 7 mei 2025 heeft de kantonrechter – kort weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang – a) op grond van een verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 juli 2025, b) vastgesteld dat Fertiglobe geen billijke vergoeding is verschuldigd, c) Fertiglobe veroordeeld tot betaling aan [appellant] van de transitievergoeding van € 9.837,95 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025, en van het tweede deel van de
sign on bonusvan € 15.000,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025, d) bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, en e) het meer of anders verzochte afgewezen.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
[appellant] is van de beschikking van 7 mei 2025 (hierna: de beschikking) in hoger beroep gekomen. Zij heeft daartoe drie grieven (bezwaren) geformuleerd. [appellant] verzoekt het hof de beschikking – het hof begrijpt: gedeeltelijk – te vernietigen en, zakelijk weergegeven,
i. het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op 1 oktober 2025 en Fertiglobe te veroordelen tot betaling van haar salaris, inclusief emolumenten, over de periode van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025, onder overlegging van een loonspecificatie en eindafrekening;
Fertiglobe te veroordelen
tot betaling van een billijke vergoeding van € 202.000,-- bruto, dan wel van een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
tot afgifte van een bruto/netto (salaris)specificatie, onder last van een dwangsom;
tot betaling van de wettelijke rente over en/of de wettelijke verhoging van de onder i en ii bedoelde bedragen;
in de kosten van beide instanties;
en voor het overige de beschikking te bekrachtigen.
5.2
Fertiglobe bestrijdt de door [appellant] aangevoerde grieven en concludeert tot, kort weergegeven, bekrachtiging van de beschikking, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
In hoger beroep staat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen vast.
6.2
Met grief I voert [appellant] in hoger beroep in de eerste plaats aan dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van Fertiglobe en dat haar daarom op de voet van art. 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW een billijke vergoeding moet worden toegekend. Deze grief slaagt. Daartoe overweegt het hof het volgende.
ernstig verwijtbaar handelen en nalaten Fertiglobe, billijke vergoeding
6.3
[appellant] stelt zich op het standpunt dat Fertiglobe een ernstig verwijt van de verstoring van de arbeidsverhouding valt te maken door de manier waarop Fertiglobe [appellant] klacht over de incidenten met [vicepresident 2] heeft aangepakt, door onterechte verwijten te uiten over [appellant] gedrag, houding en functioneren, en door de wijze waarop Fertiglobe tot non-actiefstelling van [appellant] is overgegaan.
6.4
Op 9 juli 2024 – volgens [appellant] mogelijk al in maart 2024 – heeft [appellant] tijdens een gesprek met [vicepresident 1] en [manager 3] erover geklaagd dat in oktober 2023 [vicepresident 2] zich jegens haar had misdragen. Op 12 december 2024 heeft Fertiglobe [appellant] op de hoogte gebracht van de uitkomst van het onderzoek dat zij naar aanleiding van [appellant] klacht(en) heeft verricht. Daarmee ontving [appellant] na vijf maanden voor het eerst een (inhoudelijke) reactie van Fertiglobe op haar melding. In die periode heeft [appellant] herhaaldelijk geïnformeerd naar een reactie van Fertiglobe en Fertiglobe aan haar melding herinnerd omdat een reactie uitbleef. Waarom zij niet eerder dan in december 2024 heeft gereageerd, licht Fertiglobe niet toe, terwijl [vicepresident 1] al in juli 2024 de klacht als een ernstige beschuldiging (
‘serious allegations’; hierboven rov. 3.6) had opgevat. De klacht betrof nota bene fysiek gedrag van de leidinggevende ( [vicepresident 2] ) van [appellant] leidinggevende ( [manager 3] ). Tegelijkertijd lijkt de klacht concreet te zijn geweest en noopte de klacht niet tot een complex, kostbaar en tijdrovend onderzoek. Het door Fertiglobe verrichte onderzoek heeft blijkens het verslag daarvan niet meer omvat dan het voeren van zeven gesprekken met zes personen (in de periode van 8 augustus 2024 tot en met 13 november 2024). Aldus heeft Fertiglobe er onnodig lang over gedaan om te reageren op [appellant] klacht over de incidenten met [vicepresident 2] .
6.5
Fertiglobe stelt – en heeft aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd – dat zij al vanaf [appellant] indiensttreding in juni 2023 ontevreden was over de prestaties, het leiderschap, de communicatie en de houding (hierna: het functioneren) van [appellant] , dat dit onderwerp is geweest van gesprekken met [appellant] , en dat er een onwerkbare situatie is ontstaan doordat [appellant] de functioneringsproblemen niet wilde aanpakken en zich niet liet sturen.
6.6
[appellant] ontkent dat Fertiglobe haar vanaf het begin van haar arbeidsovereenkomst op haar functioneren heeft aangesproken. Tussen partijen staat wel vast dat kort na [appellant] indiensttreding een verbetertraject met haar is gestart door middel van een
Performance Improvement Plan(PIP) maar dat dit traject ‘vanwege organisatorische veranderingen’ (inleidend verzoekschrift, nr. 9) niet is afgerond door Fertiglobe. Fertiglobe heeft aan dit onvoltooide traject (als zodanig) geen gevolgen verbonden.
6.7
Vaststaat ook dat [appellant] in december 2023 van haar leidinggevende [manager 2] een goede beoordeling heeft ontvangen (
‘solid performance’, zij het met ruimte voor verbetering; productie 17 van Fertiglobe) en een daarmee samenhangende
performance bonusvan € 32.936,23 bruto. Niet valt in te zien hoe dit zich laat rijmen met het standpunt van Fertiglobe dat [appellant] in het begin van haar dienstverband niet goed functioneerde. Fertiglobe heeft hiervoor geen andere verklaring gegeven dan dat [appellant] toenmalige leidinggevende een goede beoordeling toen op zijn plaats vond en dat het verlenen van de
performance bonuseen afweging is geweest (proces-verbaal mondelinge behandeling op 17 maart 2026, p. 3). Waar Fertiglobe onder verwijzing naar haar productie 17 opmerkt dat [appellant] over 2023 haar KPI’s (Kritische Prestatie Indicatoren) niet had gehaald en een ‘
below expectations-beoordeling’ ontving (verweerschrift in hoger beroep, p. 5), miskent zij dat blijkens de toelichting op het voorstel om [appellant] een bonus – voor een diensttijd van 7 maanden, een bonus van 85% van de jaarbonus – te verlenen rekening is gehouden met
‘[t]he challenge[…] upon joining with limited handover’(het zich moeten inwerken met beperkte overdracht) en dat (daardoor)
‘2 o[f] the agreed KPIs ha[v]e been partially missed’. Een slechte beoordeling van [appellant] functioneren, ‘met als gevolg daarvan een lagere variabele bonusuitkering’ (pleitnota Fertiglobe d.d. 17 april 2025, nr. 15), kan hierin niet worden gelezen.
6.8
[appellant] stelt dat na het onvoltooide PIP van 2023 Fertiglobe met haar geen gesprekken heeft gevoerd over haar functioneren en haar geen verbeterplannen heeft voorgelegd. Fertiglobe weerspreekt dit en voert aan dat zij (onder andere) op 5 juni 2024, 9 juli 2024 en 8 augustus 2024 met [appellant] over haar functioneren heeft gesproken. Volgens Fertiglobe was het gesprek van 9 juli 2024 bedoeld als functioneringsgesprek. [appellant] betwist dit, terwijl enige andere aanwijzing dat het ging om een functioneringsgesprek (bijvoorbeeld de uitnodiging voor een dergelijk gesprek of een verslag van het gesprek) ontbreekt. Dat het om een functioneringsgesprek ging, is dus niet komen vast te staan. De intentie van het laatste gesprek was volgens Fertiglobe om een tweede (formeel) PIP te initiëren, terwijl ook deze intentie niet wordt gesteund door enig schriftelijk stuk. Als deze gesprekken [appellant] functioneren betroffen en wat daaraan in de ogen van Fertiglobe schortte, lag het verder om verschillende redenen voor de hand dat Fertiglobe daarvan schriftelijke (en door beide partijen ondertekende) verslagen opstelde. Echter heeft Fertiglobe (ook in hoger beroep) niet gesteld dat dergelijke verslagen zijn opgemaakt, laat staan dat zij van deze gesprekken verslagen heeft overgelegd. Fertiglobe’s verwijt dat [appellant] niet bereid was over haar functioneren te praten en dat zij de gesprekken in de richting van de door haar gemaakte beschuldigingen stuurde, vormt eerder een aanwijzing dat er niet over [appellant] functioneren is gesproken en dat het is gebleven bij de gestelde bedoeling van Fertiglobe het daarover met haar te hebben. Zo heeft [vicepresident 1] over het gesprek op 9 juli 2024 verklaard:
‘(…) we had a call with [naam] in July 2024 to discuss the various areas in which we expected her to improve with clear examples and context. Unfortunately, this meeting quickly escalated by [naam] stating that Commercial Management was conducting behavior of misconduct, bullying and unethical behavior’(productie 8 inleidend verzoekschrift). De als productie 4 bij inleidend verzoekschrift overgelegde brief met een tweede PIP had [vicepresident 1] klaarblijkelijk op voorhand opgesteld. Met de aan [appellant] gerichte brief beoogde [vicepresident 1]
‘(…) to receive your acknowledgement regarding the conversation we had on 9 July 2024 in a call with [manager 3] and me, [vicepresident 1] in which we evaluated your performance in the position of Product Manager Urea for our company Fertiglobe’. Het vakje aan het slot van de brief waar [appellant] haar bevestiging kon afvinken, is evenwel niet ingevuld en de brief is door geen van beide partijen ondertekend. Dit past bij de stelling van [appellant] dat (deze brief met) een tweede verbeterplan niet aan haar is voorgelegd. In zoverre kan niet worden gezegd dat [appellant] heeft geweigerd haar medewerking daaraan te verlenen. Wel staat vast dat aan het tweede PIP geen uitvoering is gegeven.
6.9
Op andere stukken waaruit blijkt dat Fertiglobe na het PIP van 2023 – dat overigens geen deel uitmaakt van het procesdossier, en waarvan vaststaat dat hieraan geen uitvoering is gegeven – [appellant] heeft duidelijk gemaakt dat en hoe zij haar functioneren moest verbeteren (en wat de mogelijke gevolgen zouden zijn als verbetering uitbleef), heeft Fertiglobe geen beroep gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Fertiglobe opgemerkt dat uit de (als productie 5 bij inleidend verzoekschrift overgelegde) klacht van [appellant] blijkt dat zij met [vicepresident 1] over haar functioneren heeft gesproken (vgl. verweerschrift in hoger beroep, nr. 14, in het kader van de omvang van een toe te kennen billijke vergoeding). Uitsluitend deze, ongespecificeerde opmerking, over een door [appellant] bij de vertrouwenspersoon van Fertiglobe ingediende klacht, kan Fertiglobe niet baten. Het moet er daarom voor worden gehouden dat – zoals [appellant] stelt en ook de kantonrechter heeft overwogen (in rov. 4.9 en 4.16 van de beschikking) – Fertiglobe daarna met [appellant] niet heeft gesproken over haar functioneren en hoe zij dat moest verbeteren.
6.1
Ook als ervan moet worden uitgegaan dat door toedoen van [appellant] het voor Fertiglobe moeilijk of zelfs onmogelijk was om met [appellant] haar functioneren te bespreken en een (nieuw) verbeterplan op te stellen, had het op de weg van Fertiglobe gelegen [appellant]
daaropaan te spreken en haar te wijzen op de mogelijke gevolgen daarvan. Gesteld noch gebleken is dat Fertiglobe dat heeft gedaan. Wat Fertiglobe wel heeft gedaan – nota bene in reactie op de brief van 12 augustus 2024 waarin namens [appellant] om betaling van het sinds juni 2024 verschuldigde eerste deel van de
sign on bonuswerd verzocht – is het versturen van de brief van 19 augustus 2024 aan (niet [appellant] zelf maar) de gemachtigde van [appellant] met (primair) het voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst als de (door Fertiglobe geprefereerde) oplossing van een onwerkbare situatie voor het geval
‘your client does not wish to discuss the performance issues’, en (subsidiair) de aankondiging dat Fertiglobe anders zich genoodzaakt zou zien om een PIP-proces in gang te zetten, waarvoor [appellant] dan op korte termijn een uitnodiging zou ontvangen en waaraan [appellant] dan haar medewerking zou moeten verlenen (vgl. hierboven rov. 3.11). Aldus heeft Fertiglobe de mogelijkheid van een (nieuw) verbeterplan eerder als drukmiddel voor het beëindigingsvoorstel dan als reële en serieuze optie voor voortzetting van de arbeidsverhouding gepresenteerd. Van Fertiglobe had een voorstel met een omgekeerde gang van zaken mogen worden verwacht. Bovendien heeft Fertiglobe de brief in zoverre voortijdig verzonden dat zij haar (formele) onderzoek naar [appellant] klachten over [vicepresident 2] pas na 19 augustus 2024 heeft geopend en afgerond. Fertiglobe voert niet aan dat zij al op 19 augustus 2024 ervanuit mocht gaan dat die klachten ongegrond waren.
6.11
Het aangekondigde PIP is niet meer aan de orde geweest nadat [appellant] het voorstel van 19 augustus 2024 had afgewezen. Na de brief van 19 augustus 2024 en ook na de afronding van het onderzoek naar [appellant] klachten over [vicepresident 2] – waarvan de uitkomst op 12 december 2024 aan [appellant] bekend is gemaakt – heeft [appellant] zonder interventies van Fertiglobe haar werk verricht totdat Fertiglobe op 21 januari 2025 haar met onmiddellijke ingang op non-actief stelde en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indiende. Fertiglobe heeft nagelaten in die periode [appellant] minst genomen te informeren dat zij een ontbindingsverzoek overwoog. De in het (hierboven in rov. 3.18 geciteerde) e-mailbericht van 21 januari 2025 onder 1 tot en met 3 samengevatte gronden voor de non-actiefstelling zien op het functioneren van [appellant] , waarover hierboven in rov. 6.9 is overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat Fertiglobe sinds het PIP van 2023 (waaraan geen uitvoering is gegeven) daarover niet met [appellant] heeft gesproken. Dit betekent dat Fertiglobe [appellant] rauwelijks op non-actief heeft gesteld en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend, zonder haar concreet over haar vermeende disfunctioneren dan wel de verstoorde verhouding op de hoogte te stellen, zonder haar gelegenheid te hebben geboden haar functioneren te verbeteren en zonder een (voldoende) poging te hebben gewaagd om de arbeidsverhouding te normaliseren en (verdere) verslechtering daarvan te voorkomen. Dat op 21 januari 2025 ‘de situatie’ ernstig was geëscaleerd (dusdanig dat Fertiglobe het ontbindingsverzoek heeft ingediend) en de non-actiefstelling gerechtvaardigd was ter voorkoming van (het risico op) negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering (waaronder het verlies van Fertiglobe’s grootste klanten en de onrust op de werkvloer), heeft Fertiglobe niet toegelicht of onderbouwd zodat daaraan voorbij moet worden gegaan. De handelwijze van Fertiglobe is des te kwalijker omdat – zoals [appellant] stelt en Fertiglobe niet, althans onvoldoende gemotiveerd weerspreekt – daardoor de goede naam van [appellant] bij de paar bedrijven die in de relevante markt opereren, is geschaad. De onverhoedse non-actiefstelling riep vragen op, die [appellant] op dat moment niet kon beantwoorden.
6.12
Voor zover de in het inleidende verzoekschrift, nr. 20, aangehaalde producties 7 (een e-mailbericht van 26 november 2024 van [manager 3] aan [hr business partner] , c.c. aan [vicepresident 2] en [vicepresident 1] ) en 9 (een ongedateerd en kennelijk intern stuk) van Fertiglobe in dit verband als toelichting en onderbouwing kunnen worden aangemerkt, geldt ook hiervoor dat het ervoor moet worden gehouden dat Fertiglobe daarover niet met [appellant] heeft gesproken.
6.13
De voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, brengen naar het oordeel van het hof mee dat het handelen en nalaten van Fertiglobe ernstig verwijtbaar is als bedoeld in art. 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat voor dit oordeel alleen in zeer uitzonderlijke gevallen plaats is. Verder is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat dit handelen en nalaten van Fertiglobe heeft geleid tot de verstoring van de arbeidsverhouding en dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst dus het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van de werkgever. Het hof zal [appellant] daarom een billijke vergoeding toekennen. De verwijten die Fertiglobe [appellant] maakt over het ontstaan van de verstoring van de arbeidsverhouding – kort weergegeven: dat zij eigengereid was en overtuigd van haar eigen mening en aanpak, dat zij eigen ideeën had over de invulling van haar functie, dat zij gezagsverhoudingen miskende en dat zij niet in staat was op haar eigen handelen te reflecteren – kunnen (zo al terecht) hieraan niet afdoen reeds omdat die in het niet vallen bij het ernstig verwijtbare handelen en nalaten van Fertiglobe.
omvang billijke vergoeding en ontbindingsdatum
6.14
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Bij de billijke vergoeding die is gebaseerd op ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever, gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer voor dit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten wordt gecompenseerd. Bij het bepalen van omvang van de billijke vergoeding moet worden gelet op alle relevante omstandigheden van het geval. Rekening kan worden gehouden met hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben geduurd indien de werkgever niet door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten de verstoring van de arbeidsverhouding en daardoor de ontbinding van de overeenkomst zou hebben veroorzaakt, met inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de arbeidsovereenkomst op een later moment zou zijn geëindigd, met eventueel ander werk dat de werknemer inmiddels heeft gevonden en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, en met de (andere) inkomsten die de werknemer in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. [1]
6.15
Ter bepaling van de omvang van de haar toe te kennen billijke vergoeding is [appellant] in haar beroepschrift ervan uitgegaan dat bij voortduring van de arbeidsverhouding, rekening houdend met de omstandigheid dat de onderlinge verhouding tussen haar en haar leidinggevenden ‘niet optimaal’ was (nr. 87), Fertiglobe een adequaat verbetertraject had moeten opstarten en dat dit traject anderhalf jaar in beslag zou hebben genomen. Als aanvangsdatum van dit traject heeft [appellant] een ontbindingsdatum gehanteerd van 1 oktober 2025, althans 1 juli 2025, zodat de arbeidsovereenkomst op 1 april 2027, althans 1 januari 2027, zou zijn geëindigd en zij een bedrag van in totaal € 319.500,-- bruto aan maandsalarissen zou hebben ontvangen. Dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2025 had moeten worden ontbonden en de ontbindingsdatum ten onrechte op 1 juli 2025 is bepaald, voert [appellant] aan met grief II.
6.16
In haar verweerschrift betoogt Fertiglobe dat voor een latere ontbindingsdatum dan 1 juli 2025 geen grond bestaat (omdat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten) en dat een toe te kennen billijke vergoeding op nihil moet worden gesteld.
6.17
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] de door haar verzochte billijke vergoeding begroot op € 202.000,-- bruto (pleitnotities mr. Van der Maas, p. 4, met handgeschreven aantekeningen (correcties)). Daarbij is [appellant] ervan uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst na (indiening van het ontbindingsverzoek in) januari 2025 naar verwachting nog anderhalf jaar zou hebben geduurd tot 1 augustus 2026 en dat zij dus nog gedurende dertien maanden (van ontbindingsdatum 1 juli 2025 tot 1 augustus 2026) salaris zou hebben ontvangen, resulterend in een bedrag van € 284.000,-- bruto. Daarop heeft zij in mindering gebracht een bedrag van € 9.837,95 bruto aan transitievergoeding en een bedrag van € 72.279,91 bruto aan (ontvangen en nog te ontvangen) WW-uitkeringen, in de verwachting dat zij in november 2026 weer in dienstverband aan de slag zal kunnen gaan.
6.18
Op deze begroting – tevens eisvermindering – heeft Fertiglobe niet gereageerd.
6.19
Het hof ziet aanleiding de omvang van de billijke vergoeding in goede justitie te bepalen als volgt.
6.2
De kantonrechter heeft geoordeeld dat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Fertiglobe (of [appellant] ) geen sprake is en met toepassing van het bepaalde in art. 7:671b lid 9, aanhef en onder a, BW het einde van de arbeidsovereenkomst bepaald op 1 juli 2025 als de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van de procedure, met dien verstande dat een termijn van tenminste een maand resteert (rov. 4.25 van de beschikking). Gelet op het oordeel van het hof dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van Fertiglobe, is de regel van art. 7:671b lid 9, aanhef en onder a, BW hier niet van toepassing. Voor de bepaling van de ontbindingsdatum ingeval de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, bevat de wet geen (bijzondere) regeling. Mede ter bescherming van de werknemer ligt het voor de hand dan de ontbindingsdatum te bepalen op de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, zonder daarop de proceduretijd in mindering te brengen. Het hof acht zich tot de bepaling van deze (latere) datum in hoger beroep bevoegd. [appellant] voert niet aan dat de kantonrechter van een onjuiste opzegtermijn is uitgegaan (die volgens haar onweersproken stelling vier maanden beloopt). De duur van de procedure bij de kantonrechter (van iets langer dan drie maanden) buiten beschouwing latend, bepaalt het hof het einde van de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Fertiglobe daarom op 1 oktober 2025. Ook grief II slaagt dus.
6.21
Dit oordeel brengt mee dat (ook) de verzochte veroordeling van Fertiglobe tot betaling van [appellant] salaris, vermeerderd met emolumenten, over de periode van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025 toewijsbaar is. Bij de begroting van de omvang van de billijke vergoeding zal met dit inkomen aldus rekening worden gehouden dat de billijke vergoeding over een periode van na 1 oktober 2025 zal worden bepaald.
6.22
Indien Fertiglobe niet door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten de verstoring van de arbeidsverhouding en daardoor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou hebben veroorzaakt, is de verwachting gerechtvaardigd dat de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd tot 1 januari 2026. Aannemelijk is dat de niet optimale verhouding tussen [appellant] en haar leidinggevende ( [manager 3] ) sinds september 2024 een gegeven was. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij in de zomer van 2024 geen vertrouwen meer had in de arbeidsverhouding. Bovendien stelt Fertiglobe dat zij daarvoor al niet tevreden was over het functioneren van [appellant] . Partijen lijken fundamenteel van inzicht te verschillen over de ruimte die [appellant] in de uitvoering van haar functie had om een van haar leidinggevenden afwijkende mening te hebben over de te volgen koers en de daarbij in acht te nemen normen en waarden. Een daaropvolgend verbetertraject zou als meest waarschijnlijke uitkomst hebben gehad dat het niet de door Fertiglobe gewenste verbetering had opgeleverd. Vervolgens zouden partijen vermoedelijk vruchteloos over een vaststellingsovereenkomst onderhandelen, waarna Fertiglobe zich genoodzaakt zou zien om een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen. De kantonrechter zou dan naar verwachting het verzoek toewijzen en ingevolge art. 7:671b lid 9, aanhef en onder a, BW het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2026 bepalen.
6.23
Dit betekent dat in de periode van 1 oktober 2025 tot 1 januari 2026 [appellant] – uitgaande van haar maandelijkse loon inclusief emolumenten (beroepschrift, voetnoot 91; pleitnotities, p. 4) – € 53.250,-- bruto (= 3 x € 17.750) aan loon is misgelopen. [appellant] heeft in deze periode een bedrag van € 12.594,-- bruto aan WW-uitkering ontvangen (3 x € 4.198,--; pleitnotities, p. 4). Daarmee houdt het hof rekening zodat het geschatte inkomensverlies in deze periode € 40.656,-- bruto bedraagt.
6.24
[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep (onweersproken) verklaard dat het voor haar momenteel moeilijk is om een baan te vinden in de Europese markt voor polymeren en kunststoffen en dat het een kleine markt is. Het is verder aannemelijk dat de wijze waarop Fertiglobe [appellant] op non-actief heeft gesteld – onaangekondigd, per direct en met blokkering van haar toegang tot de digitale werkomgeving – en het daaropvolgende ontslag een negatief effect hebben gehad op haar reputatie en sollicitaties in die kleine markt. Het hof gaat ervanuit dat [appellant] als gevolg van dit ernstig verwijtbaar handelen van Fertiglobe langer een beroep zal moeten doen op WW-uitkering, dan in de fictieve situatie waarin Fertiglobe niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld. Per saldo acht het hof ter compensatie hiervan een bedrag van € 15.000,-- bruto passend.
6.25
Dit een en ander brengt mee dat het hof [appellant] een billijke vergoeding van € 55.656,-- bruto zal toekennen.
loonspecificatie en eindafrekening
6.26
Zoals hierboven is overwogen in rov. 6.21, volgt uit de bepaling van de ontbindingsdatum op 1 oktober 2025 dat de verzochte veroordeling van Fertiglobe tot betaling van [appellant] salaris, vermeerderd met emolumenten, over de periode van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025 toewijsbaar is. [appellant] verzoekt deze veroordeling onder gelijktijdige overlegging van een loonspecificatie en eindafrekening van deze bedragen. Fertiglobe verzet zich daar niet tegen. Ook dit verzoek zal worden toegewezen.
6.27
De door [appellant] verzochte afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de toe te kennen bedragen aan billijke vergoeding en salaris over de periode van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025, onder last van een dwangsom, zal eveneens worden toegewezen. Fertiglobe zal de dwangsom verbeuren als zij de bruto/netto-specificatie niet binnen vier weken na betekening van deze beschikking zal hebben afgegeven. De hoogte van de dwangsom zal worden bepaald op € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat Fertiglobe hiermee in gebreke zal zijn, met een maximum van € 10.000,--.
wettelijke rente en/of wettelijke verhoging
6.28
[appellant] verzoekt Fertiglobe te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging over de bedragen aan het salaris over de periode van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025 en aan de billijke vergoeding, ‘indien deze [bedragen] niet binnen een termijn van twee weken na de ten deze te wijzen beschikking door Fertiglobe zijn voldaan, gerekend tot aan de dag der algehele voldoening’. [appellant] heeft dit verzoek niet toegelicht en Fertiglobe heeft daartegen geen verweer gevoerd.
6.29
Het hof verstaat het verzoek aldus dat het wordt gedaan voor het toekomstige geval dat Fertiglobe, binnen twee weken na (het geven en) de uitspraak van deze beschikking, niet zal hebben voldaan aan de veroordelingen tot betaling van het salaris over de periode van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025 en de billijke vergoeding. Voor zover het ziet op de wettelijke rente (als bedoeld in art. 6:119 BW Pro) is het verzoek toewijsbaar voor zowel het achterstallige loon als de billijke vergoeding. Voor zover het verzoek ziet op de wettelijke verhoging (als bedoeld in art. 7:625 BW Pro) is het verzoek toewijsbaar voor alleen het achterstallige loon. De niet-tijdige betaling van het salaris zal aan Fertiglobe toe te rekenen zijn. In de omstandigheden van het geval en in de hoogte van het te betalen bedrag aan salaris ziet het hof evenwel aanleiding om [appellant] aanspraak op de wettelijke verhoging te beperken tot maximaal 10%. Voor de billijke vergoeding moet de wettelijke verhoging worden afgewezen omdat een billijke vergoeding geen in geld vastgesteld loon is.
proceskosten eerste aanleg
6.3
Uit het voorgaande volgt dat Fertiglobe in de procedure bij de kantonrechter als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt. Fertiglobe zal daarom in de kosten van die procedure worden veroordeeld. Daarmee treft ook grief III doel.
conclusie en proceskosten
6.31
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] slaagt. Daarom zal het hof de beschikking, voor zover aan zijn oordeel voorgelegd, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen. Het hof zal Fertiglobe als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in (ook) de kosten van het hoger beroep.
6.32
Het hof begroot de proceskosten van de eerste aanleg aan de zijde van [appellant] tot 7 mei 2025 op:
salaris advocaat € 814,--
6.33
Het hof begroot de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant] op:
griffierecht € 362,--
salaris advocaat € 2.580,-- (twee punten × tarief II)
nakosten € 189,--(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 3.131,--

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de beschikking van 7 mei 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht,
voor zover daarbij de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd met ingang van 1 juli 2025, is vastgesteld dat Fertiglobe geen billijke vergoeding is verschuldigd en is bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
  • bepaalt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd met ingang van 1 oktober 2025;
  • veroordeelt Fertiglobe tot betaling aan [appellant] van het salaris van [appellant] , vermeerderd met emolumenten, over de periode van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025, te vermeerderen met maximaal 10% wettelijke verhoging en de wettelijke rente als Fertiglobe niet binnen twee weken na (de uitspraak van) deze beschikking aan deze veroordeling zal hebben voldaan, tot aan de dag van voldoening, onder gelijktijdige overlegging aan [appellant] van een correcte en deugdelijke loonspecificatie en eindafrekening ter zake van dit bedrag;
  • veroordeelt Fertiglobe tot betaling aan [appellant] van een billijke vergoeding van € 55.656,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als Fertiglobe niet binnen twee weken na (de uitspraak van) deze beschikking aan deze veroordeling zal hebben voldaan, tot aan de dag van voldoening, onder gelijktijdige overlegging aan [appellant] van een correcte en deugdelijke loonspecificatie en eindafrekening ter zake van dit bedrag;
  • veroordeelt Fertiglobe tot afgifte aan [appellant] van een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de aan het salaris en de billijke vergoeding toegekende bedragen binnen vier weken na betekening van deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag van niet-naleving van deze veroordeling, met een maximum van € 10.000,--;
  • veroordeelt Fertiglobe in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 814,-- aan salaris advocaat;
  • bekrachtigt de beschikking van 7 mei 2025 voor het overige;
  • veroordeelt Fertiglobe in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 3.131,--;
  • bepaalt dat als Fertiglobe niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Fertiglobe de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,--;
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. van Kooten, M.J. van der Ven en M.B. Kerkhof, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Zie o.a. ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle I), rov. 3.4.2-3.4.5, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Servicenow), rov. 3.4.2-3.4.4, en ECLI:NL:HR:2026:193, rov. 3.2.