Uitspraak
Inhoudsopgave
1.Inleiding
- i) het bijeenkomen om de Koran te bestuderen of zich te verdiepen in de islam of bepaalde richtingen binnen de islam, waar onder de salafistische;
- ii) het doen van da’wah – da’wah is het uitnodigen tot de islam –, of dit nu gebeurt in besloten ruimtes, op straat of op het internet;
- iii) het organiseren van en meedoen aan demonstraties, of daarin nu aandacht wordt gevraagd voor de positie van islamitische gedetineerden of geprotesteerd wordt tegen de onderdrukking van het Syrische volk door Assad, de vertoning van een film of tegen voorgenomen maatregelen betreffende het dragen van gezichtsbedekkende kleding;
- iv) het inzamelen van geld of goederen voor humanitaire hulp aan de slachtoffers van het geweld in Syrië;
- v) het ageren tegen de buitenlandse politiek van het Westen of Nederland, of dat nu gaat over Syrië of Israël en Palestina, en of dat nu gebeurt in klassieke media, op sociale media of middels demonstraties;
- vi) het op dezelfde wijze ageren tegen de democratie als regeringsvorm en kritiek uiten op de wijze waarop daaraan in Nederland vorm wordt gegeven;
- vii) het openlijk sympathiseren met de doelen en daden van terroristische organisaties, zoals IS en al-Qaeda, ook als dit gebeurt op tendentieuze websites.
Ontegenzeggelijk heeft de strafbaarstelling van handelingen in de voorfase het strafrecht een meer instrumenteel karakter gegeven. De rechter heeft zich uiteraard naar deze keuze van de wetgever te richten. Uitgangspunt is echter wel gebleven dat nog steeds alleen daden strafbaar zijn gesteld.
2.De beschuldigingen
NJ2009, 108) uitdrukkelijk dat geen rechtsregel zich zou hebben verzet tegen toekenning van terugwerkende kracht aan een rechtsmachtsvoorziening voor de vervolging van genocide in de Wet internationale misdrijven en heeft de wetgever daarna in die wet alsnog met terugwerkende kracht een ruimere rechtsmacht voor de vervolging van dit misdrijf gevestigd. [6] In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wijziging van de Wet internationale misdrijven heeft geleid heeft de minister van justitie overigens wel benadrukt dat in het algemeen terughoudendheid in acht moet worden genomen bij het toekennen van terugwerkende kracht aan een regeling waarbij het rechtsmachtregime wordt gewijzigd [7] en op een vraag vanuit de Tweede Kamer of dit slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden wenselijk is [8] heeft hij geantwoord dat per geval bekeken moet worden of er bijzondere omstandigheden bestaan die het vestigen van rechtsmacht met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
de vreemdelingdie in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt aan een aantal vervolgens in dit artikel opgesomde misdrijven, waaronder terroristische misdrijven. Een soortgelijke bepaling bestond merkwaardig genoeg echter niet voor Nederlanders. De rechtsmacht ten aanzien van door
Nederlandersin het buitenland gepleegde misdrijven was geregeld in artikel 5 Sr Pro (oud). Daarin is bepaald dat de Nederlandse strafwet alleen toepasselijk is als het feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd ook strafbaar is in het land waarin het is gepleegd, behoudens de in dit artikel opgesomde misdrijven waarvoor die eis van dubbele strafbaarheid niet geldt. Daartoe behoren niet de terroristische misdrijven. Van belang in dit verband is ook nog artikel 4 Sr Pro (oud) waarin de Nederlandse strafwet toepasselijk wordt verklaard op een
iederdie zich buiten Nederland schuldig maakt aan onder meer bepaalde terroristische misdrijven, maar alleen indien ‘hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt’ [12] dan wel terroristische misdrijven welke, kort gezegd, tegen Nederland zijn gericht. [13] De rechtbank concludeert dan ook dat onder de oude regeling de Nederlandse strafwet wel toepasselijk is op de in Nederland woonachtige vreemdeling die in het buitenland een terroristisch misdrijf begaat dat Nederland niet rechtstreeks raakt, maar niet op de Nederlander die zich in het buitenland hieraan schuldig maakt, uiteraard tenzij wordt aangetoond dat dit in het land waarin het feit is begaan ook strafbaar is (hetgeen in de regel wel het geval zal zijn).
4.Het onderzoek
10 oktober 2014 bevolen en nadien ook zijn gevangenhouding. De voorlopige hechtenis is op
23 oktober 2014 geschorst door de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank. Deze schorsing werd op 9 januari 2015 door dezelfde raadkamer opgeheven omdat Moussa L. zich niet aan de gestelde voorwaarden had gehouden. Op 5 februari 2015 heeft de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank de voorlopige hechtenis wederom geschorst;
5.Rechercheren op het internet (Facebook en Twitter)Inleiding
observatie(op de voet van artikel 126g Sv) [29] vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat voor de beantwoording van de vraag of er bij het hanteren van die methode sprake is van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte – onder meer – de volgende omstandigheden bepalend zijn: de duur, de intensiteit, de plaats(en) van observatie, het doel van de observaties en de wijze waarop zij hebben plaatsgevonden (de overlast in de zin van indringendheid) en – voor wat betreft de vraag of voortduring van de observaties gerechtvaardigd is – de graad van verdenking. Van belang is of de methode geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. [30]
het stelselmatig inwinnen van informatie(artikel 126j Sv) [33] is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) uit 2000 het volgende te vinden:
actiefdeelnemen aan de nieuwsgroep, doordat hij of zij zelf berichten post en aldus tracht van anderen informatie los te krijgen; het slechts rondkijken in een nieuwsgroep en lezen wat voor een ieder toegankelijk is, is zoals eerder aangegeven zonder meer geoorloofd. [34]
- a) het belang dat het geschonden voorschrift dient,
- b) de ernst van het verzuim, waarbij de omstandigheden van belang zijn waaronder het verzuim is begaan en ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim en
- c) het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
- a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden,
- b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim,
- c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en
- d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
- a) door toedoen van de politie is niet meer na te gaan of de uitingen (op social media) die aan Azzedine C. zijn ten laste gelegd, niet oorspronkelijk van de politie, meer specifiek van de Facebookpagina’s op naam van Aboe Noewas en Ab Bashir, afkomstig waren (en dus of er sprake is geweest van uitlokking);
- b) Aboe Noewas en Ab Bashir hebben zich, zonder wettelijke grondslag, schuldig gemaakt, aan opruiing;
- c) de officieren van justitie hebben onvoldoende openheid van zaken betracht over het handelen van Aboe Noewas en Ab Bashir;
- d) de officieren van justitie zijn een deel van de relevante stukken over de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir kwijtgeraakt, althans zij weigeren deze te verstrekken.
Wat de Facebookpagina van Aboe Noewas betreft, moet worden vastgesteld dat de politie niet (meer) in staat is gebleken alle berichten die op die pagina zijn geplaatst, terug te halen; slechts een deel is aan het dossier toegevoegd. In zoverre is dus wel sprake van een vormverzuim en dit verzuim kan ook niet meer worden hersteld. De informatie die in het dossier is neergelegd over het Facebookaccount Ab Bashir is onvolledig. Ook in zoverre is dus sprake van een vormverzuim dat onherstelbaar is.
7.Het toepasselijk recht
Boskoski & Tarculovskiheeft het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (hierna: ICTY) de relevante factoren opgesomd die tot dan toe waren vastgesteld in de jurisprudentie om op objectieve wijze de vereisten van ‘intensiteit’ en ‘organisatie’ te kunnen toetsen. [56] Om de intensiteit van het geweld te beoordelen, moet acht worden geslagen op factoren als het aantal burgers dat is gevlucht, het soort wapens dat wordt gebruikt (met name militaire wapens en voertuigen zoals tanks), het aantal doden en strijders, het al dan niet sluiten van een wapenstilstand en inmenging van de internationale gemeenschap. Om te beoordelen of een partij bij het conflict voldoet aan het vereiste van organisatie kan worden gekeken naar de commandostructuur van een groep, de organisatie van operaties, het disciplinair systeem, de mogelijkheid om de minimumgedragsnormen van het internationaal humanitair recht te implementeren en de mogelijk om met één stem te spreken. [57]
Tadićbepaalde het ICTY dat sprake moet zijn van een ‘overall control’ over de georganiseerde gewapende groep, in die zin dat de andere staat “has a role in organising , coordinating or planning the military actions of the military group, in addition to financing, training and equipping or providing operational support to that group”. [59] Het criterium van ‘overall control’ is algemeen aanvaard in de jurisprudentie. Echter, uit de statenpraktijk blijkt dat “the overall control threshold is high and the evidence in support must be compelling”. [60]
becominginternationalized. The competition among regional powers for influence has resulted, among other consequences, in an alarming exacerbation of the sectarian dimension, instigated by the intervention of foreign fighters and extremist clerics. [62]
internationalegewapende conflicten wordt onderscheid gemaakt tussen combattanten en burgers. Uitsluitend combattanten hebben het combattantenprivilege, dat wil zeggen het recht om rechtstreeks aan krijgshandelingen deel te nemen en, aldus, het recht om de vijand te doden, krijgsgevangen te nemen en om militaire objecten te vernietigen. Combattanten hebben de plicht om zich te houden aan de regels van het internationaal humanitair recht en genieten, zolang zij zich daaraan houden, immuniteit van strafvervolging onder nationaal recht. [66]
niet-internationalegewapende conflicten wordt uitsluitend onderscheid gemaakt tussen personen die rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden en burgers. Er bestaat geen combattantenstatus in niet-internationaal gewapende conflicten. Gedurende de onderhandelingen voor de Geneefse Verdragen wilden de verdragsluitende staten geen combattantenprivilege geven aan de leden van georganiseerde gewapende groepen waarmee zij in conflict waren geraakt, of die met elkaar in conflict waren geraakt op hun grondgebied. Hiermee zouden deze leden het recht hebben om legitiem deel te nemen aan de vijandelijkheden. Staten waren echter niet bereid om leden van georganiseerde gewapende groepen immuniteit van strafvervolging te geven voor het opnemen van wapens, omdat voorkomen moet worden dat burgers het recht in eigen hand nemen. Leden van georganiseerde gewapende groepen zijn derhalve strafbaar voor alle geweldshandelingen die zij plegen, zowel voor commune delicten als moord als voor schendingen van het internationaal humanitair recht.
contra legemzijn. Daarbij stellen de officieren van justitie zich op het standpunt dat de uitzondering in overweging 11 helemaal niet verplicht om oorlogshandelingen uit te zonderen van terrorismebepalingen, maar slechts bepaalt dat op zulke handelingen de verplichtingen uit het Kaderbesluit niet van toepassing zijn. Daarmee bestaat - althans zo begrijpt de rechtbank hun standpunt - nog geen verplichting tot afwezigheid van het strafrecht.
Kesbirarrest, dat gedurende niet-internationale gewapende conflicten verschillende rechtssystemen naast elkaar kunnen bestaan, zegt niets over de definitie van terrorisme gedurende dergelijke conflicten. [74] Gedurende gewapende conflicten zijn aanslagen tegen de bevolking altijd strafbaar, maar acties gericht tegen een abject regime zijn dat uitdrukkelijk niet. Verdachten wilden het regime van Assad verdrijven, sommigen wilden ook een islamitische staat stichten, maar zij wilden nooit de bevolking angst aanjagen. De overweging van de preambule is opgenomen om misverstanden te voorkomen en conflicten tussen rechtssystemen te vermijden. Het Gerecht in Luxemburg zou in de
LTTE-uitspraak hebben beslist dat de toepasselijkheid van het Unierecht inzake het terrorisme niet is uitgesloten in het geval van een gewapend conflict. [75] Echter, het Gerecht heeft zich volgens de verdediging niet uitgelaten over de vraag wat de strekking moet zijn van de Preambule bij de interpretatie van het Kaderbesluit of de daarop gebaseerde Nederlandse regelgeving. Het ging in de
LTTE-zaak om een verordening die niet op het kaderbesluit was gebaseerd en een gemeenschappelijk standpunt dat geen ‘exclusion clause’ als in de preambule bevatte. De verdediging concludeert tot ontslag van rechtsvervolging, nu de terroristische elementen van de tenlastelegging misschien wel bewezen, maar niet gekwalificeerd kunnen worden.
of a State’ is opgenomen, is het de vraag of ‘armed forces’ in de eerste zinsnede ook ziet op andere strijdkrachten dan die van een staat. Om de reikwijdte van de uitsluitingsclausule te kunnen bepalen, zal de rechtbank de betekenis van het begrip ‘armed forces’ derhalve moeten vaststellen.
of a State’ (strijdkrachten van een staat) opgenomen omdat dit ziet op handelingen in vredestijd. [83] Uit de betrokkenheid van Nederland bij de totstandkoming van deze uitsluitingsclausule en de aanvaarding van eenzelfde uitsluitingsclausule in het Kaderbesluit, kan worden afgeleid dat de Nederlandse wetgever van deze dubbelzinnigheid op de hoogte was en bij het Kaderbesluit eenzelfde positie heeft ingenomen. [84] De uitsluitingsclausule lijkt daarmee in letterlijke zin niet op georganiseerde gewapende groepen te slaan.
LTTE-uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg. Hoewel deze uitspraak niet specifiek ziet op de werkingssfeer van het Kaderbesluit, maar op verordening nr. 2580/2001 en gemeenschappelijk standpunt 2001/931, zijn al deze instrumenten vastgesteld om binnen de Europese Unie uitvoering te geven aan bovengenoemde Resolutie 1373. In deze uitspraak wordt in het algemeen overwogen dat “het bestaan van een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet de toepassing van de bepalingen van
het Unierecht inzake het terrorismeop eventuele in dat kader gepleegde terroristische daden uitsluit”. [88]
8.Terroristische misdrijven
eenland, het wederrechtelijk dwingen van
eenoverheid (of internationale organisatie) of het ontwrichten of vernietigen van de fundamentele structuren van
eenland (of internationale organisatie). De Wet terroristische misdrijven geeft ook op dit punt uitvoering aan het Kaderbesluit. Dit verplicht de lidstaten van de Europese Unie zonder enig voorbehoud tot strafbaarstelling van terroristische misdrijven in welk land en tegen welke overheid ook begaan.
elkland, dus ook Syrië, en
elkeoverheid of internationale organisatie, dus ook de Syrische.
eigentiranniek regime en tegen een
buitenlandsebezettingsmacht gerechtvaardigd zijn, maar alleen als ten minste voldaan is aan de eisen van zuiverheid van oogmerk, dienstbaarheid aan het doel van het verzet, proportionaliteit en subsidiariteit. Wat de verdediging van Imane B., Oussama C. en Moussa L. daarentegen bepleit is een onvoorwaardelijke straffeloosheid van hun Nederlandse cliënten voor alle door hen in Nederland gepleegde strafbare feiten [97] omdat deze direct dan wel indirect gerelateerd zouden zijn aan de gerechtvaardigde strijd van het Syrische volk tegen het regime van president Assad, inclusief de bedreiging en/of belediging van politieambtenaren door Moussa L. [98] . De rechtbank slaat de uitnodiging van de verdediging een degelijk verzetsrecht wakker te kussen beleefd af.
9.Overige niet-ontvankelijkheidsverweren
10.Opvattingen van de verdachten over de gewapende jihadstrijd in Syrië
11.Opruiing en verspreiding ter opruiing, het juridisch kader
pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang). Een aanvaardbare beperking van deze vrijheid dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit. Tegen deze achtergrond is de vraag in hoeverre de overheid gerechtigd is een inbreuk te maken op het grondrecht niet in algemene zin te beantwoorden, maar zullen, naast de letterlijke betekenis van de uiting of boodschap, de omstandigheden van het geval uitsluitsel moeten geven. [138]
retweet is not endorsement. Dat brengt mee dat het retweeten van een bericht dat op zich als opruiend wordt beoordeeld in beginsel niet strafbaar is ingevolge artikel 131 Sr Pro. Wel valt deze gedraging onder de reikwijdte van artikel 132 Sr Pro. Dat is anders indien uit het commentaar van verdachte bij de retweet blijkt dat hij de inhoud onderschrijft, of wanneer het geretweete bericht past binnen een reeks van berichten van verdachte van dezelfde aard en/of strekking, binnen een bepaalde periode. Hetzelfde geldt ook voor het delen van een hyperlink.
12.Opruiing en verspreiding ter opruiing, zoals ten laste gelegd
dajjalspreken) en de hedendaagse levensstijl van jongeren en het perspectief van andere moslims omdat die niet gebaseerd zou zijn op de ‘ware’ islam. Uiteindelijk kunnen de eschatologische islamitische tradities met hun nadruk op leven en dood, martelaarschap en gedragsverandering veel verschillende betekenissen hebben voor individuen afhankelijk van hun eigen religieuze socialisatie, persoonlijke omstandigheden en ambities.”
jihad fi sabil AllaH.(…).
mujahedinte laten worden op de weg van God, de broeders en zusters in Syrië,
tawhidover de hele wereld te laten wapperen, enzovoorts.
jihad fi sabil Allahverrichten, daarover hoeven jullie geen zorgen te maken”. Vervolgens verbindt hij dit met de huidige generatie strijders: “Degenen die zich in Afghanistan, in Somalië, in Syrië, in Mali bevinden, daarover hoeven jullie je geen zorgen te maken.” (…)
tawaghitverdedigd. Wee jou die de paleisgeleerden [islamitische geleerden die hun lezing van het geloof aanpassen aan de belangen en wensen van machthebbers die niet volgens sharia regeren] volgt.” (…)
mujahedinte laten overwinnen, de vlag van
tawhidover de hele wereld te laten wapperen, de ogen van de jeugd te openen en hen te laten sterven omwille van
la illaha illallah[er is geen god dan God], af te rekenen met de vijanden van de islam en om ‘ons’ te laten lopen in de voetstappen van de
salaf[de vrome voorgangers] en de profeet.
la illaha illallaH.
dajjalspreken) en de hedendaagse levensstijl van jongeren en het perspectief van andere moslims omdat die niet gebaseerd zou zijn op de ‘ware’ islam. Uiteindelijk kunnen de eschatologische islamitische tradities met hun nadruk op leven en dood, martelaarschap en gedragsverandering veel verschillende betekenissen hebben voor individuen afhankelijk van hun eigen religieuze socialisatie, persoonlijke omstandigheden en ambities. [274]
jihad fi sabil AllaH.(…).
mujahedinte laten worden op de weg van God, de broeders en zusters in Syrië,
tawhidover de hele wereld te laten wapperen, enzovoorts.
jihad fi sabil Allahverrichten, daarover hoeven jullie geen zorgen te maken”. Vervolgens verbindt hij dit met de huidige generatie strijders: “Degenen die zich in Afghanistan, in Somalië, in Syrië, in Mali bevinden, daarover hoeven jullie je geen zorgen te maken.” (…)
tawaghitverdedigd. Wee jou die de paleisgeleerden [islamitische geleerden die hun lezing van het geloof aanpassen aan de belangen en wensen van machthebbers die niet volgens sharia regeren] volgt.” (…)
mujahedinte laten overwinnen, de vlag van
tawhidover de hele wereld te laten wapperen, de ogen van de jeugd te openen en hen te laten sterven omwille van
la illaha illallah[er is geen god dan God], af te rekenen met de vijanden van de islam en om ‘ons’ te laten lopen in de voetstappen van de
salaf[de vrome voorgangers] en de profeet. [278]
la illaha illallaH.
13.Werven voor de gewapende strijd, het juridisch kader
14.Werven voor de gewapende strijd, zoals ten laste gelegd(Oussama C. en Azzedine C. )
De verklaringen van Getuige 1 in augustus 2014 (politie) en februari 2015 (rechter-commissaris)
(– onder meer – in 2013) op de militaire jihad lag met als doel het vestigen van de heerschappij en de wetten van Allah en dat dat clubje van mening was dat de verplichting tot het voeren van de jihad geldt voor alle moslims in de wereld. Ook heeft De Koning Azzedine C. geduid als duidelijk pro-ISIS.
16.1 Aan Jordi de J. wordt – kort gezegd – verweten dat hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 9 mei 2013 in Nederland en in Syrië kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Jordi de J. zou dit volgens de steller van de tenlastelegging als volgt hebben gedaan:
- a) door een reis naar Mekka (Saoedi Arabië) te maken om zich voor te bereiden op de gewelddadige jihad en/of
- b) door zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende jihadstrijd met een terroristisch oogmerk eigen te maken en/of
- c) door zich te laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of
- d) door deel te nemen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië.
Uit het dossier blijkt dat Jordi de J. in oktober/november 2012 op hadj (bedevaart) in
– onder meer – Mekka en Medina (Saoedi Arabië) is geweest. Vanzelfsprekend is deelname aan de hadj niet strafbaar. Het dossier bevat geen bewijs dat Jordi de J. zich tijdens zijn hadj heeft voorbereid op de gewelddadige jihad. De rechtbank spreekt Jordi de J. dan ook vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging (nog daargelaten dat Saoedi Arabië in de tenlastelegging niet wordt genoemd als plaats waar de tenlastegelegde feiten (mede) zouden zijn gepleegd).
De rechtbank begrijpt het onder b) tenlastegelegde aldus dat hiermee wordt gedoeld op de periode voorafgaand aan het vertrek van Jordi de J. naar Syrië. Naar het oordeel van de rechtbank veronderstelt het zich eigen maken van een gedachtegoed dat iemand in een bepaalde periode de fundamentele en elementaire denkbeelden, ideeën en principes van een dergelijk gedachtegoed tot zich neemt en onderschrijft. Uit het dossier komt naar voren dat Jordi de J. in de periode voorafgaand aan zijn vertrek naar Syrië, met name in gesprekken met geloofsgenoten, weliswaar met enige regelmaat is geconfronteerd met elementen van een gedachtegoed dat als radicaal betiteld zou kunnen worden [425] , maar dit is, gelet op hetgeen de rechtbank verstaat onder ‘het zich eigen maken van een gedachtegoed’, onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het onder (b) tenlastegelegde te komen. In zoverre moet dus eveneens vrijspraak volgen. Gelet hierop kan onbesproken worden gelaten of het zich eigen maken van een gedachtegoed als in de tenlastelegging genoemd kan gelden als het verwerven van kennis tot het plegen, voorbereiden of vergemakkelijken van terrorisme.
Ter terechtzitting heeft Jordi de J. verklaard dat hij, voordat hij naar Syrië vertrok, met zijn reisgenoot Betrokkene 14 heeft gesproken over ‘hoe je in Syrië moet komen’. Verder heeft hij, ook ter terechtzitting, verklaard in Nederland van Betrokkene 15 een briefje te hebben gekregen met daarop een Syrisch telefoonnummer en een beschrijving van de ‘beste’ route naar Syrië. De op het briefje beschreven route heeft Jordi de J. gevolgd en met genoemd telefoonnummer heeft Jordi de J., toen hij in het zuiden van Turkije was gearriveerd, contact gezocht, waarna Jordi de J., samen met Betrokkene 14, door een smokkelaar over de grens van Turkije met Syrië is gebracht. [426]
Ter terechtzitting heeft Jordi de J. verklaard dat hij na aankomst in Syrië twee of drie dagen in een villa nabij Bab Al-Hawa heeft verbleven en dat hij vervolgens is overgebracht naar een trainingskamp in Sheikh Suleiman. In het kamp werden ideologische lessen gegeven en ook ‘vechttraining’. Jordi de J. heeft verklaard dat hij de ideologische lessen heeft gevolgd, maar dat hij zich, door een blessure aan zijn enkel voor te wenden, aan deelname aan de vechttraining heeft weten te onttrekken. Omdat hij onwillig was om te trainen en om die reden als spion werd aangemerkt is hij, aldus Jordi de J., na vijf of zes dagen naar een andere plaats, waar de gewapende strijd volop woedde, overgebracht en aldaar heeft hij tot zijn vertrek naar Nederland verbleven. Jordi de J. is daar ook getuige geweest van de begrafenis van de Nederlandse strijder Betrokkene 5. [432]
trainde[cursivering rechtbank] in het trainingskamp tegen zijn zin, zo verklaart Getuige 2 ook. [433] Getuige 2 heeft ook de reisgenoot van Jordi de J., Betrokkene 14 (die hij kent als ‘Abu Mohamed’), op een foto herkend. Betrokkene 14 verbleef ook in genoemd trainingskamp en heeft daar ook militaire training ondergaan, aldus Getuige 2. [434]
AS: Eh teruggekomen?
V1: Ja.
AS: Eh Jordi de J..
V1: Heb je met hem d’r wel eens over gehad?
AS: Hij heeft niet gezegd eh over de route, maar hij heeft wel gezegd hoe het daar is.
V1: Oké. Wat vertelde ie daarover?
AS: Hij hij vertelde van de, hoe de trainingskamp is. Eh hij vertelde meer over eh die moeilijkheden. Of je daar in de winter, als je in de bergen ben, dat je in een tent moet slapen. Eh eh dat, dat je gewoon niet eh genoeg goede training krijgt en dergelijke. Hij heeft nooit gest, hij zegt dat ie nooit heeft gestreden. Hij was nooit in de vlucht eh sorry in de trainingskamp.
V1: Mm, mm.
AS: En eh hij had me een keertje ook verteld eh hoe het allemaal gaat als er een bom neervalt, dan eh is een bom met zoveel scherven d’r uit komen. En eh nou..
V1: Wat heeft hij verteld over de trainingskampen dan?
AS: … en eh van eh dat je genoeg traint. Hoe je moet schieten.
V1: Mm, mm.
AS: Eh en hem eh gewoon een beetje cool eh, cool eh, hoe heet dat, een beetje, hoe zeg je dat? Een lichaam, nee niet de lichaam, conditie trainen.
V1: Conditietraining.
AS: Gewoon conditie trainen, leren schieten eh ja, gewoon zulke dingen.
V2: Mm.
V1: En wie geeft die trainingen dan?
AS: Hij zei een man uit en het was een Syrische man.
V1: Mm, mm.
AS: Maar hij heeft geen naam tuurlijk. Hij zei een Syrische man. Want hij zei tegen mij van eh de, ik had een foutje gedaan en eh die Syrische man schelde met opeens eh uit in het Syrisch. Zeg maar: hoe ken, ga je dan met hem in contact als hij Syrisch is en jij Nederlander zijn? Hij zei, hij zegt: vertaalt iemand in de kamp.
V1: Zijn daar vertalers? (…)
AS: Eh vertalers, ja.
V1: Oké. Maar dat kamp, die kampen is allemaal in Syrië?
AS: Ja, allemaal in Syrië.
V1: Hoe lang heeft hij in zo’n kamp gezeten?
AS: Eh hij was misschien, effe kijken, hij was in eh mei gegaan, of in februari sorry….
V1: mm, mm.
AS: … is die in de zomer, of in mei teruggekomen.
V1: En al die tijd heeft ie in zo’n kamp gezeten?
AS: Eh dat deed ie wel. (…) [436] V2: Wat heeft ie je verteld over waar hij sliep bijvoorbeeld?
AS: Eh in een vluchtelingenkamp in een tent. En hij vond het geen pretje. Eh ja, gewoon in de tenten. Zolang je in trainingskamp, ben je gewoon in een aan, in een tent te slapen. En ik heb het ook gehoord als je daar aan de straat, strijd mee, dat jij geld krijgt om de huur te betalen, een lening te krijgen. [437]
18.Deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie
kritiekkunnen geven, zodat
zij(we) hem de komende dagen ook online kunnen zetten. De rechtbank leidt daaruit af dat er ook om inhoudelijke kritiek is gevraagd en zodat zij, Soufiane Z., Rudolph H. en Azzedine C. , daarna de film de komende dagen online konden zetten.
naastedoel. Wat het Openbaar Ministerie in de kern voorstaat, is dit op te rekken tot uit het naaste doel voortvloeiende
verder verwijderdedoelen. De rechtbank kan het Openbaar Ministerie hierin daarom niet volgen. Uit de afzonderlijke en gezamenlijke gedragingen van de verdachten, zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld, kan niet worden afgeleid dat het
naastedoel van de organisatie mede op deze andere misdrijven gericht is geweest. [797]
- i) het faciliteren van een of meer bijeenkomsten (onder meer Adres en/of Hondius) waar werd opgeruid tot en/of werd geworven voor de gewapende jihadstrijd in Syrie;
- ii) het als spreker optreden of anderszins vervullen van een actieve, leidende en/of bepalende rol op bijeenkomsten (onder meer Hondius en/of Frankies) waar werd opgeruid tot en/of geworven werd voor de gewapende jihadstrijd in Syrië;
- iii) het mondeling verspreiden binnen of buiten de groep van de binnen de groep gedeelde opvattingen over de gewapende jihadstrijd in Syrië, waaronder is begrepen het werven daarvoor en het oproepen tot het martelaarschap;
- iv) het beheren van website en/of kanalen op sociale media waarop opruiende en/of wervende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal werden geplaatst;
- v) het binnen of buiten de organisatie verspreiden en/of aanbevelen van (kanalen met) opruiende en/of wervende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal;
- vi) het becommentariëren en/of aanleveren van informatie en/of bewerken en/of doen van suggesties voor de productie van opruiende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal en/of het verlenen van medewerking daaraan;
- vii) het vragen en/of geven van toestemming voor het plaatsen en/of het gebruik van opruiende en/of wervende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal;
- viii) het fysiek tonen van opruiende en/of wervende geschriften/documenten en/of beeld- en/of geluidmateriaal;
- ix) het inzamelen van geldelijke steun, in de vorm van geld en goederen, ten behoeve van (de deelnemers aan) de gewapende jihadstrijd in Syrië;
- x) het vervoeren en/of verdelen en/of vragen van geldelijke steun, in de vorm van geld en goederen, ten behoeve van (de deelnemers aan) de gewapende jihadstrijd in Syrië;
- xi) het verschaffen van inlichtingen en/of gelegenheid, in de vorm van simkaarten, contactgegevens, telefoonnummers en instructies, ter bevordering van (het in het strijdgebied brengen en/of het aansluiten van deelnemers bij) de gewapende jihadstrijd in Syrië.
:(i), (ii), (iii), (iv), (v), (vi), (ix), (x) en (xi), ziende op de oogmerken: opruiing, het verspreiden van opruiende geschriften, het werven voor de gewapende strijd, het financieren van terrorisme en het voorbereiden en/of bevorderen van de gewapende strijd;
19.Overige feiten Azzedine C.09/765004-15, feit 1: haat zaaien en/of belediging
groepen mensenwegens het enkele feit dat de leden daarvan (voor zover in deze zaak van belang) van een ras zijn of de godsdienst belijden, waartegen de kritiek gericht is.