ECLI:NL:GHDHA:2026:2245

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
22-001690-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:106 BWArt. 96.2 SrArt. 140a SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Syrië-ganger voor plundering, deelname aan terroristische organisatie en bedreiging journalisten

De verdachte reisde in maart 2014 uit naar Syrië, waar zij zich aansloot bij jihadistische groeperingen Jabhat al-Nusra en IS. Zij woonde in woningen die zij zonder toestemming van de rechtmatige eigenaren in bezit nam, waaronder in Atme, Tallabyad en Raqqa, en maakte zich daarmee schuldig aan plundering als oorlogsmisdrijf.

Daarnaast bedreigde zij twee journalisten met terroristische misdrijven via sociale media, waarbij zij opzettelijk vrees wilde aanjagen. Ook nam zij deel aan de terroristische organisaties IS en Jabhat al-Nusra, waarbij zij het radicaal extremistisch gedachtegoed onderschreef, wapens in bezit had en voorbereidingshandelingen verrichtte voor terroristische misdrijven.

Het hof achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend en hield rekening met haar borderline persoonlijkheidsstoornis en positieve ontwikkeling. Gezien de ernst van de feiten legde het hof een gevangenisstraf van 860 dagen op, waarvan 720 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 400 uur. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de bedreigde journalisten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 860 dagen gevangenisstraf, waarvan 720 dagen voorwaardelijk, taakstraf van 400 uur en schadevergoeding aan benadeelde partijen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001690-24
Parketnummer: 71-098061-22
Datum uitspraak: 9 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1993,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek 26Chico
Inhoudsopgave

1. Onderzoek ter terechtzitting 4

2. Procesgang 4

3. Geldigheid van de dagvaarding 4

4. Bevoegdheid van het hof 4

5. Tenlastelegging 5

6. Vordering van de advocaat-generaal 5

7. Het vonnis waarvan beroep 5

8. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 5

8.1. Inleiding 5
8.2. Feitenvaststelling
6
8.2.1.
Voorafgaand aan de uitreis naar Syrië6
8.2.2.
De uitreis naar Syrië7
8.2.3.
Verblijf in Syrië, huwelijk met [echtgenoot 1] en sociale media7
8.2.4.
Huwelijk met [echtgenoot 2] en vlucht naar Turkije9
8.3. Overwegingen met betrekking tot feit 1 (plundering als oorlogsmisdrijf)
10
8.3.1.
Standpunten partijen10
8.3.2.
Juridisch kader plundering als oorlogsmisdrijf11
8.3.3.
Beoordeling16
8.4.Witwassen
24
8.5. Overwegingen met betrekking tot feiten 4 en 5 (bedreigingen met een terroristisch misdrijf)
24
8.5.1.
Aangiftes25
8.5.2.
Juridisch kader25
8.5.3.
Beoordeling van feit 426
8.5.4.
Beoordeling van feit 526
8.6. Overwegingen met betrekking tot feit 2 (deelname aan een terroristische organisatie)
28
8.6.1.
Juridisch kader28
8.6.2.
Beoordeling30
8.6.3.
Partiële vrijspraken31
8.7. Overwegingen met betrekking tot feit 3 (voorbereidings-/bevorderingshandelingen om terroristische misdrijven te plegen)
32

9. Bewezenverklaring 32

10. Bewijsvoering 36

11. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde 36

12. Strafbaarheid van de verdachte 36

13. Strafmotivering 37

13.1. Ernst van de feiten
37
13.2. Persoon van de verdachte en persoonlijke omstandigheden
37
13.3. Strafoplegging
39
13.4 Bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid
40

14. Vorderingen tot schadevergoeding 41

14.1. De vorderingen
41
14.2. Beoordeling van de vorderingen
41
14.3. Proceskosten
42
14.4. Schadevergoedingsmaatregelen
43

15. Toepasselijke wettelijke voorschriften 43

16. Beslissing 43

Bijlage I: de tenlastelegging 47

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2.Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en ter zake van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 860 dagen, waarvan 720 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, met het bevel dat die bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast is aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 480 uren, subsidiair 240 dagen hechtenis, opgelegd en is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3.Geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit nietig dient te worden verklaard. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat uit de zinsnede ‘
uit enig misdrijf, genoemd in de artikelen 3 tot en met 8, onder b, Wet internationale misdrijven’ niet blijkt om welke concrete misdrijven als omschreven in de Wet internationale misdrijven (hierna: Wim) het zou kunnen gaan. Van de verdachte kan daarom niet worden verwacht dat zij zich adequaat tegen dit feit kan verdedigen.
Naar het oordeel van het hof komt aan de zinsnede ‘
uit enig misdrijf, genoemd in de artikelen 3 tot en met 8, onder b, Wet internationale misdrijven’ – bezien tegen de achtergrond van het dossier – voldoende feitelijke betekenis toe, terwijl het voor de verdachte op basis daarvan voldoende duidelijk is waartegen zij zich moet verweren.
Het verweer wordt verworpen.

4.Bevoegdheid van het hof

Anders dan de rechtbank stelt het hof vast dat er voor onderdeel E van het onder 2 tenlastegelegde rechtsmacht bestaat. [1]
Het hof is voorts van oordeel – zoals ter terechtzitting in hoger beroep ook niet is betwist– dat rechtsmacht bestaat ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten.
5.Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd hetgeen is opgenomen in de als
bijlage 1bij dit arrest gevoegde tekst van de tenlastelegging.

6.Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 860 dagen, waarvan 720 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, inhoudende een contactverbod met [echtgenoot 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], het volgen van ambulante behandeling en andere voorwaarden het gedrag betreffende, te weten inzicht geven in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere betrokken instellingen of hulpverleners, niet vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering en meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, wanneer dit van belang is voor het toezicht.

7.Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

8.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

8.1.
Inleiding
Het hof zal hierna de tenlastelegging beoordelen. Eerst komt aan bod de verdenking dat de verdachte het oorlogsmisdrijf plundering heeft begaan (feit 1). Vervolgens de verdenking van twee bedreigingen met een terroristisch misdrijf (feiten 4 en 5). Tot slot de verdenking van deelname aan – kort gezegd – een terroristische organisatie (feit 2) en voorbereidingshandelingen tot het plegen van terroristische misdrijven (feit 3).
Het hof zal telkens eerst op grond van de wettige bewijsmiddelen de feiten vaststellen die ten grondslag liggen aan de overwegingen ten aanzien van het bewijs, daarna de juridische kaders uiteenzetten en vervolgens de beoordeling van de feiten geven.
8.2.
Feitenvaststelling
Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
8.2.1.
Voorafgaand aan de uitreis naar Syrië
De verdachte heeft zich in augustus 2013 bekeerd tot de islam. Nadat zij dit bekend heeft gemaakt via Facebook, is zij rond december 2013 / januari 2014 in contact gekomen met [contactpersoon](hierna: [contactpersoon]). Volgens de verklaringen van de moeder en de zus van de verdachte ging zij kort daarna volledige gezichtsbedekkende kleding dragen, iets wat zij voorheen niet deed.
Vlak voor en na haar bekering heeft de verdachte verschillende zoekslagen gedaan via Google, waaronder:
  • “trouwen met een broer”, op 15 augustus 2013;
  • “leden van de sharia 4 belgium”, op 12 oktober 2013;
  • “mujahideen”, op 17 november 2013;
  • “women mujahideen”, op 17 november 2013;
  • “Mufti Ismail Menk”, op 26 november 2013;
  • “hadith over trouwen”, op 1 december 2013;
  • “niqaab sisters”, op 4 januari 2014;
  • “who is Abu Al-Yazeed”, op 20 januari 2014;
  • “salifi moskee den haag”, op 20 januari 2014;
  • “hadith over huwelijk”, op 21 januari 2014;
  • “landen waar sharia wordt toegepast”, op 26 januari 2014;
  • “jezelf opblazen”, op 9 februari 2014;
  • “anwar al awlaki lectures”, op 6 februari 2014;
  • “kalashnikov”, op 10 februari 2014;
  • “sjiieten ontmaskerd”, op 11 februari 2014.
Voorts zijn op de computer van de verdachte afbeeldingen aangetroffen van een groep vrouwen in een zwarte boerka met vlaggen van Islamitische Staat (hierna: IS) en van een groep vrouwen met geweren in hun hand.
Na de kennismaking tussen de verdachte en [contactpersoon] hebben zij meermalen afgesproken, waarbij werd gesproken over de islam en de verschillende stromingen daarbinnen.
[contactpersoon]heeft haar daarnaast geïntroduceerd aan [echtgenoot 1] (hierna: [echtgenoot 1]), die de
kunya[bijnaam echtgenoot 1] had. De verdachte is in februari 2014 via Skype naar islamitisch recht getrouwd met [echtgenoot 1], die reeds in maart 2013 was vertrokken naar Syrië. Door [contactpersoon] werd de verdachte op het idee gebracht om naar Syrië uit te reizen. In februari 2014 is de politie tweemaal bij de woning van de verdachte geweest en heeft haar geadviseerd om niet uit te reizen naar Syrië. De verdachte had toen in haar woning een houten plaat met daarop op posterformaat een afbeelding van een handgranaat en een bloem afgebeeld. Ter voorbereiding op haar reis heeft de verdachte een lijstje gemaakt met zaken die zij nog moest regelen voor de uitreis, zoals “wachten op pasje bank”, “geld opzetten”, “vertrekken zsm”, “spullen inpakken” en “spiraaltje bellen eruit’. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat zij haar spiraal daadwerkelijk heeft laten verwijderen, omdat [echtgenoot 1] tegen haar had gezegd dat hij kinderen wilde en dat dit ook een verplichting was. Ter voorbereiding op haar reis heeft de verdachte haar camera verkocht om daarmee een kaartje te kunnen kopen naar Turkije, om vanuit daar door te reizen naar Syrië.
8.2.2.
De uitreis naar Syrië
De verdachte is op 12 maart 2014 vertrokken naar Syrië. Op 16 maart 2014 is bij de politie melding gedaan van haar vermissing door [melder vermissing], de partner van de moeder van verdachte. Uit haar eigen verklaring blijkt dat de verdachte met de bus naar Istanbul is gereisd, vanaf Istanbul naar Adana is gegaan en van Adana naar Hatay, vlakbij de Turkse grens met Syrië. In Hatay is zij opgehaald door iemand die [echtgenoot 1] kende en is zij richting de Syrische grens gebracht. Vervolgens is zij via het water de grens met Syrië overgestoken. De verdachte heeft verklaard dat zij op 17 maart 2014 in Syrië is aangekomen. [echtgenoot 1] heeft haar vervolgens opgehaald met de auto. Op de achterbank van de auto lag een kalasjnikov.
8.2.3.
Verblijf in Syrië, huwelijk met [echtgenoot 1] en sociale media
Gedurende haar verblijf in Syrië is de verdachte meermalen verhuisd. Na haar aankomst in Syrië heeft [echtgenoot 1] de verdachte meegenomen naar zijn woning in Teftenaz, waar zij enkele weken hebben verbleven. Van 1 april 2014 tot 30 april 2014 hebben zij in Atme gewoond. Na een kort verblijf in Turkije is de verdachte met [echtgenoot 1] begin mei 2014 naar Tallabyad verhuisd, waar zij hebben gewoond tot februari 2015. Rond november 2014 is [echtgenoot 1] met zijn tweede vrouw, [de tweede vrouw] (hierna: [de tweede vrouw]), getrouwd en is [de tweede vrouw] bij de verdachte en [echtgenoot 1] komen wonen. Vervolgens zijn de verdachte, [echtgenoot 1] en [de tweede vrouw] naar Raqqa verhuisd, waar zij tot december 2016 hebben gewoond in verschillende huizen. In de tijd dat zij in Raqqa woonden, is [echtgenoot 1] ook getrouwd met [de derde vrouw] (hierna: [de derde vrouw]) en [de vierde vrouw](hierna: [de vierde vrouw]). [echtgenoot 1] is in december 2016 om het leven gekomen door een zelfmoordaanslag.
De verdachte heeft verklaard dat de huizen waarin zij verbleef, werden geregeld door [echtgenoot 1] en dat [echtgenoot 1] en zij werden gefinancierd door IS.
De rechtbank Den Haag heeft in haar vonnis van 10 december 2015 geoordeeld dat [echtgenoot 1] in maart 2013 is uitgereisd naar Syrië en zich daar heeft aangesloten bij ISIS/ISIL en in juli 2013 is overgestapt naar Jabhat al-Nusra. De rechtbank heeft vastgesteld dat [echtgenoot 1] daadwerkelijk deel heeft genomen aan de gewapende jihadstrijd. [2] Uit voornoemd vonnis blijkt dat [echtgenoot 1] vervolgens in ieder geval vóór 6 oktober 2014 weer lid is geworden van IS, gelet op een afbeelding die door [broer van echtgenoot 1], de broer van [echtgenoot 1], is geretweet. Op die afbeelding is [echtgenoot 1] te zien, omringd door anderen en kennelijk gewapend met een machinegeweer, met de begeleidende tekst: “
#IS Band of brothers. Kogel vangen voor je mattie omdat je zelf martelaar wilt worden”.Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat [echtgenoot 1] vanaf hun verblijf in Raqqa bij IS zat, op een gegeven moment emir was en de baas was over een groepje strijders. Nadat hij gewond was geraakt in zijn buik en been, plande hij droneaanvallen vanuit een internetcafé.
De verdachte heeft verklaard dat zij gedurende haar huwelijk met [echtgenoot 1] achter de gewelddadigheden, ideologie en de sharia-regels van IS stond, volgens die regels leefde en zich deel voelde van de IS-gemeenschap. Volgens de verdachte voelden alle anderen, die niet bij IS zaten, als de vijand. Volgens haar verklaringen vond zij het terecht dat IS mensen vermoordde, wanneer zij zich niet aan de regels hielden. In een bericht aan haar moeder heeft de verdachte geschreven: “
Vieze kuffaar vieze vijanden van Allaah ze zullen alles doen om ons te bestrijden”en “
Moge Allaah hen vernietigen”. De verdachte heeft verklaard dat zij in dit bericht doelde op de ongelovigen, de vijanden van IS, en dat deze dood mochten.
Gedurende haar verblijf in Syrië en haar huwelijk met [echtgenoot 1] heeft de verdachte gebruikgemaakt van verschillende sociale media. Uit een ambtsbericht van de AIVD met betrekking tot de verdachte blijkt dat zij in ieder geval in het begin van 2015 gebruik heeft gemaakt van de Twitteraccounts [Twitteraccount 1] met de profielnaam ‘[profielnaam 1]’, [Twitteraccount 2] met de profielnaam ‘[profielnaam 2]’ en [Twitteraccount 3] met de profielnaam ‘[profielnaam 3]’. Uit dit ambtsbericht blijkt voorts dat de verdachte eind 2014 en begin 2015 gebruik heeft gemaakt van het Facebookaccount ‘[Facebook account 1]’ en eind 2014 van het Facebookaccount ‘[Facebook account 2].
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij de gebruiker is geweest van de Twitteraccounts [Twitteraccount 1] en [Twitteraccount 2]. Op deze accounts zijn de volgende berichten geplaatst:
Op het Twitteraccount [Twitteraccount 1]:
  • een afbeelding van gesluierde personen met wapens, met de tekst: “
Op het Twitteraccount [Twitteraccount 2]:
  • “Krijg nog steeds brieven DUO of ik even een halfjaar stufi wil terugbetalen +- €7200, jullie kunnen de boom in #jihadbruid #IS”.
Op de tijdlijn van het Facebookaccount ‘[Facebook account 2]’ is op 6 juli 2014 een bericht geplaatst met de woorden van Abu Bakr al-Baghdadi, nadat hij op 29 juni 2014 het kalifaat had uitgeroepen en zichzelf als kalief had gepresenteerd:
- “ “
Abu Bakr radi Allahu 'anhu zei bij zijn eerste toespraak als khalief: "Oh mensen, mij werd gezag over jullie gegeven, maar ik ben niet de beste van jullie. Als ik het goed doe, ondersteun me dan en als ik iets verkeerd doe, verbeter me dan. Waarheid is trouw en liegen is bedriegerij. De zwakke onder jullie, zal sterk in mijn ogen zijn totdat ik zijn rechten verzeker, In Shaa Allah; en de sterke onder jullie, zal zwak in mijn ogen zijn totdat ik de rechten van anderen van hem afpers, In Shaa Allah. Als een volk de Djihaad voor de zaak van Allah opgeeft, zal Allah hen met vernedering straffen. En als de vuile woorden doordringen tot een volk, zal Allah hun met rampen bezoeken. Gehoorzaam mij zolang ik Allah gehoorzaam en als ik ongehoorzaam ben aan Allah en Zijn boodschapper dan ben je me geen gehoorzaamheid verschuldigd. Sta op voor de Salaat, moge Allah medelijden met jullie hebben."
Het hof stelt – met de rechtbank – vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van dit Facebookaccount, gelet op de verklaring van de verdachte dat haar
kunyain Syrië ‘[bijnaam verdachte]’ was, dat bij de woonplaatsen van de Facebookgebruiker staat dat zij in Raqqa woont en uit Apeldoorn komt en dit overeenkomt met het feit dat de verdachte eveneens uit Apeldoorn komt en in Raqqa heeft gewoond.
Op de openbare tijdlijn van het Facebookaccount ‘[Facebook account 1]’ zijn de volgende berichten geplaatst op 23 november 2014 en 5 januari 2015:
  • een spotprent waarin IS als 'mujahidin defending ummah' vermanend worden toegesproken en wordt aangeduid als 'takfiri's';
  • een afbeelding van een colonne van IS voertuigen met de tekst "
Het hof stelt vast dat ook dit Facebookaccount aan de verdachte toebehoort. Uit de bevindingen van de politie blijkt dat de geboortedatum van de gebruiker van het Facebookaccount overeenkomt met de geboortedatum van de verdachte en dat er verschillende berichten van de moeder van de verdachte op de tijdlijn van dit account zijn geplaatst, zoals: “
Hou van jou, dikke kusssssssss mamma xxx” en “
Kind van mij in je tuin groeit onkruid kind van mij ik ik heb dit niet geplant.”
De verdachte heeft verklaard dat zij in de periode dat zij met [echtgenoot 1] in Tallabyad woonde, de beschikking had over een internetverbinding.
8.2.4.
Huwelijk met [echtgenoot 2]en vlucht naar Turkije
Na het overlijden van [echtgenoot 1] in december 2016 is de verdachte samen met de tweede en vierde vrouw van [echtgenoot 1], [de tweede vrouw] en [de vierde vrouw], naar Deir ez-Zor gebracht om hun rouwperiode door te brengen. Gedurende deze rouwperiode ontving de verdachte maandelijks een geldbedrag van 50 dollar van IS. Na haar rouwperiode van ongeveer vier maanden is de verdachte op 29 april 2017 via een IS-trouwkantoor getrouwd met haar tweede echtgenoot, [echtgenoot 2], bij de verdachte bekend als [echtgenoot 2] (hierna: [echtgenoot 2]).
De verdachte is na haar huwelijk met [echtgenoot 2] eind april 2017 vertrokken uit Mayadin in de provincie Deir ez-Zor en met hem weer in Raqqa gaan wonen. Zij zijn daarna weer in Mayadin gaan wonen, waar zij tot december 2017 hebben verbleven. De verdachte is vervolgens met [echtgenoot 2] gevlucht vanuit Syrië naar Turkije. waar zij op 5 januari 2018 zijn aangehouden. De verdachte heeft in Turkije ongeveer 18 maanden in detentie verbleven waarna zij is vrijgekomen en uitgezet. Zij is op 19 november 2019 aangekomen op de luchthaven Schiphol, waar zij is aangehouden.
8.3.
Overwegingen met betrekking tot feit 1 (plundering als oorlogsmisdrijf)
Onder 1 is primair aan de verdachte tenlastegelegd dat zij zich, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig heeft gemaakt aan plundering van een stad of plaats als oorlogsmisdrijf. De verdachte wordt verweten dat zij zich in de periode van 1 april 2014 tot en met 30 november 2016 in de Syrische plaatsen Atme, Tallabyad en Raqqa zonder toestemming van de rechthebbende eigenaars meerdere woningen en andere eigendommen (i.c. huisraad) voor eigen gebruik zou hebben toegeëigend met de intentie de eigenaars van hun bezittingen te ontdoen.
Subsidiair wordt de verdachte verweten dat zij deze woningen (inclusief huisraad) in de periode van 1 april 2014 tot en met 30 november 2016, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij of haar mededaders wisten – althans redelijkerwijze hadden moeten vermoeden – dat deze goederen afkomstig waren uit enig misdrijf genoemd in de artikelen 3 tot en met 8, onder b, Wim.
8.3.1.
Standpunten partijen
8.3.1.1. Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van plundering als oorlogsmisdrijf van de woningen in Atme, Tallabyad en het verfhuisje in Raqqa, inclusief de zich daar bevindende inboedel. Subsidiair heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat ten aanzien van deze woningen en spullen sprake is van witwassen. Ten aanzien van de flatwoning bij het ziekenhuis en het huis in de villawijk in Raqqa heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot vrijspraak van zowel plundering als witwassen.
8.3.1.2. Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van de onder feit 1 primair tenlastegelegde plundering, heeft de verdediging aangevoerd dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte woningen en/of spullen in Atme, Tallabyad en Raqqa heeft toegeëigend zonder toestemming van de rechthebbende eigenaar.
Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de bijdrage van de verdachte in de plundering door gebruik te maken van de woningen en goederen lange tijd na confiscatie door IS, van onvoldoende gewicht is om tot medeplegen te leiden. Hiervan dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken.
Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde witwassen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken nu niet kan worden vastgesteld dat de woningen en goederen uit enig misdrijf afkomstig waren, dan wel dat de verdachte redelijkerwijs de criminele herkomst moest vermoeden, laat staan dat zij daar wetenschap van had.
8.3.2.
Juridisch kader plundering als oorlogsmisdrijf
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 6, derde lid, onder e, Wim, dat luidt als volgt:
Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan een van de volgende feiten:
[…]
e. een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;
[…]
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8, tweede lid, onder e (v), van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: Statuut). Uit de ‘Elementen van Misdrijven’ van het Internationale Strafhof (verder: Elementen van Misdrijven) komt naar voren dat voor een bewezenverklaring van plundering de volgende bestanddelen moeten worden aangetoond: [3]
de dader heeft zich bepaalde goederen toegeëigend;
de dader had de intentie om de eigenaar van die goederen te beroven en deze voor privé- of persoonlijk gebruik toe te eigenen;
de toe-eigening vond plaats zonder toestemming van de eigenaar;
deze gedraging vond plaats in de context van en hield verband met een gewapend conflict van niet-internationale aard;
de dader was zich bewust van feitelijke omstandigheden die het bestaan van een gewapend conflict aantoonden.
Voor de invulling van deze bestanddelen heeft het hof aansluiting gezocht bij het toepasselijke internationale recht.
1.
De dader heeft zich bepaalde goederen toegeëigend
Het begrip “plundering” omvat de ongeoorloofde toe-eigening of verkrijging van een bepaald goed voor eigen gebruik of dat van een derde tegen de wil van de rechthebbende eigenaar. [4] Uit de jurisprudentie van het Internationale Strafhof komt naar voren dat de term “toe-eigenen” impliceert dat de dader controle over een bepaald goed heeft uitgeoefend en er bezit van heeft genomen. [5] Plundering kan daarbij betrekking hebben op alle soorten eigendom: zowel privaat als publiek, en zowel roerend als onroerend. [6] Het begrip omvat zowel georganiseerde of systematisch inbeslagname van eigendommen, als toe-eigening door individuele soldaten voor eigen gewin. [7]
Plundering is niet beperkt tot situaties waarin de dader het geroofde eigendom rechtstreeks van de eigenaar heeft ontvreemd. Uit het Commentaar van het Internationale Comité van het Rode Kruis blijkt dat het verbod op plundering zich mede uitstrekt tot indirecte plundering waarbij de dader het goed heeft gekocht of ontvangen in de wetenschap dat het illegaal is verkregen tijdens een gewapend conflict. [8] Als sprake is van een onrechtmatige inbreuk op eigendomsrechten, is het daarom niet nodig te bewijzen dat de vermeende dader betrokken was bij de oorspronkelijke onrechtmatige toe-eigening. [9] In een recente Duitse zaak oordeelde het Oberlandesgericht in Düsseldorf eveneens dat:
“Met betrekking tot de toe-eigening van het huis door verdachte en M.D. is het van geen belang dat het tevoren door IS was geannexeerd en onder zijn beschikking was geplaatst, omdat het begrip toe-eigening niet beperkt is tot de eerste overname van het goed tegen de wil van of zonder toestemming van de rechthebbende […].” [10]
i.
Stad of plaats, ook wanneer deze bij aanval wordt ingenomen
Artikel 6, derde lid, onder e, Wim stelt het plunderen van “een stad of plaats” strafbaar. De Elementen van Misdrijven bevatten echter geen bestanddeel dat hier invulling aan geeft. In recente jurisprudentie van het Internationale Strafhof is de betekenis van deze zinsnede sterk genuanceerd. Trial Chambers van het Internationale Strafhof vereisen niet langer dat toe-eigening op tamelijk grote schaal heeft plaatsgevonden, waardoor ook individuele gevallen van plundering onder dit verbod kunnen worden geschaard. [11]
De formulering “ook wanneer deze bij aanval wordt ingenomen” dient ter onderstreping dat het verbod op plundering van toepassing is op alle verschillende soorten militaire situaties, ongeacht of een bepaald gebied met geweld is veroverd of dat de vijandelijke troepen zich hebben overgegeven. [12]
Tegenpartij
Niet vereist is dat de toe-eigening betrekking heeft gehad op goederen die toebehoorden aan personen die tot de tegenpartij werden gerekend. Zoals de Pre-Trial Chamber van het Internationale Strafhof in de zaak-Abd-Al-Rahman stelde, doet de status van de slachtoffers niet ter zake. Wat telt, is dat de goederen zijn ontvreemd zonder toestemming van de rechtmatige eigenaar en dat er geen militaire rechtvaardiging bestond voor de inbeslagneming van de goederen. [13]
2.
De dader beoogde de eigenaar van de goederen te beroven en deze voor privé- of persoonlijk gebruik toe te eigenen
Plundering vereist dat de dader het oogmerk heeft gehad om de eigenaar van zijn of haar bezit te beroven en het toe te eigenen voor privé- of persoonlijk gebruik. [14] De term “beroven” betekent in deze context dat voor plundering dient te worden aangetoond dat de dader specifiek de bedoeling heeft gehad om de eigenaar te verhinderen zijn of haar eigendom te bezitten of er gebruik van te maken. [15] Volgens de Trial Chamber van het Internationale Strafhof in de zaak-Bemba wijst het gebruik van het voegwoord “of” erop dat ook situaties waarin de dader niet van plan was de geroofde eigendommen zelf te gebruiken onder de formulering “privé- of persoonlijk gebruik” kunnen worden geschaard. Deze zinsnede dient ertoe om een beter onderscheid te maken tussen plundering en andere vormen van toe-eigening die onder omstandigheden gerechtvaardigd kunnen zijn, zoals inbeslagname (“seizure”), het maken van oorlogsbuit (“booty”) of uit militaire noodzaak. [16]
Naar het oordeel van de Trial Chamber van het Internationale Strafhof in de zaak-Katanga kan dit oogmerk uit de specifieke gedragingen van de dader worden afgeleid. [17]
Naast het vereiste oogmerk, zijn ook de criteria van opzet en wetenschap zoals omschreven in artikel 30 RS Pro van toepassing op plundering als oorlogsmisdrijf. Volgens de Trial Chamber in de zaak-Katanga dient in dat kader te worden bewezen dat de dader opzettelijk handelde of naliet te handelen 1) om zo bepaalde goederen toe te eigenen, of 2) terwijl hij of zij zich ervan bewust was dat de ontneming in de normale gang van zaken zou plaatsvinden. [18]
3.
De toe-eigening vond plaats zonder toestemming van de eigenaar
Het derde element van plundering vereist dat de toe-eigening zonder toestemming van de eigenaar heeft plaatsgevonden. De Trial Chamber in de zaak-Bemba wijst er in dat kader op dat de toe-eigening niet gepaard hoeft te gaan geweld. [19] Uit vaste jurisprudentie van het Internationale Strafhof blijkt dat wanneer de eigenaar is gevlucht, moet worden aangenomen dat toe-eigening zonder zijn of haar toestemming heeft plaatsgevonden, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Wanneer spullen worden meegenomen uit een leegstaand huis waarvan de bewoners zijn gevlucht, kan daaruit het ontbreken van toestemming van de eigenaar worden afgeleid. [20]
Ingevolge het bepaalde in artikel 30, derde lid, Statuut, moet de dader tevens hebben geweten dat de toe-eigening zonder de toestemming van de eigenaar plaatsvond. In situaties waarin de dader het eigendom heeft toegeëigend in afwezigheid van de eigenaar of onder dwang, kan worden aangenomen dat de dader wist dat de eigenaren geen toestemming hadden gegeven. [21]
4.
Deze gedraging vond plaats in de context van en hield verband met een gewapend conflict van niet-internationale aard
en
5.
de dader was zich bewust van feitelijke omstandigheden die het bestaan van een gewapend conflict aantoonden
i.
Het bestaan van een niet-internationaal gewapend conflict
Een gewapend conflict wordt aangemerkt als van niet-internationale aard indien er sprake is van gewapend geweld van ten minste de minimale vereiste intensiteit tussen overheidsautoriteiten en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling. [22] Een dergelijk conflict dient te worden onderscheiden van gevallen van interne onlusten en spanningen zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere handelingen van vergelijkbare aard. [23] Ingevolge vaste jurisprudentie van onder andere het Internationale Strafhof dient dit onderscheid te worden gemaakt aan de hand van twee criteria, te weten: 1) de intensiteit van het conflict; en 2) de organisatiegraad van de strijdende partijen. [24]
a.
Mate van intensiteit van het conflict
Voor de beoordeling of het gewapende conflict reeds een voldoende mate van intensiteit had bereikt op het moment dat de tenlastegelegde feiten werden gepleegd, zijn de onder meer de volgende factoren relevant:
de ernst en frequentie van de aanvallen en gewapende confrontaties;
de geografische spreiding van de confrontaties en het vermogen van de groep om grondgebied gedurende een bepaalde periode te controleren;
de vraag of er bevelen voor een staakt-het-vuren werden uitgevaardigd of overeengekomen;
het type en aantal ingezette legereenheden, inclusief eventuele betrokkenheid van de regering;
het type wapens dat werd gebruikt;
de vraag of de situatie de aandacht heeft getrokken van de VN-Veiligheidsraad of de betrokkenheid van andere internationale organisaties;
de vraag of de strijdende partijen zich gebonden achtten aan het internationale humanitaire recht; en
de gevolgen van het geweld voor de burgerbevolking, inclusief het aantal slachtoffers, de omvang van de materiele schade en het aantal ontheemden. [25]
De intensiteit van het conflict en het aanhoudende karakter van de gewelddadigheden vereisen niet dat de gewelddadigheden voortdurend en volledig onafgebroken plaatsvinden. Indien er in een bepaalde periode geen directe confrontaties plaatsvonden, kan het feit dat een niet-statelijke partij bij het conflict controle over een deel van het grondgebied uitoefende een indicator zijn van de intensiteit van het conflict, aangezien dit aantoont dat de wederpartij niet in staat of niet bereid was deze territoriale controle aan te vechten. [26]
Georganiseerde gewapende groepering
Of een gewapende groepering kan worden aangemerkt als een “georganiseerde gewapende groepering” in de zin van artikel 8, tweede lid, onder f, Statuut, kan onder meer worden vastgesteld aan de hand van de volgende factoren:
het bestaan van een commandostructuur, het bestaan van een hoofdkwartier, het uitgeven van politieke verklaringen en het gebruik van officiële woordvoerders;
de operationele capaciteit van de gewapende groep, die bijvoorbeeld kan blijken uit het vermogen om een uniforme militaire strategie te definiëren, de inzet van militaire tactieken, het vermogen om (grootschalige of gecoördineerde) operaties uit te voeren, de controle over grondgebied en het hebben van een territoriale indeling in verantwoordelijkheidszones;
de logistieke capaciteit van de gewapende groep, die onder andere blijkt uit het bestaan van een toeleveringsketen voor militair materieel, evenals uit het vermogen van de groep om troepen te verplaatsen en personeel te rekruteren en te trainen;
het bestaan van een intern disciplinair systeem en het vermogen om het internationaal humanitair recht ten uitvoer te leggen; en
het vermogen van de groep om met één stem te spreken, wat bijvoorbeeld blijkt uit het vermogen van de leiding om namens haar leden op te treden bij politieke onderhandelingen en overeenkomsten te sluiten, zoals staakt-het-vuren of vredesakkoorden. [27]
Uit internationale jurisprudentie volgt dat beoordeling holistisch dient te worden uitgevoerd, rekening houdend met de specifieke context van de zaak en alle feiten die zijn vastgesteld op basis van geloofwaardig en betrouwbaar bewijs. Er bestaat geen uitputtende lijst met criteria waaraan moet worden voldaan om het organisatieniveau te bereiken. Tevens betekent het feit dat aan één of meer criteria niet is voldaan, niet noodzakelijkerwijs dat een gewapende groep niet over het vereiste organisatieniveau beschikte. [28]
Het is niet noodzakelijk om ook een juridische beoordeling van de organisatiegraad van het staatsleger uit te voeren, aangezien de toepassing van het internationaal humanitair recht op een potentiële situatie van niet-internationaal gewapend conflict waarbij regeringstroepen betrokken zijn, enkel afhangt van de organisatiegraad van de partij die zich tegen de regering verzet, en niet van de wijze waarop de regering is georganiseerd. [29]
Een nauw verband (nexus) tussen het gewapend conflict en het onderliggende misdrijf
Om als oorlogsmisdrijf te kwalificeren, moet het vermeende misdrijf zijn gepleegd “in de context van […] en geassocieerd met een gewapend conflict van niet-internationale aard”. Uit internationale jurisprudentie van onder meer het Internationale Strafhof komt naar voren dat de gedraging nauw verbonden moet zijn met de vijandelijkheden die plaatsvinden in enig deel van het gebied dat wordt gecontroleerd door de partijen bij het conflict. Het gewapend conflict hoeft op zich niet als de grondslag van de gedraging te worden beschouwd en de gedraging hoeft evenmin te hebben plaatsgevonden te midden van het gevecht. Desalniettemin moet het gewapend conflict een belangrijke rol spelen in de beslissing van de dader, in zijn of haar vermogen het misdrijf te plegen of in de wijze waarop het misdrijf uiteindelijk is begaan. [30]
Bij de beoordeling of de misdrijven voldoende verband houden met het gewapende conflict, kan rekening houden met factoren zoals: i) de status van de dader en het slachtoffer, en of zij een rol hadden in de gevechten; ii) of de handeling kan worden beschouwd als een ultiem doel van een militaire campagne; en iii) of het misdrijf is gepleegd als onderdeel van, of in de context van, de officiële taken van de dader. [31]
Wetenschap van de feitelijke omstandigheden die het bestaan van een gewapend conflict aantonen
Tot slot bepalen de Elementen van Misdrijven dat een verder gemeenschappelijk element van oorlogsmisdrijven is dat “de dader zich bewust was van feitelijke omstandigheden die het bestaan van een gewapend conflict vaststelden”. In dit verband geeft de Inleiding bij Artikel 8 van Pro de Elementen van Misdrijven de volgende toelichting:
( a) er is geen vereiste dat de dader een juridische beoordeling maakt over het bestaan van een gewapend conflict of over het internationale dan wel niet-internationale karakter daarvan;
(b) in dat kader is er geen vereiste dat de dader zich bewust is van de feiten die het karakter van het conflict als internationaal of niet-internationaal aantonen;
(c) er is alleen vereist dat de dader zich bewust is van de feitelijke omstandigheden waaruit het bestaan van een gewapend conflict blijkt, zoals impliciet besloten ligt in de woorden “vond plaats in de context van en was geassocieerd met”. [32]
8.3.3.
Beoordeling
8.3.3.1. De woning in Atme
Atme is een dorp in de Syrische provincie Idlib, nabij de Turkse grens. Voorafgaand aan het gewapende conflict in Syrië telde deze plaats zo’n 4000 inwoners. Toen het conflict was uitgebroken, ontstond er al snel een geïmproviseerd vluchtelingenkamp bij dit dorp, nadat Turkije de grenzen met Syrië in augustus-september 2012 had gesloten. In het kamp vonden vluchtelingen uit andere delen van Syrië onderdak in de hoop de grens met Turkije over te kunnen steken. In december 2013 zouden er al 30.000 vluchtelingen in het kamp hebben verbleven.
Atme is tevens een dorp waar veel buitenlandse strijders terechtkwamen nadat ze de grens met Turkije waren overgestoken. In september 2013 zouden er al meer dan 1000 jihadisten in en om Atme verblijven.
In december 2013 valt Atme in handen van ISIS. Druzen in verschillende dorpen in de omgeving moesten zich bekeren tot de soennitische islam of vluchtten. Ook veel soennitische inwoners uit Atme en omgeving vluchtten voor ISIS. De huizen van gevluchte inwoners van Atme werden door ISIS geconfisqueerd. Terwijl Atme verandert in een groot en almaar groeiend vluchtelingenkamp, nemen strijders de huizen in bezit en leven er in relatief comfortabele omstandigheden.
Op 4 en 5 januari 2014 wordt Atme zonder bloedvergieten overgenomen door de groepering Jabhat al-Nusra. Veel buitenlandse strijders sluiten zich in die periode achtereenvolgens aan bij verschillende strijdgroepen. In de periode 2013-2015 waren er veel facties en partijen, maar het personeel bleef hetzelfde.
In de periode van 1 tot en met 30 april 2014 heeft de verdachte samen met haar toenmalige echtgenoot [echtgenoot 1] in Atme gewoond. [echtgenoot 1] was, zoals hierboven vastgesteld, in deze periode lid van Jabhat al-Nusra. De verdachte heeft verklaard dat [echtgenoot 1] de woning waar zij verbleven had ‘geregeld’. Zij wist niet hoe hij aan de sleutel van deze woning kwam. Het betrof een groot wit huis met drie à vier kamers en een dakterras op de bovenverdieping. De verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat zij en [echtgenoot 1] geen huur betaalden voor deze woning, maar zij heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij en [echtgenoot 1] voor alle woningen huur zouden hebben betaald. De verdachte heeft gezien dat in de woning spullen lagen van andere mensen. Zij heeft verklaard dat dit “vermoedelijk” spullen waren van mensen die daar hadden gewoond en “weg waren gegaan”. Er lagen matrassen en keukenspullen, waaronder pannen, een druiprek en een kookplaat met drie pitten. Ook lagen er kinderslippers, een rieten tapijt en in de douche was er nog zeep. Er zat nog eten in de pannen waar geen schimmel op stond, dus het leek er niet op dat het er al lang stond. De verdachte heeft verklaard dat zij hierdoor de indruk kreeg dat de “eigenlijke bewoners” nog wel terug hadden kunnen komen. Ze had de indruk dat deze mensen in alle haast hun woning hadden verlaten en mogelijk gevlucht waren, in ieder geval ongepland waren weggegaan. Mogelijk waren deze mensen uit angst op de vlucht geslagen toen Jabhat al-Nusra in de omgeving kwam. Niet iedereen wilde zich houden aan de regels die deze strijdgroep stelde, zoals het dragen van gezichtsbedekkende kleding, aldus de verdachte. Ze vond het “gek” dat zij gebruik moest maken van spullen van andere mensen die daar hadden gewoond. Ze heeft dit tegen [echtgenoot 1] gezegd. Hij heeft toen de spullen van die andere mensen weggegooid en vervolgens hebben zij samen nieuwe spullen gekocht.
Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat de verdachte zich de woning in Atme heeft toegeëigend, dat zij de intentie had om de eigenaar te beroven van de woning en deze voor privé- of persoonlijk gebruik toe te eigenen en dat de toe-eigening plaatsvond zonder toestemming van de eigenaar.
Zoals volgt uit de hiervoor vastgestelde feiten, waren in de periode 2013-2014 verschillende jihadistische groeperingen – waaronder ISIS en Jabhat al-Nusra – actief in Atme en omgeving. Veel inwoners van dit dorp – onder wie religieuze minderheden – werden verdreven of sloegen op de vlucht. De huizen en overige bezittingen van deze gevluchte inwoners werden in beslag genomen door jihadistische groeperingen ten behoeve van buitenlandse strijders en hun gezinnen die daar in relatief comfortabele omstandigheden konden leven.
De manier waarop de verdachte en [echtgenoot 1] de woning in Atme hebben verkregen, past binnen dat patroon. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat [echtgenoot 1] – die in deze periode lid was van Jabhat al-Nusra – de woning heeft ‘geregeld’. Waar aanvankelijk ISIS de huizen van gevluchte inwoners uit Atme op grote schaal en systematisch confisqueerde om deze aan buitenlandse strijders ter beschikking te stellen, blijkt uit het dossier dat – na overname van dit grensdorp door Jabhat al-Nusra – voormalige IS-strijders gemakkelijk van groepering veranderden. Naar het oordeel van het hof maakt dat de voortzetting van IS-beleid onder Jabhat al-Nusra aannemelijk.
In de woning trof de verdachte spullen aan die aan andere mensen toebehoorden, waaronder een pan met rijst en kinderslippers. De aanwezigheid van deze spullen wekte bij haar de indruk dat “mensen de woning gehaast hadden verlaten” en dat “de eigenlijke bewoners nog wel terug hadden kunnen komen.” Het hof leidt hieruit af dat de verdachte wist dat de woning niet aan haar en [echtgenoot 1] toebehoorde. Een verdere aanwijzing dat de verdachte en [echtgenoot 1] niet op een legale manier aan de woning zijn gekomen, ziet het hof in de verklaring van de verdachte in eerste aanleg dat volgens haar geen huur voor de woning in Atme werd betaald. De gewijzigde verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep dat zij en [echtgenoot 1] voor “alle woningen” huur hebben betaald, acht het hof onaannemelijk. De verdachte heeft dit niet eerder verklaard en heeft hier ook geen concrete details over kunnen aandragen.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de woning werd gebruikt voor kort verblijf door mensen op doorreis, acht het hof in het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden ook niet aannemelijk.
Dat de verdachte de intentie had om de woning af te nemen van de eigenaar en deze te gebruiken voor privé- of persoonlijk gebruik, leidt het hof af uit de uiterlijke verschijningsvorm van haar handelen. Blijkens de verklaring van de verdachte hebben zij en [echtgenoot 1] gedurende een maand in de woning gewoond en waren zij in het bezit van de sleutel. Op deze manier hebben zij mede voorkomen dat de rechthebbende eigenaar kon terugkeren naar zijn of haar woning en daarvan gebruik kon maken.
Uit de omstandigheid dat de woning grotendeels leeg stond en de oorspronkelijke bewoners niet aanwezig waren, terwijl verschillende jihadistische groeperingen controle over Atme wisten uit te oefenen en vele inwoners voor die groeperingen zijn gevlucht, leidt het hof af dat de verdachte en [echtgenoot 1] zonder toestemming van de rechthebbende eigenaar hun intrek in de woning hebben genomen. Het hof betrekt hierbij ook de staat waarin de verdachte de woning aantrof: er zat nog eten in de pannen, er lagen kinderslippers en er lag zeep in de douche. Dit alles duidt op een overhaast vertrek van de vorige bewoners.
Het voorgaande geldt ook voor de goederen die zich in de woning bevonden toen de verdachte en [echtgenoot 1] daar hun intrek namen. De verdachte en [echtgenoot 1] hebben deze huisraad weggegooid en er dus over beschikt alsof het hun persoonlijk eigendom was. Daarmee hebben zij zich de goederen toegeëigend.
De verdachte heeft hierbij nauw en bewust samengewerkt met [echtgenoot 1] en onbekende strijders van Jabhat al-Nusra. Waar Jabhat al-Nusra de woning aanvankelijk heeft geconfisqueerd, hebben de verdachte en [echtgenoot 1] zich deze toegeëigend voor persoonlijk gebruik. Het hof overweegt in dat kader dat het oorlogsmisdrijf plundering niet slechts beperkt is tot de eerste overname van het goed zonder toestemming van de rechthebbende eigenaar, maar zich mede uitstrekt over daaropvolgende overnames waarbij de dader wist dat het goed illegaal was verkregen gedurende een gewapend conflict. [33]
Anders dan de verdediging heeft bepleit, is het hof van oordeel dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om van medeplegen te kunnen spreken. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte en [echtgenoot 1] gezamenlijk hun intrek in de woning hebben genomen, waartegen de verdachte zich op geen enkele manier heeft verzet. Bovendien hebben de verdachte en [echtgenoot 1] – op haar initiatief – de spullen van de oorspronkelijke bewoners weggegooid en nieuwe spullen gekocht om in de woning te gebruiken.
8.3.3.2. De woning in Tallabyad
In 2011 telde de stad Tallabyad ongeveer 20.000 inwoners. Na de inname door ISIS in juli 2013, zou ongeveer de helft van de inwoners de stad hebben verlaten. Op 21 juli 2013, ontvluchtten Koerdische inwoners de stad nadat ISIS een ultimatum heeft uitgevaardigd: zij moesten vertrekken of zouden worden gedood. Ook Turkmeense en Arabische gezinnen verlieten daarop de stad. ISIS-strijders hebben daarop systematisch bezittingen van onder meer gevluchte Koerdische inwoners, aanhangers van het Assad-regime en leden van het Vrije Syrische leger, geplunderd en vernield.
Uit het dossier blijkt dat leden van ISIS salarissen ontvingen, van maaltijden werden voorzien, en, wanneer zij gingen trouwen, er huizen en meubilair voor hen werden geregeld. Huizen van mensen die al gevlucht waren werden ingenomen door ISIS en werden gratis of tegen betaling aan de leden van de organisatie gegeven. Het meubilair van geconfisqueerde huizen werd ofwel aan de nieuwe gebruiker van het huis verstrekt, ofwel afgevoerd naar opslaglocaties van ISIS. ISIS-strijders konden ook een aanvraag voor meubelen indienen.
De verdachte heeft bevestigd dat [echtgenoot 1] in Tallabyad 100 dollar per maand voor hen beiden ontving. [de tweede vrouw] heeft in deze periode het volgende Whatsapp-bericht gestuurd: “
Huur elektriciteit alles gratis fisabilAllah, vooral omdat mn man vecht fisabilAllah bij Dawlah (is)”.
Over het beleid van IS om huizen en andere bezittingen van ongelovigen in beslag te nemen, heeft de verdachte verklaard:

De mensen die in de Islamitische Staat wilden blijven konden blijven in hun woningen en de andere moesten weg of gingen zelf weg. Het klopt dat die mensen eigenlijk hun huis uit werden gejaagd. Het was mogelijk om de huizen van die mensen te gebruiken. Er woonde niemand meer. Ik had geen keus. Ik heb inderdaad gezegd dat het te rechtvaardigen is dat mensen die zich niet aan de regels van de islamitische staat houden dat dan de consequentie is. Op dat moment dacht ik dat ook.
De verdachte en [echtgenoot 1] zijn van Atme naar Tallabyad verhuisd, waar zij van 1 mei 2014 tot en met 31 januari 2015 hebben gewoond. [echtgenoot 1] heeft zich bij aankomst in Tallabyad wederom aangesloten bij IS.
De verdachte heeft verklaard dat de woning in Tallabyad beter en mooier was dan het woning in Atme. Zij wist niet van wie deze woning was. [echtgenoot 1] had haar verteld dat zij de woning van IS hadden gekregen. Zij wist niet of zij huur voor deze woning betaalden; ze heeft in elk geval nooit gezien dat er huur werd betaald. Wel hadden zij een sleutel van deze woning. In eerste instantie heeft de verdachte verklaard dat de woning deels gemeubileerd was: er stonden bankstellen in, er lagen matjes op de grond, de woonkamer was ingedeeld en de keuken had een koelkast. Andere spullen hadden zij van dezelfde vriend gekregen die hen ook de woning had geschonken. De verdachte weet niet hoe deze vriend heette. Zij heeft zich wel afgevraagd hoe het kan dat het allemaal giften waren, maar zij heeft het niet aan [echtgenoot 1] gevraagd.
In november 2014 is [echtgenoot 1] met [de tweede vrouw] getrouwd en is [de tweede vrouw] bij [echtgenoot 1] en de verdachte ingetrokken. De verdachte heeft tot februari 2015 in Tallabyad gewoond en is daarna met [echtgenoot 1] en [de tweede vrouw] naar Raqqa vertrokken. Zij hebben de spullen uit de woning in Tallabyad – waaronder een bankstel, een matras en de koelkast – meegenomen naar hun nieuwe woning.
Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat de verdachte zich de woning in Tallabyad heeft toegeëigend, dat zij de intentie had om de eigenaar te beroven van de woning en deze voor privé- of persoonlijk gebruik toe te eigenen en dat de toe-eigening plaatsvond zonder toestemming van de eigenaar.
Zoals volgt uit de hiervoor vastgestelde feiten, is de stad Tallabyad in juli 2013 in handen van IS gevallen, waarna ongeveer de helft van de inwoners van de stad op de vlucht is geslagen of is verdreven. De huizen van mensen die waren gevlucht werden op grote schaal en systematisch door IS geconfisqueerd en gratis of tegen betaling aan leden van de organisatie ter beschikking gesteld. IS-leden konden gebruik maken van de reeds aanwezige inboedel of een aanvraag indienen voor andere meubels.
De wijze waarop de verdachte en [echtgenoot 1] aan de woning in Tallabyad zijn gekomen past binnen dit beleid. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [echtgenoot 1] de woning had verkregen via IS. Zij heeft nooit gezien dat er huur voor de woning werd betaald. De gewijzigde verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep dat zij en [echtgenoot 1] voor ‘alle woningen’ huur hebben betaald acht het hof onaannemelijk. De verdachte heeft dit niet eerder verklaard en heeft hier ook geen concrete details over kunnen aandragen. Ook de verklaring van de verdachte dat zij de woning en een deel van de inboedel geschonken heeft gekregen van een vriend van [echtgenoot 1], acht het hof onaannemelijk, mede in aanmerking genomen dat de verdachte niet weet hoe deze vriend heet en geen beschrijving van hem heeft gegeven.
De verdediging heeft aangevoerd dat zij een contra-indicatie ziet voor de vaststelling dat de woning afkomstig is uit plundering in het gegeven dat de verdachte geen markering op de woning in Tallabyad heeft gezien. Uit de verklaring van de getuige [getuige] waarin hij stelt dat de huizen werden gemarkeerd met een symbool (een rondje met een X), een vlag of een uitgeprinte foto van de IS-vlag, leidt het hof echter af dat niet alle geconfisqueerde huizen een permanente markering bevatten. Dat niet kan worden vastgesteld dat de woning in de Koerdische wijk stond doet evenmin ter zake, nu vast staat dat niet alleen de Koerdische inwoners zijn verdreven, maar de helft van de oorspronkelijke bewoners van Tallabyad de stad zijn ontvlucht.
Dat de verdachte de intentie had om de woning af te nemen van de eigenaar en deze te gebruiken voor privé- of persoonlijk gebruik, leidt het hof wederom af uit de uiterlijke verschijningsvorm van haar handelen. Door onder de hierboven beschreven omstandigheden gedurende acht maanden hun intrek te nemen in de woning waarvan zij de sleutel bezaten, hebben de verdachte en [echtgenoot 1] de woning toegeëigend voor persoonlijk gebruik en op deze manier mede voorkomen dat de rechthebbende eigenaars terug konden keren naar huis en gebruik konden maken van hun eigendom. Dat de verdachte en [echtgenoot 1] geen toestemming hadden voor het gebruik van de woning, leidt het hof af uit de afwezigheid van de eigenaars bezien in combinatie met de contextinformatie en het gegeven dat de woning door IS aan de verdachte en [echtgenoot 1] is toegekend. Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd waarin zij in algemene zin heeft bevestigd dat die mensen hun huis uit werden gejaagd en dat zij het destijds te rechtvaardigen vond dat deze mensen werden onteigend, blijkt dat zij zich ervan bewust is geweest dat de toe-eigening van de woning in Tallabyad zonder toestemming heeft plaatsvonden.
Het voorgaande geldt ook voor de inboedel die zich reeds in de woning bevond. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat de woning gedeeltelijk gemeubileerd was. Er stonden bankstellen in, er was airconditioning, er lagen matjes op de grond, de woonkamer was helemaal ingedeeld en de keuken had een koelkast en een oven. De spullen uit de woning in Tallabyad – waaronder een bankstel en de koelkast – hebben de verdachte en [echtgenoot 1] bij vertrek meeverhuisd naar Raqqa. De verdachte heeft hierover verklaard dat zij hun
eigenspullen hadden meegenomen. Uit deze verklaring blijkt dat de verdachte deze goederen voor eigen gebruik heeft toegeëigend. Door de spullen mee te verhuizen naar een andere stad, zijn deze goederen permanent aan het eigendom van de rechthebbende eigenaar onttrokken.
De verdachte heeft hierbij nauw en bewust samengewerkt met [echtgenoot 1] en IS.
8.3.3.3. Het ‘verfhuisje’ in Raqqa
Voor het gewapend conflict in Syrië uitbrak, telde de stad Raqqa ongeveer 220.000 inwoners, waarvan 1% christen was. Door de vele vluchtelingen uit andere delen van Syrië die hun toevlucht zochten in de stad, steeg de bevolking tot ruim 800.000 inwoners in maart 2013. Begin 2014 valt de stad in handen van IS. In februari van dat jaar stelde IS een ultimatum aan de christenen die op dat moment nog aanwezig zijn in de stad: ze moeten kiezen tussen zich bekeren tot de islam of zich onderwerpen aan de regels van IS, zoals het betalen van religieuze belasting en zich houden aan bepaalde kledingvoorschriften. Wie zich niet bekeert en zich niet houdt aan de regels van dit zogenaamde
dhimmi-verbond, wordt beschouwd als vijand van de islam en mag worden gedood. De bezittingen van deze personen mogen in beslag genomen worden. Veel christenen ontvluchtten de stad, maar enkele van hen bleven om hun bezittingen veilig te stellen. Huizen, bedrijven en auto’s van christenen die de stad wel hadden verlaten, werden door IS in beslag genomen. In de huizen werden IS-strijders gehuisvest of ze werden door IS verhuurd. Van christenen die de stad voor korte tijd verlieten en niet op tijd terugkeerden, werden de bezittingen eveneens geconfisqueerd.
In februari 2015 heeft de verdachte gedurende twee weken haar intrek genomen in een klein huisje. Ze heeft verklaard dat dit geen mooie woning was, de verf bladderde van de muur. Zij noemde deze woning het ‘verfhuisje’. [echtgenoot 1] had deze woning ‘gevonden’. Het was heel klein, het stonk er naar het riool en het toilet werkte niet. Er was maar één slaapkamer en de ramen waren kapot. De verdachte vermoedde dat dit door de bombardementen kwam. Er lagen geen spullen van andere mensen in de woning; zij hadden hun eigen spullen meegenomen. De verdachte woonde in dit huisje, het was van haar. Op dagen dat zij met [echtgenoot 1] was, bezocht hij haar in dat kleine oude huisje. Op andere dagen logeerde ze in de villa van een andere vrouw. Zij wilde niet in het verfhuisje blijven, omdat het er vies was. Na twee weken is zij samen met [de tweede vrouw] in een andere woning ingetrokken, totdat [echtgenoot 1] een woning dichtbij het Wattani-ziekenhuis voor haar had gevonden.
Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat de verdachte zich het verfhuisje in Raqqa heeft toegeëigend, dat zij de intentie had om de eigenaar te beroven van de woning en deze voor privé- of persoonlijk gebruik toe te eigenen en dat de toe-eigening plaatsvond zonder toestemming van de eigenaar.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de eigenaar van de woning afwezig was. [echtgenoot 1] heeft de woning leeg en met gebroken ramen aangetroffen. Daarop hebben hij, de verdachte en [de tweede vrouw] hun intrek in de woning genomen. Er is geen enkele aanwijzing dat de verdachte of [echtgenoot 1] toestemming had van de rechthebbende eigenaar om in de woning te gaan wonen of dat zij huur hebben betaald. De verdachte heeft zich het verfhuisje toegeëigend met de intentie om de woning van de rechthebbende eigenaar te ontnemen en voor eigen gebruik in bezit te nemen. Ze heeft immers haar eigen spullen in het verfhuisje neergezet en beschouwde de woning blijkens haar verklaring als haar eigendom.
Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [echtgenoot 1] en [de tweede vrouw].
8.3.3.4. Overige woningen in Raqqa
Nadat de verdachte het verfhuisje had verlaten, is zij op enig moment ingetrokken in een woning dichtbij het Wattani-ziekenhuis. Zij heeft verklaard dat [echtgenoot 1] deze woning voor haar had geregeld via ‘een soort makelaar’ die huizen verhuurde. De woning was gemeubileerd. Er stond een bank in, stoelen, een tafel en er was airconditioning. In de slaapkamer stond een tweepersoonsbed, er was ook airco, een kaptafel met een spiegel, twee kastjes voor naast het bed, min de keuken stond bijna niets. De verdachte heeft van [echtgenoot 1] een koelkast en wasmachine gekregen. Er was ook stroom en warm water.
De verdachte heeft verklaard dat ze [echtgenoot 1] met de huurbaas heeft zien praten, dus “het leek echt alsof het huis was bedoeld om te verhuren”. [echtgenoot 1] heeft haar ook verteld dat hij huur moest betalen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de huurbaas ook aan de deur is geweest voor de huur.
Op een later moment is de verdachte samen met [de tweede vrouw] in een villa gaan wonen. [de tweede vrouw] woonde beneden en de verdachte boven. In de ruimte van de verdachte stonden de bank, het bed, de koelkast en de wasmachine die de verdachte, [echtgenoot 1] en [de tweede vrouw] hadden meegenomen uit Tallabyad.
Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich de woning bij het ziekenhuis zonder toestemming van de eigenaar heeft toegeëigend, nu onduidelijk is gebleven van wie de woning werd gehuurd: van een burger of van IS.
Met betrekking tot de villa bevat het dossier onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen op welke wijze de woning door de verdachte en [echtgenoot 1] is verkregen.
De verdachte zal in zoverre dus worden vrijgesproken.
8.3.4.
Contextuele elementen van oorlogsmisdrijven
8.3.4.1.
Niet-internationaal gewapend conflict
Het hof heeft reeds in eerdere jurisprudentie vastgesteld dat er in ieder geval in de periode van 1 januari 2012 tot en met 10 oktober 2019 sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië tussen Syrische regeringstroepen en diverse gewapende groeperingen, waaronder Jabhat al-Nusra en ISIL/ISIS/IS. [34] Nu het bestaan van dit gewapende conflict in de tenlastegelegde periode niet door de partijen is betwist, zal het hof volstaan met een verwijzing naar deze eerdere uitspraken.
8.3.4.2. Nexus
De toe-eigening van de woningen in Atme en Tallabyad zonder toestemming van de rechthebbende eigenaars door de verdachte en [echtgenoot 1] vond plaats volgend op de verovering van gebieden door Jabhat al-Nusra of IS. Daarop ontvluchtten etnische en religieuze minderheden deze gebieden en werden hun huizen en overige bezittingen door deze terroristische organisaties in beslag genomen. Deze goederen werden vervolgens aan de leden van de desbetreffende organisatie aangeboden voor persoonlijk gebruik. Op deze wijze hebben de verdachte en [echtgenoot 1] – die lid was van achtereenvolgens Jabhat al-Nusra en IS – ook beschikking gekregen over de woningen in Atme en Tallabyad. Daarmee heeft het gewapende conflict een substantiële rol gespeeld in de mogelijkheid voor de verdachte en [echtgenoot 1] om zich deze woningen toe te eigenen.
Uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat het gewapende conflict ook een substantiële rol heeft gespeeld bij haar beslissing om zich deze huizen toe te eigenen. Op de vraag hoe de verdachte het vond om de woning te gebruiken waarvan zij het idee had dat de mensen net gevlucht waren, heeft zij bijvoorbeeld geantwoord: “Ik had het idee dat het er gewoon bij hoorde, omdat die mensen zich niet aan de regels hadden gehouden en dat dat er dan gewoon bij hoorde. (…) Dat vond ik terecht toen ik in Syrië was.”
Met betrekking tot de toe-eigening van het verfhuisje, overweegt het hof dat deze eveneens plaatsvond volgend op veroveringen van gebied door IS.
De verdachte heeft verklaard dat [echtgenoot 1] deze woning had ‘gevonden’, waarna zij er – in afwezigheid van de eigenaar – hun intrek in hebben genomen. Uit de beschrijving die de verdachte heeft gegeven van de staat van de woning, leidt het hof af dat de eigenaars van het verfhuisje zijn gevlucht voor oorlogsgeweld. De verdachte zegt hierover: “…[D]e ramen waren kapot. Ik vermoed dat dat door de bombardementen kwam.” Daarmee heeft het gewapende conflict een substantiële rol gespeeld in de beslissing en mogelijkheid voor de verdachte, [echtgenoot 1] en [de tweede vrouw] om zich deze woning zich toe te eigenen.
8.3.4.3. Wetenschap van de verdachte van het conflict
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich bewust was van de feitelijke omstandigheden die het bestaan van het gewapende conflict in Syrië aantoonden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij, voordat zij naar Syrië ging, wist dat het een oorlogsgebied was. Ook heeft de verdachte voorafgaande aan haar vertrek een aantal zoektermen opgezocht die in die in verband te brengen zijn met de gewelddadige jihadstrijd in Syrië en Irak. Op het moment van haar uitreis, 12 maart 2014, was het bovendien een feit van algemene bekendheid dat er een gewapend conflict in Syrië gaande was. Uiteraard heeft de verdachte ook tijdens haar verblijf in Syrië wetenschap opgedaan die het bestaan van het conflict bevestigden. Zo heeft zij geleefd in gebied dat onder controle stond van Jabhat al-Nusra en IS, was haar echtgenoot een strijder bij deze gewapende groeperingen, heeft zij bombardementen meegemaakt, en heeft zij gezien dat mensen de stad Raqqa moesten ontvluchten.
8.3.4.4.Conclusie
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte in de periode van 1 april 2014 tot en met 1 maart 2015 te Atme en Tallabyad en Raqqa, in Syrië, tezamen en in vereniging, meermalen, in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië een stad en/of plaats heeft geplunderd.
8.4.
Witwassen
Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde wat betreft de overige woningen in Raqqa, komt het hof in zoverre toe aan beoordeling van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde (witwassen). Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte ook in zoverre dient te worden vrijgesproken. Omdat niet kan worden vastgesteld dat deze woningen en/of de inboedel daarvan zonder toestemming van de eigenaren zijn toegeëigend, kan evenmin worden vastgesteld dat de woningen en/of de inboedel uit enig misdrijf afkomstig zijn.
8.5.
Overwegingen met betrekking tot feiten 4 en 5 (bedreigingen met een terroristisch misdrijf)
Onder 4 is aan de verdachte tenlastegelegd dat zij [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf door op het Twitteraccount met de naam ‘[profielnaam 2]’ [Twitteraccount 2] een Twitterbericht te plaatsen met de tekst: “
Voorbereidingen treffen om [Twitteraccount 4] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”, met daarbij een foto waarop een vuurwapen en reisdocumenten te zien zijn. De politie heeft vastgesteld dat het vuurwapen op de foto een (semi)automatisch vuurwapen, namelijk een AK-47 betreft.
Onder 5 aan de verdachte tenlastegelegd dat zij eind 2014 dan wel begin 2015 [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) heeft bedreigd door via het Facebook-account ‘[Facebook account 3]’ berichten te sturen naar [slachtoffer 2], namelijk:
  • “Staat met smart op jou te wachten Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account”;
  • “En verwijder je uit onze lijsten”.
Naast deze berichten zou de verdachte een foto van een vuurwapen, waarvan de politie heeft vastgesteld dat dit een AK-47 betreft, naar [slachtoffer 2] hebben gestuurd.
8.5.1.
Aangiftes
[slachtoffer 1] heeft op 30 juni 2020 aangifte gedaan van een bedreiging op 9 januari 2015, de datum waarop het bericht is geplaatst. In deze aangifte heeft zij verklaard dat zij schrijver / columnist van beroep is en dat zij veelvuldig bedreigingen heeft ontvangen vanuit islamitische hoek, dat zij de bedreiging ten tijde van het plaatsen direct heeft gezien en dat zij zich zeer bewust was van het de ernst van de situatie en de vrees dat iemand haar van het leven zou willen beroven.
Daarnaast heeft [slachtoffer 2] in 2020 aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte. Uit haar aangifte blijkt dat [slachtoffer 2] begin 2014 werkzaam was als journalist in het Midden-Oosten en daarbij contact heeft onderhouden met Nederlandse uitreizigers, onder wie [echtgenoot 1]. Nadat zij in een artikel zijn
kunyahad genoemd, is volgens [slachtoffer 2] een haatcampagne vanuit de jihadistische hoek gestart tegen haar. In haar aangifte heeft zij verklaard dat zij bang en angstig is geworden, mede doordat zij de verdachte kende en het feit dat in die tijd veel journalisten zijn vermoord door IS.
8.5.2.
Juridisch kader
Tenlastegelegd is – kort gezegd – bedreiging met een terroristisch misdrijf. Daarbij moet het gaan om een terroristisch misdrijf zoals bedoeld in artikel 83 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Voor zover uit artikel 83 Sr Pro volgt dat het terroristische misdrijf waarmee wordt gedreigd het in artikel 83a Sr omschreven ‘terroristisch oogmerk’ vereist, brengt die omstandigheid niet mee dat de verdachte van de bedreiging zelf ook met dit terroristische oogmerk moet hebben gehandeld.
Wel is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden plaatsvindt, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan a) dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Gelet op de omschrijving van een terroristisch oogmerk in artikel 83a Sr brengt dit voor de terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor een veroordeling is vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht (i) de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel
(ii) een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel (iii) de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen.
Daarnaast is voor zo een veroordeling vereist dat het – ten minste voorwaardelijke – opzet van de verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan. [35]
8.5.3.
Beoordeling van feit 4
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte erkend het Twitterbericht gericht aan [slachtoffer 1] te hebben geplaatst via het account [Twitteraccount 2] en dat zij de daarbij gevoegde foto met daarop een vuurwapen en een aantal reisdocumenten heeft gemaakt. Uit haar verklaring in hoger beroep blijkt dat de verdachte de reisdocumenten bij het vuurwapen van [echtgenoot 1] heeft gelegd en op zijn instructies de foto heeft gemaakt en het bericht heeft geplaatst. Zij heeft verklaard dat zij het bericht onder dwang van [echtgenoot 1] heeft geplaatst.
Op grond van de verklaring van de verdachte stelt het hof vast dat de verdachte degene is geweest die het dreigbericht gericht aan [slachtoffer 1] op Twitter heeft geplaatst.
Het hof overweegt – met de rechtbank – dat de verdachte met het misdrijf ‘moord’ heeft gedreigd en dat dit is opgenomen in artikel 83, onder 1, Sr. Dit betreft een terroristisch misdrijf indien dit wordt begaan met een terroristisch oogmerk in de zin van artikel 83a Sr. Bij de beoordeling hiervan neemt het hof in overweging dat de verdachte het bericht heeft geplaatst vanaf een account met een IS-vlag als profielfoto, het bericht heeft afgesloten met de zin ‘met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat’ en dat dit bericht is geplaatst in een tijd waarin (internationaal) bekend was dat IS meermalen journalisten heeft gegijzeld en geëxecuteerd en hier beelden van heeft verspreid. Het hof overweegt voorts dat de verdachte het bericht op het toenmalige Twitter (nu X), een openbaar platform, heeft geplaatst, waardoor willekeurige derden naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de informatie in het bericht konden beschikken, in een tijdsgewricht waarin het niet irreëel was dat in West-Europa levensdelicten zoals aanslagen zouden worden gepleegd door of in naam van IS. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het “van het leven beroven” van [slachtoffer 1] naar objectieve maatstaven kan worden aangemerkt als een misdrijf dat tot oogmerk heeft om de bevolking van een land of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen en dat dit ook zou worden uitgevoerd.
Bij [slachtoffer 1] kon dan ook in redelijkheid de vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd.
Aangezien de verdachte ten tijde van het plaatsen van het bericht achter het IS-gedachtegoed stond (zie hiervoor onder 8.2.3), gezien de aard en bewoordingen van de uitlating, en gezien het feit dat de verdachte naar aanleiding van haar uitlating op verschillende Twittergebruikers heeft gereageerd met: “
Nee hoor, dan kan ik het in de praktijk brengen om vanuit het khalifaat haar even op te zoeken en terug te keren” en “
ze(het hof begrijpt: de reisdocumenten op de afbeelding)
zijn nog niet ingenomen dus klaar voor gebruik”, is het hof van oordeel dat de verdachte met het plaatsen van het bericht opzet heeft gehad op het doen ontstaan van die vrees bij [slachtoffer 1].
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op
9 januari 2015 in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, zoals hierna nader omschreven in de bewezenverklaring.
8.5.4.
Beoordeling van feit 5
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het Facebookaccount ‘[Facebook account 3]’ haar account was, maar dat [echtgenoot 1] degene was die de berichten heeft verstuurd en dat het de bedoeling was dat het moest lijken alsof zij dat had gedaan. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu medeplegen van deze bedreiging niet ten laste is gelegd en de verdachte heeft verklaard dat [echtgenoot 1] de berichten heeft verstuurd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat het Facebookaccount ‘[Facebook account 3]’, waarmee de berichten zijn verstuurd naar [slachtoffer 2], van de verdachte was. Het hof gaat ervan uit dat de berichten die met dit account zijn verstuurd, door de verdachte zijn verstuurd.
De verklaring van de verdachte dat [echtgenoot 1] degene is geweest die de berichten zou hebben gestuurd, acht het hof onaannemelijk, gelet op de woordkeuze van de verzender en de omstandigheid dat de verzender het in de berichten heeft over ‘undercover werk’ en het benaderen van familie van de verzender. In één van de berichten aan [slachtoffer 2] heeft de verzender het namelijk over ‘zwijnen’ en in een later bericht aan haar moeder op 4 augustus 2019 gebruikt de verdachte ook het woord ‘zwijn’ om aan [slachtoffer 2] te refereren. Voorts blijkt uit de verklaringen van de verdachte en haar stiefmoeder dat [slachtoffer 2] bij de woning van de moeder van de verdachte heeft voorgedaan alsof zij bij de politie zat (dus: ‘undercover werkte’) om informatie over de verdachte in te winnen. Aanwijzingen dat [echtgenoot 1] degene was die de berichten heeft gestuurd, zijn er naar het oordeel van het hof niet.
Naar het oordeel van het hof is moord het misdrijf waarmee door de verdachte is gedreigd, nu het in de berichten gaat over het neerschieten van [slachtoffer 2]. Overeenkomstig hetgeen hierover is overwogen onder 8.4.3. is het hof van oordeel dat het misdrijf kan worden gekwalificeerd als een terroristisch misdrijf. De verdachte heeft met haar berichten het oogmerk gehad om een deel van de Nederlandse bevolking ernstige vrees aan te jagen, gelet op het feit dat de bedreigde een journalist was die in het Midden-Oosten heeft gewerkt en over Nederlandse jihadisten heeft geschreven, en gelet op het tijdsgewricht waarin de berichten zijn verstuurd, waarin – zoals reeds eerder overwogen onder 8.4.3. – meerdere journalisten door IS zijn gegijzeld en geëxecuteerd.
Bij [slachtoffer 2] kon dan ook in redelijkheid de vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd.
Het hof is van oordeel dat de verdachte, gelet op de aard en bewoordingen van de uitlating en de omstandigheden waaronder de verdachte deze woorden heeft gebruikt, op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij [slachtoffer 2] de redelijke vrees zou ontstaan dat zij het misdrijf waarmee zij dreigde, daadwerkelijk zou uitvoeren.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015 in Nederland [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, zoals hierna nader omschreven in de bewezenverklaring.
8.6.
Overwegingen met betrekking tot feit 2 (deelname aan een terroristische organisatie)
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij – kort gezegd – in de periode van 16 maart 2014 tot en met 5 januari 2018, al dan niet in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten IS/ISIS/ISIL, een daaraan gelieerde organisatie of een andere organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat.
8.6.1.
Juridisch kader artikel 140a Sr
Deelneming aan – kort gezegd – een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a Sr. Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal eerst worden ingegaan op de relevante juridische kaders.
8.6.1.1. Terroristische organisatie
Volgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie – een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstellingen – moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr Pro, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.
Onder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of van een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
8.6.1.2. Deelneming
Voor deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel l40a Sr is vereist dat (i) de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband, (ii) waarbinnen gedragingen plaatsvinden die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, en (iii) de betrokkene een aandeel heeft in deze gedragingen, dan wel deze gedragingen ondersteunt. Van het ‘ondersteunen’ in de hiervoor bedoelde zin is sprake als de betrokkene met zijn handelen die onder (ii) bedoelde gedragingen bevordert of makkelijker maakt. Dit handelen van de betrokkene moet niet in een te ver verwijderd verband staan tot de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk. Of daarvan sprake is vergt een beoordeling van het concrete geval. [36] Niet iedere bijdrage van een persoon, behorende tot het samenwerkingsverband van de organisatie, leidt aldus tot deelneming in de zin van die bepaling. Er dient een aantoonbare relatie te bestaan tussen de deelnemingsgedraging en het oogmerk van de organisatie.
De deelnemingsgedraging behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te worden. Wel zal feitelijk moeten worden vastgesteld waaruit de deelneming precies heeft bestaan. De deelneming moet voor de verdachte steeds op zichzelf worden beoordeeld. Een aandeel als hiervoor bedoeld kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand-en-spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Of daarvan in een concreet geval sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van dat geval.
8.6.1.3. Opzet
Ten aanzien van het voor de bewezenverklaring vereiste opzet op het terroristische oogmerk van de organisatie geldt dat voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.
8.6.1.4. Jabhat al-Nusra en IS/ISIS/ISIL
Het hof heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat Jabhat al-Nusra en IS/ISIS/ISIL (in zijn algemeenheid ook wel aangeduid als ‘IS’) in de tenlastegelegde periode het oogmerk hadden om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van Jabhat al-Nusra en IS met zich brengt het plegen van terroristische misdrijven. [37] Strijdgroepen als Jabhat al-Nusra en IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door angst, dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, zoals bedoeld in artikel 140a Sr.
8.6.2.
Beoordeling
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden en de overige bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.
De verdachte is zich in 2013 gaan verdiepen in de islam, onder meer via internet, en heeft daarbij kennisgemaakt met de jihadistische ideologie. Zij nam kennis van de strijd in Syrië, en van de overlevering die inhoudt dat de overwinnaars op de dag des oordeels in Syrië zullen samenkomen en van het feit dat een vriendin, [contactpersoon], van plan was om uit te reizen naar Syrië. In februari 2014 is zij via Skype met [echtgenoot 1], een IS-strijder, getrouwd en naar Syrië uitgereisd. De verdachte en [echtgenoot 1] hebben zich vervolgens gevestigd in verschillende woningen, eerst in het gebied van Jabhat al-Nusra en later in het gebied van IS, en een gezamenlijke huishouding gevoerd. Daar heeft zij zich – zoals het hof hiervoor onder 8.3. heeft vastgesteld – schuldig gemaakt aan het medeplegen van oorlogsmisdrijven, te weten de plundering van verschillende huizen en goederen. De verdachte en [echtgenoot 1] kwamen rond van het loon dat [echtgenoot 1] van IS kreeg.
Uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat [echtgenoot 1] beschikte over in ieder geval één vuurwapen (een kalasjnikov) en vanaf hun verblijf in Raqqa ook over een bomgordel. Hij bewaarde deze wapens in de woning waar hij met de verdachte verbleef. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de beschikking gehad over deze wapens, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat zij zowel de kalasjnikov als de bomgordel meermalen heeft gedragen in de openbare ruimte. Na het overlijden van [echtgenoot 1] heeft de verdachte zijn kalasjnikov en bomgordel ontvangen als zijn erfenis.
De verdachte heeft zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van IS eigen gemaakt. Dit blijkt onder meer uit de bedreigingen met terroristisch oogmerk die zij heeft geuit jegens de journalisten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], in een periode waarin IS regelmatig journalisten gijzelde en om het leven bracht, en de berichten en afbeeldingen die zij gedurende haar verblijf in Syrië op sociale media heeft geplaatst. Uit deze berichten blijkt dat zij zich vereenzelvigde met IS. Ook heeft zij het gedachtegoed van Jabhat al-Nusra en IS uitgedragen naar mensen in haar omgeving, onder wie haar moeder, blijkens de berichten aan haar waarin zij het heeft over ‘vieze kuffaar’ en de verplichting voor haar als moslima om in een islamitische staat te wonen. De verbondenheid met in ieder geval IS blijkt onder meer ook uit het bericht aan haar moeder waarin de verdachte als reactie op een gestuurde foto van haar zoon met een jas waarop ‘US Army’ staat vraagt of die jas kan worden verbrand, omdat dat ‘onze vijanden’ zijn.
De verdachte heeft zich gedurende de hele periode van haar huwelijk met [echtgenoot 1] onder het gezag van Jabhat al-Nusra en IS gesteld en zich onderworpen aan de door deze organisaties opgelegde regels van de sharia. Dit was een keuze uit overtuiging. Uit de verklaringen van de verdachte blijkt namelijk dat zij achter de shariaregels, ideologie en gewelddadigheden van IS stond.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ten laste van de verdachte méér kan worden vastgesteld dan het enkel verblijven in gebied onder de feitelijke macht van Jabhat al-Nusra en IS en een gemeenschappelijke huishouding voeren met iemand van deze groeperingen. Zij heeft zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van deze groeperingen eigen gemaakt en zich onder het gezag van deze groeperingen en de daaraan verbonden regels van de sharia gesteld. De verdachte heeft via sociale media bedreigingen geuit naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en zij heeft op sociale media het gedachtegoed van IS verspreid. Ook heeft zij de beschikking gehad over een vuurwapen en een bomgordel en die meermalen gedragen in de openbare ruimte. Het hof is van oordeel dat de bomgordel in rechtstreeks verband kan worden gebracht met de verwezenlijking met het terroristisch oogmerk van IS. Immers stond deze de verdachte ter beschikking, heeft zij deze iedere keer dat zij met [echtgenoot 1] naar buiten ging gedragen, en kan deze bij gebruik letsel en schade veroorzaken en angst bij (een deel van) de bevolking teweeg brengen.
De plunderingen die de verdachte heeft gepleegd, kunnen naar het oordeel van het hof eveneens in rechtstreeks verband worden gebracht met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS. Religieuze en etnische minderheden die door IS als vijanden werden gezien, werden namelijk niet alleen uit door IS bezet gebied verdreven, maar ook hun bezittingen en huizen werden geplunderd. Deze grootschalige plunderingen vonden plaats nadat de oorspronkelijke bewoners vluchtten na de komst van de groepering of nadat de bewoners met geweld uit hun huizen werden gezet. Door IS werden de geplunderde bezittingen gezien als eigendom dan wel oorlogsbuit van de organisatie en (vrijwel) kosteloos toebedeeld aan haar leden. Als religieuze legitimatie voor deze plunderingen werd door IS verwezen naar rechtsleer en andere religieuze bronnen, zodat de plunderingen als gevolg hiervan werden genormaliseerd in het leven in IS-gebied, ten koste van (een deel van) de lokale bevolking.
Naar het oordeel van het hof leveren de hiervoor besproken feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, het vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS en Jabhat al-Nusra, op.
Gelet op al het voorgaande acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan de terroristische organisaties die de gewapende jihadstrijd voorstaat, IS en Jabhat al-Nusra, heeft deelgenomen, zoals bedoeld in artikel 140a Sr, in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 31 december 2016.
8.6.3.
Partiële vrijspraken
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde periode vanaf 1 januari 2017. Het handelen van de verdachte in de periode na het overlijden van [echtgenoot 1] kan niet het voor een bewezenverklaring van deelname vereiste aandeel van de verdachte in gedragingen dan wel het ondersteunen van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van IS opleveren. Hoewel vast is komen te staan dat de verdachte na het overlijden van [echtgenoot 1] de beschikking heeft gehad over het vuurwapen en de bomgordel van [echtgenoot 1], heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat dit nog verband hield met het terroristisch oogmerk van IS of een andere organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij de bomgordel en het vuurwapen niet meer heeft gedragen na het overlijden van [echtgenoot 1] en deze zijn achtergebleven in het ‘opvanghuis’ waarin zij verbleef na zijn overlijden. Het feit dat de verdachte in de maanden na het overlijden van [echtgenoot 1] een uitkering van IS heeft ontvangen, kan in de gegeven omstandigheden weliswaar betekenis hebben in het licht van het al dan niet aangesloten zijn bij IS, maar naar het oordeel van het hof is dit niet redengevend voor de daarnaast vereiste deelnemingshandelingen. [38]
Voor de periode dat de verdachte met [echtgenoot 2] – een IS-strijder – gehuwd was, geldt dat het enkele feit dat zij was getrouwd met een IS-strijder niet leidt tot de conclusie dat de verdachte de vereiste deelnemingshandelingen heeft verricht in deze periode. Zoals het hof hierboven heeft overwogen, levert het voeren van een gezamenlijk huishouden niet de vereiste mate van deelneming op, nodig voor een bewezenverklaring van dit onderdeel. Dat de verdachte, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd, in 2017 nog berichten uit IS-gebied heeft gestuurd, is daarvoor eveneens onvoldoende.
8.7.
Overweging met betrekking tot feit 3 (voorbereidings-/bevorderingshandelingen om terroristische misdrijven te plegen)
Aan de verdachte is tenlastegelegd – kort gezegd – dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, de in de tenlastelegging A tot H genoemde voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als doodslag, moord en/of brandstichting met een terroristisch oogmerk.
Gelet op de hiervoor reeds weergegeven vaststellingen, in samenhang met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof de onder A, B, C, E, G en H opgesomde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals weergegeven in de bewezenverklaring.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze handelingen samen met een of meer anderen heeft gepleegd, zodat zij zal worden vrijgesproken van het medeplegen.
Met de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof hetgeen onder D en F ten laste is gelegd (kort gezegd: het deelnemen aan ideologische en gevechtstrainingen en het deelnemen of bijdragen aan de gewapende jihadstrijd) evenmin wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

9.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
Primair:
zij in
of omstreeksde periode van 1 april 2014 tot en met
30 november 20161 maart 2015te Atme en
/ofTallabyaden
/ofRaqqa, in elk geval in Syrië,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen
meermalen,
althans eenmaal
in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië
een stad en/of plaats heeft geplunderd, door zich
(in Atme
)
- een huis inclusief
een of meermatrassen
, een of meerpannen, een kookplaat en
/of een of meerandere goederen en/
of
(in
Tallabyad)
- een huis
met dakterrasinclusief
een of meerbankstellen,
een of meermatjes, een koelkast en
/of een of meerandere goederen
)en
/of
(in Raqqa
)
  • het zogenaamde ‘verfhuisje’
  • de flatwoning (bij het grote blauwe ziekenhuis) inclusief een of meer stoelen, een bank een of meer airconditioners, een bed, een tafel en/of een of meer andere goederen en/of
  • een woning in de villawijk inclusief een bank, een of meer stoelen, een of meer kastjes en/of een of meer andere goederen)
zonder toestemming van de eigenaar
(s
)met de intentie deze voor zichzelf en
/ofvoor anderen te gebruiken en met de intentie de eigenaar
(s
)te onteigenen, toe te eigenen;
2.
zij in
of omstreeksde periode van
1 april 201416 maart 2014tot en met
5 januari 201831 december 2016in
een of meer plaats(en)in Syrië
en/of Irak,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
heeft deelgenomen aan een
(terroristische
)organisatie,
te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (telkens) een aan IS gelieerde organisatie, althans (een) organisatiedie de gewapende
jihadstrijdvoorstaat, welke organisatie tot oogmerk had
en/of heefthet plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk
ebrand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk en
/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en
/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en
/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en
/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en Pro/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);
3.
zij in of omstreeks de periode van
15augustus 2013 tot en met
5 januari 201831 december 2016in een of meer plaats
(en
)in Nederland
,en
/ofin Syrië
en/of in Irak,
tezamen en in vereniging met een of andere, althans alleen,
met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht)
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich of aan anderen heeft verschaft en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, immers heeft
/hebbenzij, verdachte,
en/of haar mededader(s)
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende
jihadstrijdmet een terroristisch oogmerk, gevoerd door de
(terroristische
)organisatie zoals Islamitische Staat (verder IS),
dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) althans een aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep,althans
(een
)organisatie die de gewapende
jihadstrijdvoorstaat, eigen gemaakt en
/of
B. zich laten informeren over het afreizen naar Syrië
en/of Iraken
/ofhet aansluiten bij de terroristische organisatie IS
/ISIS/ISILen
/of
C. de reis gemaakt naar Syrië
en/of Irakten behoeve van het zich begeven naar het strijdgebied aldaar en
/ofzich te voegen bij de terroristische organisatie IS
/ISIS/ISILen
/of
D. deelgenomen aan ideologische en gevechtstrainingen van de terroristische organisatie IS/ISIS/ISIL ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak en/of
E. zich gevoegd bij één
of meer mededader(s) en/ofIS
/ISIS/ISILstrijder
(s), althans
eenperso
(o
)n
(en) gelieerd aan
(een
)terroristische organisatie die de gewapende
jihadstrijdvoorstaat en
/ofis zij
(op
islamitische wijze
) (een
)huwelijk
(en)aangegaan met een
of meerIS/
ISIS/ISILstrijder
(s), althans
(een
)perso
(o
)n
(en)die
(eveneens)deelnam
(en)aan een terroristische organisatie die de gewapende
jihadstrijdvoorstaat en
/of
F. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS/ISIS/ISIL, althans aan IS/ISIS/ISIL gelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat,
G. zich (middels internet/social
emediakana
(al
(en
)/mediaplatform
(s
)) geuit en
/ofmet (een) ander(en) perso(o)n(en)
gechat/gecommuniceerd en
/ofberichten en
/ofafbeeldingen geplaatst en
/ofgedeeld, met betrekking tot en/of inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en/of (pro)IS-gerelateerde content,
H.
(vuur
)wapens en/of een bomgordel gebruikt en
/ofgedragen en
/ofvoorhanden gehad, in welke gewapende
jihadstrijdmoord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen wordt gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;
4.
zij op
of omstreeks9 januari 2015 te
Syrië en/ofNederland
[slachtoffer 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf,
althans enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door
op/via het
(openbaar toegankelijke Twitteraccount ‘[profielnaam 2]’ een bericht (tweet) te plaatsen, welk bericht een foto van een AK
-47
, althans een (semi)automatisch vuurwapenbevat en waarbij de tekst vermeld staat: “Voorbereidingen treffen om [Twitteraccount 4] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”;
5.
zij in
of omstreeksde periode van 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015 te
Syrië en/ofNederland
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf,
althans enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door met het Facebookaccount [Facebook account 3]
eenbericht
en(post) op de
openbare tijdlijn van deFacebookpagina van [slachtoffer 2] te plaatsen, welk bericht een foto van een AK
-47
, althans een (semi)automatisch vuurwapenbevat en waarbij de volgende tekst
(en) vermeld staan:
- “ Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent, anders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een dreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al te graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah.”;
- “ Staat met smart op jou te wachten. Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account En verwijder je uit onze lijsten”.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

10.Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

11.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van zich in het geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan plundering van een stad of plaats, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
met het oogmerk om moord en/of doodslag en/of opzettelijk brand stichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en een voorwerp voorhanden hebben waarvan zij weet dat zij bestemd is tot het plegen van het misdrijf.
Het onder 4 en 5 bewezenverklaarde levert telkens op:
bedreiging met een terroristisch misdrijf.

12.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
13.Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
13.1.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft in een periode van 1 april 2014 tot en met 31 december 2016 achtereenvolgens deelgenomen aan Jabhat al-Nusra en IS, organisaties die tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven. Jihadistische groeperingen als de onderhavige hebben zich structureel schuldig gemaakt aan bloedig, angstaanjagend geweld en grove mensenrechtenschendingen in Syrië en elders ter wereld. Zij hebben vele doden op hun geweten en zijn medeverantwoordelijk voor de grootschalige vernietiging dan wel vernielingen van huizen, landbouw en infrastructuur. Hun terreurdaden hebben een ontwrichtende werking gehad op de samenleving, de sektarische strijd aangewakkerd en bijgedragen aan ondraaglijk lijden en angst van velen.
Geterroriseerde inwoners zijn vanwege dit geweld op de vlucht geslagen en hebben alles achter moeten laten. De verdachte heeft van deze gewelddadige situatie misbruik gemaakt door woningen en goederen van deze gevluchte inwoners te plunderen. Door zich de persoonlijke eigendommen van de vluchtelingen, die door IS als ongelovigen werden bestempeld, toe te eigenen, heeft de verdachte de ontheemding van deze personen geconsolideerd en de feitelijke territoriale macht van IS ondersteund. Plundering als oorlogsmisdrijf behoort tot de internationale misdrijven die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen en niet onbestraft mogen blijven.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging met een terroristisch misdrijf van twee journalisten. De verdachte heeft met haar uitlatingen gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers, in een tijdsgewricht waarin er sprake was van een collectieve angst voor aanslagen door of in naam van IS of andere jihadistische groeperingen en journalisten veelvuldig werden gegijzeld en vermoord door deze groeperingen. Dit moet voor de slachtoffers zeer beangstigend zijn geweest.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen van terroristische misdrijven.
13.2.
Persoon van de verdachte en persoonlijke omstandigheden
13.2.1.
Uittreksel Justitiële Documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
13.2.2.
Rapportages over de persoon van de verdachte
Verder heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de volgende rapporten:
  • het ideologisch duidingsrapport, opgemaakt door Nuance door Training en Advies (NTA) d.d. 10 augustus 2020;
  • de pro-Justitiarapportage d.d. 25 oktober 2020, opgesteld en ondertekend door A.E. Grochowska, psychiater, M.M.F. van Casteren, GZ-psycholoog en G.J. Ploeg, forensisch milieuonderzoeker;
  • de aanvullende pro Justitia-rapportage d.d. 21 december 2022, opgesteld en ondertekend door M.M.F. van Casteren, GZ-psycholoog en A.E. Grochowska, psychiater;
  • het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 5 juli 2023;
  • de aanvullende pro-Justitiarapportage d.d. 20 februari 2024, opgesteld en ondertekend door M.M.F. van Casteren, GZ-psycholoog en A.E. Grochowska, psychiater;
  • het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 26 februari 2024;
  • het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 27 mei 2026.
Uit de pro-Justitiarapportages maakt het hof op dat de deskundigen tot de conclusie komen dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van alle tenlastegelegde misdrijven sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze borderline persoonlijkheidsstoornis heeft zich bij de verdachte gemanifesteerd met een instabiel zelfbeeld, instabiele interpersoonlijke relaties en een weinig geïntegreerd gevoelsleven. Dit heeft geleid tot een weinig uitgerijpte identiteit en beperkte autonomie. Deze persoonlijkheidsstoornis heeft volgens de deskundigen te maken met de innerlijke ervaringen en gedragspatronen die aanwezig zijn vanaf de jeugd van de verdachte in diverse contexten. De verdachte had moeite om zich van de ander af te grenzen en neigde om ongezonde afhankelijkheidsrelaties te ontwikkelen. Mede door haar behoefte aan veiligheid, rust, stabiliteit en houvast is de verdachte in aanraking gekomen met de fundamentalistische islam en is zij snel geradicaliseerd. De stoornis heeft ook doorgewerkt in de beslissing van de verdachte om uit te reizen naar Syrië, nadat haar zoontje destijds bij haar was weggehaald. Naar het oordeel van de deskundigen heeft de bij de verdachte vastgestelde stoornis haar gedragskeuzes beïnvloed ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. Om deze reden adviseren zij deze feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen worden gedragen door hun bevindingen uit de onderliggende onderzoeken, neemt deze conclusies over en maakt deze tot de zijne. Het hof zal de bewezenverklaarde feiten dan ook in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
In de later opgestelde pro-Justitiarapportage wordt gerapporteerd dat ten tijde van het onderzoek sprake is van een ander toestandsbeeld bij de verdachte dan ten tijde van de eerste rapportage. De verdachte heeft volgens de deskundigen een positieve ontwikkeling doorgemaakt, kan beter haar grenzen aangeven en voor zichzelf opkomen. Zij is minder gefocust op haar eigen behoeftes en heeft meer empathie ontwikkeld voor anderen. Volgens de deskundigen is zij beter in staat om met nieuwe situaties om te gaan. De verdachte functioneert goed in het juridische kader van schorsingsvoorwaarden en de deskundigen achten een langdurig traject met bijzondere voorwaarden noodzakelijk, gelet op het feit dat de verdachte stabiel functioneert in een zeer beschermende omgeving.
De reclassering beschrijft dat de verdachte zich goed houdt aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. Zij heeft een intensieve klinische behandeling ondergaan, die ambulant is vervolgd en is – na een moeilijke periode – opnieuw door de reclassering aangemeld voor ambulante behandeling. Hoewel uit het Duidingsrapport van NTA d.d. 10 augustus 2020 blijkt dat de verdachte vlak na haar terugkeer naar Nederland was gevormd in gewelddadig salafistische concepten, blijkt uit het meest recente reclasseringsadvies dat de verdachte na trajectbegeleiding bij een theologisch deskundige, verbonden aan het NTA, geen enkel gewelddadig salafistisch narratief meer voorstaat en het counternarratief heeft geïnternaliseerd. De verdachte scoort ‘laag’ op vrijwel alle items van de VERA-2R en volgens de reclassering is sprake van een laag risico op recidive, letselschade en extremistisch geweld. De verdachte heeft een nieuwe partner die, volgens de reclassering, een positieve invloed heeft op de verdachte en haar leven. Zij ervaart steun van haar partner, ook bij het gezinsleven dat zij momenteel voert met haar partner en bij haar, op dit moment, slechte gezondheid. Ook heeft zij weer contact met haar zoon uit een eerdere relatie.
De reclassering heeft nadrukkelijk geadviseerd om de verdachte geen straf op te leggen die tot gevolg heeft dat zij opnieuw gedetineerd raakt, in het bijzonder op een terroristenafdeling. Dit wordt door de reclassering gezien als risicoverhogend en onwenselijk, gelet op het in dat geval wegvallen van de beschermende factoren. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, inhoudende – kort samengevat – een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, contactverboden met [echtgenoot 2], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], een verplichting om de reclassering inzicht te geven in de voortgang van begeleiding/behandeling door andere betrokken instellingen of zorgverleners, het zich niet vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering en het meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, voor zover dat van belang is voor het reclasseringstoezicht.
De verdachte heeft verklaard bereid te zijn zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden.
13.3.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de straf heeft het hof gekeken naar de hoogte van straffen in zaken die enigszins vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Het hof is van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat alleen al de deelneming aan een terroristische organisatie, ongeacht de bewezenverklaarde periode, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren rechtvaardigt. Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de inhoudelijke samenhang tussen de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten, in zoverre dat – voor zover de feiten in dezelfde periode zijn gepleegd – de plundering en de deelname aan de terroristische organisaties de grondslag zullen vormen en de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen in zoverre geen extra gewicht in de schaal leggen.
In strafmatigende zin weegt het hof mee dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt sinds haar voorlopige hechtenis is geschorst. Ook weegt het hof in strafmatigende zin mee dat zij reeds in Turkije is veroordeeld voor deelname aan een terroristische organisatie (IS) en uit hoofde daarvan ongeveer 18 maanden in detentie heeft doorgebracht. Voorts heeft zij in Turkije in vreemdelingendetentie gezeten en heeft zij gedurende ongeveer 27 maanden onder elektronisch toezicht gestaan van de reclassering. Het hof slaat voorts acht op het nadrukkelijke advies van de reclassering om aan de verdachte geen straf op te leggen die maakt dat zij opnieuw gedetineerd raakt.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat – gezien de ernst van de feiten – niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof evenwel een substantieel deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel in duur de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet overschrijdt. Dat betekent dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd zal raken. Het hof zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden stellen. Daarnaast zal het hof – om recht te doen aan de ernst van de feiten – een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen. Hoewel de verdachte kampt met gezondheidsklachten, is niet aannemelijk geworden dat zij op geen enkel moment gedurende de tenuitvoerleggingstermijn in staat zou zijn om de taakstraf te verrichten.
Met deze strafoplegging beoogt het hof een balans te vinden tussen de met bestraffing te dienen doelen van vergelding, generale preventie en speciale preventie.
Het hof constateert dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. In eerste aanleg is de termijn aangevangen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld op 20 november 2019. Het eindvonnis is op 12 april 2024 gewezen. Gelet op het feit dat de verdachte in eerste aanleg minder dan 16 maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het hof uitgaan van een redelijke termijn van twee jaren waarbinnen het eindvonnis moet zijn gewezen. De redelijke termijn is in eerste aanleg derhalve met ongeveer 29 maanden overschreden. In hoger beroep is de termijn aangevangen op 8 mei 2024. Nu het hof op 9 juli 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met twee maanden.
Het hof zal deze overschrijdingen verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijdingen van de redelijke termijn naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraf een taakstraf voor de duur van 480 uren zou hebben opgelegd, legt het hof nu een taakstraf voor de duur van 400 uren, subsidiair 200 dagen hechtenis op.
13.4.
Bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op het feit dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van een of meer personen, het radicale gedachtengoed waarmee de verdachte zich heeft ingelaten, de omstandigheid dat uit de hiervoor genoemde deskundigenrapporten blijkt dat de weerbaarheid en stabiliteit van de verdachte een punt van zorg blijven – zeker bij het weer in contact komen met personen met extremistisch gedachtegoed – en omdat het hof uit het reclasseringsadvies van 27 mei 2026 afleidt dat bij het wegvallen van het juridisch kader van voorwaarden het recidiverisico zal toenemen, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Het hof zal derhalve bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen uitzicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

14.Vorderingen tot schadevergoeding

14.1.
De vorderingen
In het onderhavige strafproces hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten onder 4 en 5, ieder tot een bedrag van € 2.500,00.
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen.
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door en namens de verdachte betwist.
14.2.
Beoordeling van de vorderingen
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de onder 4 (wat betreft [slachtoffer 1]) en onder 5 (wat betreft [slachtoffer 2]) bewezenverklaarde feiten.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De vraag die voorligt, is of sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Zoals uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, kan een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien er sprake is van geestelijk letsel (categorie 1), dan wel, indien het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden aangenomen, maar waarin de aard en de ernst a) van de normschending en b) van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ (categorie 2). In uitzonderlijke gevallen kan ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending (categorie 3). Het gaat hierbij om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Op grond van het hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld kan het hof – mede in het licht van de betwisting daarvan door de verdediging – niet vaststellen of bij de benadeelde partijen sprake is van geestelijk letsel (categorie 1) dan wel dat de concrete gevolgen van de normschending voor de benadeelde partijen meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze (categorie 2).
Naar het oordeel van het hof zijn de aard en de ernst van de normschending in deze zaak evenwel van zodanig groot gewicht en liggen de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand, dat een aantasting in de persoon op andere wijze zonder meer kan worden aangenomen (categorie 3). Het betreft hier het bedreigen van journalisten met een terroristisch misdrijf door een aan IS gelieerd persoon. Dit gebeurde in een tijd (2014 - 2015) waarin IS het kalifaat had uitgeroepen en met regelmaat journalisten van hun vrijheid beroofde, martelde, executeerde en hiervan gruwelijke beelden via sociale media verspreidde. Daarnaast had IS niet alleen volgelingen in Syrië, maar ook in andere landen, zoals Nederland. IS riep ook met regelmaat op tot aanslagen door volgelingen in andere landen, waaraan sommigen gevolg hebben gegeven. De verdachte heeft deze feiten en omstandigheden ook benadrukt in haar bedreigingen richting de benadeelde partijen.
Gelet hierop liggen de nadelige gevolgen van deze bedreigingen met een terroristisch oogmerk zo voor de hand dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de aard, ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, samen met de ernst van de inbreuk die daarmee op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partijen is gemaakt, zoals blijkt uit hun aangiftes en hun voorgedragen slachtofferverklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg.
Daarmee bestaat dus een grond voor toekenning van vergoeding van immateriële schade. Bij de begroting van die naar billijkheid vast te stellen schade, heeft het hof acht geslagen op alle omstandigheden van het geval en op de Rotterdamse Schaal en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd. Het hof stelt de omvang van de vergoedbare immateriële schade van ieder van de benadeelde partijen naar billijkheid vast op € 1.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 januari 2015 (ten aanzien van [slachtoffer 1]) en vanaf 31 mei 2015 (ten aanzien van [slachtoffer 2]) tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
14.3.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
In eerste aanleg was sprake van betaalde rechtsbijstand, in hoger beroep hebben de benadeelde partijen zich laten bijstaan op basis van een toevoeging. Het hof waardeert de werkzaamheden van de advocaat van de benadeelde partijen in eerste aanleg op twee punten (indienen vordering en bijwonen van één zittingsdag). Anders dan door de advocaat van de benadeelde partijen is verzocht, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat voor vorderingen tot en met € 25.000,- het liquidatietarief kanton wordt gehanteerd. [39] Het hof bepaalt de proceskosten per benadeelde partij – op basis van twee punten van het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2024 – op een bedrag van € 408,-.
14.4.
Schadevergoedingsmaatregelen
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].
Het hof zal eveneens aan de verdachte de verplichting opleggen om een bedrag van € 1.000,- aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], nu vaststaat dat de verdachte tot dit bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het onder 5 bewezenverklaarde is toegebracht.

15.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 96, 140a en 285 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van Pro de Wet internationale misdrijven, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

16.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
860 (achthonderdzestig) dagen.
Bepaalt dateen gedeelte van de gevangenisstraf, groot
720 (zevenhonderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich meldt bij Reclassering Nederland. Zij moet zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s, waarbij de privacy van betrokkene zoveel mogelijk gerespecteerd zal worden;
2. de verdachte zich ambulant laat behandelen door Transfore, of een soortgelijke zorgverlener. Een vangnet in de vorm van ambulante behandeling blijft nodig om betrokkene te ondersteunen en eventueel te behandelen. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of het OM dat nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
3. de verdachte wordt verboden - direct of indirect - contact te (laten) leggen, zoeken en/of hebben met onderstaande personen (tenzij met toestemming van de reclassering bijvoorbeeld ten behoeve van herstelbemiddeling), zolang het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht:
- [echtgenoot 2], geboren op [geboortedatum 2]te [geboorteplaats 2] (Algerije);
- [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 3]te [geboorteplaats 3];
- [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 4]te [geboorteplaats 4].
4. de verdachte de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere betrokken instellingen of hulpverleners;
5. de verdachte zich niet op een ander adres zal vestigen zonder toestemming van de reclassering. Wanneer zij uitstroomt naar andere/zelfstandige woonruimte zal zij hierbij samenwerken met de gemeente en/of met andere instanties indien en zolang de reclassering dat nodig acht;
6. de verdachte meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, wanneer dat van belang is voor het toezicht.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdrachtdat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeeltde verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
400 (vierhonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
200 (tweehonderd) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro)ter zake van
immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de
door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 408,00 (vierhonderdacht euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1],ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.000,00 (duizend euro)als vergoeding
voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de
gijzelingop ten hoogste
10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 januari 2015.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro)ter zake van
immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in
de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 408,00 (vierhonderdacht euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.000,00 (duizend euro)als vergoeding voor
immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de
gijzelingop ten hoogste
10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 mei 2015.
Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, als voorzitter, mr. B.W. Mulder en mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffiers mr. M.T. Huynh en mr. R. de Geus.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juli 2026.
Mr. M.E.L. Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
BIJLAGE 1:
Tenlastelegging
1.
Primair:
zij in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 30 november 2016 te Atme en/of Tell Abyad en/of Raqqa, in elk geval in Syrië,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
meermalen, althans eenmaal
in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië
een stad en/of plaats heeft geplunderd, door zich
(in Atme)
- een huis inclusief een of meer matrassen, een of meer pannen, een kookplaat en/of een of meer andere goederen en/of
(in Tell Abyad)
- een huis met dakterras inclusief een of meer bankstellen, een of meer matjes, een koelkast en/of een of meer andere goederen) en/of
(in Raqqa)
  • het zogenaamde ‘verfhuisje’ inclusief, al dan niet meegenomen goederen waaronder een of meer bankstellen, een of meer matjes, een koelkast en/of een of meer andere goederen en/of
  • de flatwoning (bij het grote blauwe ziekenhuis) inclusief een of meer stoelen, een bank een of meer airconditioners, een bed, een tafel en/of een of meer andere goederen en/of
  • een woning in de villawijk inclusief een bank, een of meer stoelen, een of meer kastjes en/of een of meer andere goederen)
zonder toestemming van de eigenaar(s) met de intentie deze voor zichzelf en/of voor anderen te gebruiken en met de intentie de eigenaar(s) te onteigenen, toe te eigenen;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 30 november 2016 te Atme en/of TelI Abyad en/of Raqqa, in elk geval in Syrië,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal een of meer voorwerpen, te weten
(in Atme)
- een huis inclusief een of meer matrassen, een of meer pannen, een kookplaat en/of een of meer andere goederen en/of
(in TelI Abyad)
- een huis met dakterras inclusief een of meer bankstellen, een of meer matjes, een koelkast en/of een of meer andere goederen) en/of
(in Raqqa)
  • het zogenaamde `verfhuisje’ inclusief, al dan niet meegenomen goederen waaronder een of meer bankstellen, een of meer matjes, een koelkast en/of een of meer andere goederen en/of
  • de flatwoning (bij het grote blauwe ziekenhuis) inclusief een of meer stoelen, een bank een of meer airconditioners, een bed, een tafel en/of een of meer andere goederen en/of
  • een woning in de villawijk inclusief een bank, een of meer stoelen, een of meer kastjes en/of een of meer andere goederen)
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overdragen en/of van die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en/of haar mededaders wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf genoemd in de artikelen 3 tot en met 8, onder b, Wet internationale misdrijven.
2.
zij in of omstreeks de periode van 16 maart 2014 tot en met 5 januari 2018 in een of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
heeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (telkens) een aan IS gelieerde organisatie, althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot oogmerk had en/of heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijke brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en Pro/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);
3.
zij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2013 tot en met 5 januari 2018 in een of meer plaats(en) in Nederland, en/of in Syrië en/of in Irak,
tezamen en in vereniging met een of andere, althans alleen,
met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht)
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich of aan anderen heeft verschaft en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) althans een aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of
B. zich laten informeren over het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het aansluiten bij de terroristische organisatie IS/ISIS/ISIL en/of
C. de reis gemaakt naar Syrië en/of Irak ten behoeve van het zich begeven naar het strijdgebied aldaar en/of zich te voegen bij de terroristische organisatie IS/ISIS/ISIL en/of
D. deelgenomen aan ideologische en gevechtstrainingen van de terroristische organisatie IS/ISIS/ISIL ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak en/of
E. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en/of IS/ISIS/ISIL strijder(s), althans perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of is zij (op Islamitische wijze) (een) huwelijk(en) aangegaan met een of meer IS/ISIS/ISIL strijder(s), althans (een) perso(o)n(en) die (eveneens) deelnam(en) aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en/of
F. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS/ISIS/ISIL, althans aan IS/ISIS/ISIL gelieerde terroristische organisaties, althans (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat,
G. zich (middels internet/social mediakana(al(en)/mediaplatform(s)) geuit en/of met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat/gecommuniceerd en/of berichten en/of afbeeldingen geplaatst en/of gedeeld, met betrekking tot en/of inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en/of (pro)IS-gerelateerde content,
H. (vuur)wapens en/of een bomgordel gebruikt en/of gedragen en/of voorhanden gehad, in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen wordt gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;
4.
zij op of omstreeks 9 januari 2015 te Syrië en/of Nederland
[slachtoffer 1] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op/via het (openbaar toegankelijke Twitteraccount ‘[profielnaam 2]’ een bericht (tweet) te plaatsen, welk bericht een foto van een AK 47, althans een (semi)automatisch vuurwapen bevat en waarbij de tekst vermeld staat: “Voorbereidingen treffen om [Twitteraccount 4] van het leven te beroven. Met vriendelijke groet, vanuit het khalifaat”;
5.
zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015 te Syrië en/of Nederland
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met het Facebookaccount [Facebook account 3] een bericht (post) op de openbare tijdlijn van de Facebookpagina van [slachtoffer 2] te plaatsen, welk bericht een foto van een AK 47, althans een (semi)automatisch vuurwapen bevat en waarbij de volgende tekst(en) vermeld staan:
- “ Hoe kom je aan onze profielen? Aan alle info? Het is dat je niet om de hoek bent, anders kwam ik wel eventjes met mijn ak-47 op je af lopen. Ja en dit is een dreigement lelijke nakomeling van de apen en zwijnen. Jou kop zou ik ook maar al te graag willen laten rollen. Lelijk wijf bah.”;
- “ Staat met smart op jou te wachten. Beter voor jou dat je alles weg haalt van je Twitter account En verwijder je uit onze lijsten”.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag, 14 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2191.
2.Rechtbank Den Haag, 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365.
3.In de Elementen van Misdrijven – opgesteld op voet van artikel 9 van Pro het Statuut met het oog om als hulpmiddel te dienen bij de interpretatie van internationale misdrijven – wordt artikel 8, tweede lid, onder e (v) nader toegelicht. Het hof zal derhalve de Elementen van Misdrijven ook gebruiken voor een verdere duiding van artikel 6, derde lid, onder e, Wim. Zie Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2025:594, 22 april 2025, r.o. 3.2.
4.Andreas Zimmermann and Robin Geiß, “Article 8(2)(b)(vxvi): Pillage,” in: Otto Triffterer and Kai Ambos,
5.ICC,
7.ICC,
8.ICRC, Commentary on the Fourth Geneva Convention Relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War, 2nd edition, 2025, Article 33(2)(g), para. 2571.
10.OLG Düsseldorf 21 april 2021, 7 StS 2/20.
11.ICC,
12.Zimmermann and Geiβ, p. 454, para. 564.
13.ICC,
14.ICC,
17.ICC,
19.ICC,
20.ICC,
21.ICC,
22.In Artikel 8 lid 2 onder Pro f, tweede zin, Statuut ) wordt gesproken over ‘protracted’ (langdurig) gewapend geweld. In de rechtspraak van de ICC wordt het langdurige karakter doorgaans behandeld in het kader van de intensiteit van het gewapende conflict. Hoewel de duur van het geweld als een relevante factor wordt benadrukt, is niet vereist dat het geweld continu en onderbroken aanhoudt. Van doorslaggevende betekenis is dat de vijandelijkheden het niveau van geïsoleerde of sporadische gewelddaden overstijgt. Zie: ICC,
23.Artikel 8 lid 2 onder Pro f, eerste zin, Statuut.
24.ICC,
25.ICC,
27.ICC,
28.ICC,
30.ICC,
31.ICC,
32.ICC,
33.Zie hierboven het juridisch kader.
34.Zie bijvoorbeeld: Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:103; Gerechtshof Den Haag 11 september 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1568; Gerechtshof Den Haag 6 december 2022 ECLI:NL:GHDHA:2022:2421.
35.Hoge Raad 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1890 en Hoge Raad 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1508.
36.Zie Hoge Raad, 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1142, r.o. 2.3.2; Hoge Raad, 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1143, r.o. 2.3.2; Hoge Raad, 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1183, r.o. 2.3.2.
37.Zie o.a. Gerechtshof Den Haag, 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2570, Gerechtshof Den Haag 3 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1242; Gerechtshof Den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1248; Gerechtshof Den Haag 6 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3879; Gerechtshof Den Haag 18 december 2020. ECLI:NL:GHDHA:2020:2492; Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2017, ECLI:GHDHA:2017:2855; Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:102.
38.Vgl. Hoge Raad, 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771.
39.Slachtoffer en de rechtspraak - Handleiding voor de strafrechtspraktijk, p. 174.