ECLI:NL:GHDHA:2026:2287

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/473
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 110 VWEUArt. 8:79 lid 1 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm ondanks betwisting waardevermindering ex-rental en schade

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm ontvangen en betwist de hoogte daarvan, met name de waardebepaling van een gebruikte Jeep Compass 1.4 MultiAir SUV. De Rechtbank had de naheffingsaanslag verminderd, maar het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De kern van het geschil betreft de vraag of de auto een ex-rental is en of er sprake is van een waardevermindering door schade of het ontbreken van een Nederlands onderhoudsboekje. Belanghebbende kon onvoldoende bewijs leveren dat de auto intensief verhuurd is geweest of dat de schade groter is dan vastgesteld door de deskundigen van Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Ook het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket werd niet als waardeverminderend erkend.

Daarnaast werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de uitspraak binnen de redelijke termijn is gedaan. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de proceskostenvergoeding werd niet toegekend.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag bpm en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/473

Uitspraak van 30 juni 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 mei 2025, nummer SGR 23/8228.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.687 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 21 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 365 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.044 en vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 5.461 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Jeep Compass 1.4 MultiAir SUV (de auto). De datum van eerste toelating is 29 juni 2020.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] . Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 47.925 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 20.491. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 8.155 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto en een vermindering van € 615 (3%) toegepast in verband met overige waarde verminderende factoren, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 11.721. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 22.329 (CO2-uitstoot van 177 g/km).
2.3.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 4.687 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 26 januari 2022. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 47.925 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 22.285 (Xray). DRZ heeft de bruto reparatiekosten vastgesteld op € 798,27, waarvan € 575 (72%) als in aanmerking te nemen schade. De Inspecteur heeft een bedrag van € 695,42 aan schade aannemelijk geacht, waarvan € 501 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De Inspecteur heeft de waarde van een “Boekenpakket NL” van € 102,85 buiten aanmerking gelaten. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 21.784 (afschrijving van 54,55%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 22.329 (CO2-uitstoot van 177 g/km).
2.4.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 3.044, omdat tussen partijen niet meer in geschil is dat de historische nieuwprijs van de auto € 57.117 bedraagt.
2.5.
Tot de gedingstukken behoort een afschrift van het Duitse kentekenbewijs van de auto. Het kentekenbewijs staat op naam van [Bedrijfsnaam 1] en bevat de vermelding “SelbstF-VermietFzg”.
2.6.
Voorts behoort tot de gedingstukken een afschrift van een “Verklaring Ex Rental (verhuurauto)” van 12 maart 2025 waarin het volgende is vermeld:
“Hierbij verklaar ik [naam en geboortedatum]
Namens destijds Firma [Bedrijfsnaam 2]
[adres] . Kvk [nummer]
Verkocht te hebben een Jeep Compass van bouwjaar 29-06-2020 met
Chassisnr : […] Met aardig wat schades
En zoals verteld bij de verkoop als ex Rental (ex verhuur auto) van de Firma [Bedrijfsnaam 1]
Verkocht aan Firma
[Bedrijfsnaam 3]
[adres]
(…)”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“9. Niet meer in geschil is dat verweerder de historische nieuwprijs op een te laag bedrag heeft vastgesteld. Verweerder heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag een verkeerde historische nieuwprijs als uitgangspunt is genomen. De historische nieuwprijs van de auto bedraagt € 57.117. Dit resulteert in een verschuldigde BPM van € 8.505. De naheffingsaanslag dient verminderd te worden tot een bedrag van € 3.044. Het beroep is in zoverre gegrond.
(…)
DRZ
13. Eiseres heeft gesteld dat DRZ schade over het hoofd heeft gezien, mogelijk omdat de desbetreffende medewerkers ondeskundig waren of onzorgvuldig hebben opgetreden. Bovendien heeft DRZ verzuimd om binnen de autobranche ontwikkeld beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade toe te passen volgens eiseres.
14. De rechtbank verwerpt deze klachten. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan (eventueel) beleid dat de autobranche voert en hetzelfde geldt voor verweerder.
Waardevermindering wegens schade
15. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte en een aantal reparatiefacturen.
16. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres foto’s overgelegd van de dakplaat van de auto. De rechtbank stelt vast dat DRZ het schuurwater op het dak van de auto heeft geconstateerd en heeft vastgesteld dat dit door middel van polijsten kan worden verwijderd. De rechtbank kan aan de hand van de overgelegde foto’s ter zitting en in het taxatierapport niet zien dat sprake is van meer schade aan de auto dan door DRZ is vastgesteld.
17. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het ontbreken van het Nederlandstalige boekenpakket. Verweerder heeft overtuigend op zitting gesteld dat het desbetreffende boekje een Nederlands onderhoudsboekje betreft en dat een uit het buitenland afkomstige auto geen Nederlands onderhoudsboekje heeft. Als dat boekje er al zou zijn geweest, dan zou dit boekje blanco zijn volgens verweerder. De rechtbank volgt verweerder hier in en oordeelt dat verweerder terecht geen schade hiervoor in aanmerking heeft genomen. Dat het boekenpakket een waarde vertegenwoordigt dan wel het ontbreken daarvan een nadelig effect heeft op de handelsinkoopwaarde van € 85 heeft eiseres ook niet aannemelijk gemaakt.
Ex-rental correctie
18. Eiseres stelt dat de auto een huurverleden heeft, omdat de auto afkomstig is van een Duits autoverhuurbedrijf genaamd [Bedrijfsnaam 1] én op het Duitse kentekenbewijs ‘Selbstfahrvermietfahrzeug’ staat vermeld. Verweerder heeft volgens eiseres in de waardevaststelling onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de auto een huurverleden heeft. Het huurverleden rechtvaardigt een waardevermindering. X-ray biedt de mogelijkheid voor een dergelijke correctie. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bedraagt volgens eiseres € 20.491.
19. Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de auto een ex-rental betreft, waardoor voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde vóór schade geen gebruik kan worden gemaakt van de koerslijst Xray uit het taxatierapport. Uit de stukken volgt enkel dat op het kentekenbewijs vermeld staat dat het voertuig op naam heeft gestaan van [Bedrijfsnaam 1] . Hieruit kan verweerder niet afleiden dat de auto daadwerkelijk intensief verhuurd is. Ook wordt door DRZ onderschreven dat niet uit de stukken blijkt dat de auto in korte tijd intensief is gebruikt door verschillende gebruikers.
20. De bewijslast rust op eiseres om aannemelijk te maken dat sprake is van een huurverleden en, alsdan, hoeveel de waardevermindering bedraagt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, met de enkele verwijzing naar een afschrift van het Duitse kentekenbewijs en het gegeven dat de auto afkomstig is van [Bedrijfsnaam 1] ., onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto een huurverleden heeft, die een waardevermindering rechtvaardigt. De rechtbank kan op basis van de stukken en onderbouwing van eiseres niet vaststellen dat de auto voor kortere periodes voor intensief gebruik is verhuurd aan verschillende derden. De relatief lage kilometerstand van de auto geeft hier ook geen indicatie voor. Daarnaast is intensief gebruik óf slijtage door intensief gebruik ook niet vastgesteld door DRZ. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Conclusie
21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond.
22. Nu het beroep gegrond is verklaard, dient het door eiseres betaalde griffierecht te worden vergoed.
Immateriële schadevergoeding
23. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 8 mei 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 mei 2025. De redelijke termijn is dan nog niet overschreden. Eiseres heeft daarom geen recht op vergoeding van immateriële schade.

Proceskostenvergoeding

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de handelsinkoopwaarde op het juiste bedrag is vastgesteld. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en:
  • primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
  • subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs van de auto op € 57.177, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 19.368, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 7.563 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 2.102; en
  • meer subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs van de auto op € 57.177, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 19.916, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 7.777 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 2.316.
Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van immateriële schade en om vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, waarbij artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 buiten toepassing blijft.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Ex-rental
5.1.1.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een auto met een huurverleden (ex-rental). Volgens belanghebbende moet derhalve de koerslijst Xray inclusief ex-rental worden toegepast.
5.1.2.
Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU 19 december 2013, X, ECLI:EU:C:2013:857.
5.1.3.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens ex-rental rust op belanghebbende. Belanghebbende verwijst in dat verband naar het Duitse kentekenbewijs (zie 2.5), de verklaring van Firma [Bedrijfsnaam 2] (zie 2.6) en de kilometerstand van de auto van 20.000.
5.1.4.
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden die zijn aangevoerd op zichzelf en in onderling verband beschouwd onvoldoende zijn om te oordelen dat het aannemelijk is dat de auto een huurverleden heeft en dat een waardevermindering daarvoor gerechtvaardigd is. Het Hof overweegt hiertoe als volgt. De verklaring is ruim drie jaar na dato afgegeven. Bovendien is de verklaring niet afgegeven door [Bedrijfsnaam 1] , het bedrijf dat de auto volgens belanghebbende voor verhuur heeft gebezigd, maar door de wederpartij waarvan belanghebbende de auto heeft gekocht. Ten aanzien van het kentekenbewijs merkt het Hof op dat de enkele vermelding van “Vermietung” in de naam en de aanduiding “SelbsF-VermietFzg” onvoldoende zijn om aannemelijk te achten dat sprake is van een ex-rental voertuig. Belanghebbendes stelling dat een kilometerstand van 20.000 een indicatie is dat sprake is van een ex-rental auto, omdat dit een kilometerstand is waarmee huurauto’s worden afgestoten, is niet nader met stukken onderbouwd. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank op dit punt.
Waardevermindering wegens schade en het ontbreken van een Nederlands boekenpakket
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat uit het taxatierapport, de foto’s en de bijgevoegde schadecalculatie volgt dat sprake is van een grotere waardevermindering wegens schade dan DRZ in aanmerking heeft genomen en dat de Inspecteur om die reden ten onrechte niet een grotere waardevermindering wegens schade heeft toegekend. Ook stelt belanghebbende dat de Inspecteur ten onrechte geen waardevermindering wegens het ontbreken van het Nederlandse boekenpakket in aanmerking heeft genomen. Volgens belanghebbende bedraagt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 21.162.
5.2.2.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).
5.2.3.
De Rechtbank heeft in haar uitspraak op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van de auto ten tijde van het doen van de aangifte bpm sprake was van meer schade dan door de Inspecteur is onderkend. De verwijzing naar het taxatierapport, foto’s en de bijgevoegde schadecalculatie is daarvoor onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur en het rapport van DRZ. De foto’s in het taxatierapport tonen de in de schadecalculatie opgenomen gebreken en schade niet en op de foto’s in het rapport van DRZ is die schade evenmin zichtbaar. Volgens DRZ kan het schuurwater op de dakplaat door middel van polijsten worden weggewerkt. Door kosten voor het polijsten in aanmerking te nemen, heeft DRZ voldoende rekening gehouden met de geringe beschadiging van de auto. Belanghebbende voldoet gelet op het voorgaande niet aan de op haar rustende bewijslast.
5.2.4.1. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten onrechte geen bedrag in aanmerking heeft genomen vanwege het ontbrekende Nederlandstalige boekenpakket. Hij verwijst daarbij naar hetgeen door [naam taxateur] en DRZ is geconstateerd en naar het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.
5.2.4.2. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende haar standpunt nader toegelicht door te stellen dat het gaat om het ontbreken van een Nederlandstalig literatuurpakket, waartoe ook een Nederlandstalig instructieboekje behoort. Het Hof gaat aan dit standpunt voorbij, omdat belanghebbende niet heeft onderbouwd dat de afwezigheid van een Nederlandstalig instructieboekje een waarde verminderend effect heeft, dat een eventueel waarde verminderend effect niet reeds is verdisconteerd in de koerslijstwaarde die als uitgangspunt is genomen voor de waardebepaling, en belanghebbende overigens niet heeft geconcretiseerd wat verder nog tot een Nederlandstalig literatuurpakket van de auto behoort. Daar komt bij dat, zoals de Inspecteur terecht heeft gesteld, een dergelijk instructieboekje online is te vinden. De verwijzing door belanghebbende naar het arrest HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, maakt dit niet anders. In de casus in dat arrest had het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat de belastingplichtige aannemelijk had gemaakt dat het ontbreken van een instructieboekje een waarde verminderend effect had. Onder die omstandigheden oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Als verweven met waarderingen van feitelijke aard kon dat oordeel in cassatie niet op juistheid worden getoetst. In de onderhavige casus acht het Hof belanghebbende er juist niet in geslaagd dat de afwezigheid van een Nederlandstalig instructieboekje een waarde verminderend effect heeft.
Vergoeding van immateriële schade
5.3.1.
Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg, nu de Rechtbank uitspraak heeft gedaan op 6 mei 2025, maar haar uitspraak pas op 12 mei 2025 heeft bekendgemaakt door plaatsing daarvan in de digitale omgeving van de Rechtspraak.
5.3.2
In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriële schadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat een rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de griffier van de rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen.
5.3.3.
De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 25 maart 2025 gesloten en meegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 6 mei 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak, die is gedaan binnen een termijn van twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur, is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen. Voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade is geen aanleiding.
Slotsom
5.4.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.