ECLI:NL:GHDHA:2026:2273

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
200.358.246/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over onrechtmatige advisering effectenlease door tussenpersoon zonder vergunning

Deze zaak betreft een effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde], waarbij via de tussenpersoon SpaarAdvies advies werd gegeven zonder de vereiste vergunning. De kernvraag was of Dexia wist of behoorde te weten dat SpaarAdvies vergunningplichtig advies gaf, waardoor Dexia onrechtmatig handelde.

De kantonrechter wees de vorderingen van Dexia af en kende [geïntimeerde] een schadevergoeding toe van €14.765,34. Dexia stelde hoger beroep in en voerde aan dat zij niet op de hoogte was van de advisering door SpaarAdvies en dat de stellingen van [geïntimeerde] onvoldoende concreet waren.

Het hof oordeelde dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen die op grote schaal gepersonaliseerd advies gaven zonder vergunning, en dat Dexia onvoldoende had gemotiveerd waarom zij niet kon weten van deze advisering. De stellingen van [geïntimeerde] werden als voldoende onderbouwd aangenomen. Dexia werd veroordeeld tot volledige schadevergoeding, proceskosten en wettelijke rente. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Dexia onrechtmatig handelde en veroordeelt haar tot volledige schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.358.246/01
Zaaknummer rechtbank : 11261634 RL EXPL 24-12
Arrest van 21 juli 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 5 juni 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde];
  • de door partijen gedeponeerde stukken, waarnaar zij in deze zaak verwijzen.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon (hierna te noemen: SpaarAdvies). Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door SpaarAdvies die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als SpaarAdvies beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 517,33 te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst tussen haar en [geïntimeerde] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en dat zij niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Dexia heeft tevens gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
3.3.
[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd en geconcludeerd dat de vordering van Dexia moet worden afgewezen. Verder heeft [geïntimeerde] een tegenvordering ingesteld waarin is gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] en Dexia wordt veroordeeld de schade van [geïntimeerde] te vergoeden. Zij heeft ook gevorderd Dexia te veroordelen in de proceskosten.
3.4.
De kantonrechter heeft de vorderingen van Dexia afgewezen en de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. De door [geïntimeerde] geleden schade heeft de kantonrechter begroot op € 14.765,34. De kantonrechter heeft Dexia tevens veroordeeld in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft het hof verzocht om Dexia niet ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans de aangevoerde grieven te verwerpen en het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning en (b) Dexia hiervan op de hoogte was, of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] SpaarAdvies als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [2]
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop SpaarAdvies in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “Inhoudelijke verweren” in haar conclusie van antwoord. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] kwam in contact met SpaarAdvies op aanraden van een kennis die goede ervaringen had met hun financiële dienstverlening. Omdat zij kort daarvoor weduwe was geworden en advies zocht over haar nieuwe financiële situatie, werd er een afspraak gemaakt voor een adviesgesprek aan huis met een bij naam genoemde medewerker van SpaarAdvies. Deze medewerker is vervolgens meerdere keren bij haar op huisbezoek geweest. Tijdens deze gesprekken werden de persoonlijke situatie en de wensen van [geïntimeerde] besproken. Zij gaf aan dat zij geen weduwepensioen zou ontvangen, waardoor zij weer moest gaan werken om in haar inkomen te voorzien. Ook vertelde zij dat zij een aanzienlijke erfenis van haar overleden man zou ontvangen, maar dat dit geld op dat moment nog niet beschikbaar was. [geïntimeerde] maakte duidelijk dat zij vermogen wilde opbouwen voor haar pensioen. De medewerker adviseerde haar uiteindelijk om een Capital Effect-overeenkomst bij Dexia af te sluiten. Door een groot deel van de erfenis te investeren, kon een vooruitbetaling worden gedaan ter zake van de effectenleaseovereenkomst. Vanwege haar beperkte financiële kennis vertrouwde [geïntimeerde] volledig op dit advies en volgde zij het op. De medewerker zette de aanvraag vervolgens in gang en bezocht [geïntimeerde] opnieuw thuis voor de ondertekening van de overeenkomst. Daarnaast hielp de medewerker actief mee om het geld uit de erfenis vrij te krijgen. Omdat hiervoor een bezoek aan de notaris noodzakelijk was, is de medewerker van SpaarAdvies ook bij dit bezoek aanwezig geweest. Op deze wijze is [geïntimeerde] de overeenkomst aangegaan, aldus [geïntimeerde].
4.7.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en SpaarAdvies is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door SpaarAdvies aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Deze omstandigheid brengt volgens Dexia mee, dat van haar niet kan worden gevergd haar stellingen en de betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] nader te motiveren. Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Deze herinneringen zeggen volgens Dexia weinig tot niets over wat er werkelijk is voorgevallen tussen [geïntimeerde] en SpaarAdvies. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van SpaarAdvies bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia stelt daarbij dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat niet is vastgesteld dat de tussenpersonen een vaste werkwijze hanteerden die is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Volgens Dexia is er genoeg jurisprudentie voorhanden waaruit volgt dat tussenpersonen in veel gevallen niet vergunningplichtig adviseerden en daarom bestaat ook in dit geval de mogelijkheid dat niet vergunningplichtig is geadviseerd. Tot slot betoogt Dexia dat uit de stellingen van [geïntimeerde] niet volgt dat SpaarAdvies een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor [geïntimeerde] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde]. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.8.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Mede in aanmerking wordt genomen dat Dexia in een eigen memorandum (d.d. 25 maart 2007) ook het standpunt heeft ingenomen dat de werkzaamheden van de tussenpersonen, met wie zij werkte op basis van een cliëntenremisierovereenkomst, zich zelden beperkten tot de werkzaamheden van een cliëntenremisier in strikte zin en dat doorgaans sprake was van het geven van beleggingsadvies.
4.9.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen afnemers slechts zelden in algemene zin pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Het betreft hier een eigen verantwoordelijkheid van Dexia. Zij heeft niet erop mogen vertrouwen dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet in strijd met de wet handelden. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
4.10.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van SpaarAdvies bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de financiële situatie en wensen van [geïntimeerde] zijn besproken, (ii) [geïntimeerde] de financiële doelen aan SpaarAdvies bekend heeft gemaakt, (iii) SpaarAdvies vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat SpaarAdvies het effectenleaseproduct aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde], en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van [geïntimeerde] dat SpaarAdvies met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, hiermee voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.11.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Daarbij betrekt het hof dat uit het betoog van Dexia niet blijkt dat zij de medewerker van SpaarAdvies, met wie [geïntimeerde] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst heeft gesproken, op enig moment heeft bevraagd over de gang van de zaken in de concrete situatie van [geïntimeerde] om aldus haar (blote) betwisting nader te kunnen onderbouwen. Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), snijdt geen hout. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure in 2005-2006 en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde] zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.
4.12.
Voor zover Dexia nog aanvoert dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt dit verweer verworpen. Uit HR 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat SpaarAdvies vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.14.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde].
4.15.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist of moest weten dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat SpaarAdvies aan de eisen van artikel 41 NR Pro 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat SpaarAdvies vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door SpaarAdvies werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat SpaarAdvies [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.16.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat SpaarAdvies adviseerde. Hierbij komt dat dat het hof hiervoor al heeft vastgesteld dat Dexia wist of behoorde te weten dat SpaarAdvies [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.17.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Conclusie
4.18.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de schade van [geïntimeerde] - begroot op
€ 14.765,34 vermeerderd met de wettelijke rente - volledig dient te vergoeden. Dit betekent ook dat de kantonrechter terecht de vordering van Dexia tot betaling van € 517,33 aan restschuld heeft afgewezen. Grief III is dus onterecht voorgesteld.
4.19.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht voorwaardelijk wordt toegewezen. Omdat de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Slotsom en proceskosten
4.20.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.21.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 362,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1.5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, E.I. Mentink en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).