ECLI:NL:GHDHA:2026:2453

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
200.361.107/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 BWArt. 7:681 BWArt. 7:686a lid 4 sub a BWArt. 33 lid 6 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over billijke vergoeding na onregelmatig ontslag en vakantiegeldbetaling

De werknemer trad op 1 juni 2023 in dienst bij Poort 1893 B.V. als meewerkend kok. Na meerdere arbeidsovereenkomsten werd het dienstverband op 3 mei 2024 onregelmatig beëindigd via een bericht namens de werkgever. De werknemer diende op 3 juli 2025 een verzoekschrift in voor een billijke vergoeding wegens onrechtmatig ontslag, maar dit gebeurde via gewone e-mail in plaats van het voorgeschreven 'Veilig Mailen'.

Het hof oordeelt dat het verzoekschrift tijdig en ontvankelijk is ingediend, ondanks de gebrekkige indieningswijze, omdat de werkgever niet is geschaad en het niet zinvol was om herstel te eisen. Vervolgens stelt het hof vast dat de opzegging in strijd was met artikel 7:671 BW Pro en dat de werkgever daarom een billijke vergoeding verschuldigd is, vastgesteld op twee maandsalarissen (€ 4.405,96 bruto).

De vordering tot betaling van vakantiegeld over 2024 en 2025 wordt afgewezen omdat de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat deze bedragen reeds zijn voldaan, onder meer via betalingen aan de kredietbank en salarisstroken. De transitievergoeding wordt toegewezen. Het hof vernietigt de eerdere uitspraak van de kantonrechter en bepaalt dat de werkgever de proceskosten in eerste aanleg draagt, terwijl de kosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof verklaart het verzoekschrift ontvankelijk, veroordeelt de werkgever tot betaling van een billijke vergoeding en transitievergoeding, en wijst de vordering vakantiegeld af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.361.107/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11782948 \ RP VERZ 25-50515
Beschikking van 12 mei 2026
in de zaak van
De besloten vennootschap Poort 1893 B.V.,
gevestigd in Wassenaar,
verzoekster,
advocaat: mr. E.M. van der Niet, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[verweerder],
wonend in [plaats],
verweerder,
advocaat: mr. P.H.J. Körver, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna Poort en [verweerder].

1.De zaak in het kort

1.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of de werknemer het verzoekschrift bij de kantonrechter wel op tijd heeft ingediend omdat dat niet via ‘Veilig Mailen’ is gebeurd zoals het toepasselijke procesreglement voorschrijft. Daarnaast is aan de orde de vraag of de werkgever aan werknemer een billijke vergoeding verschuldigd is en of er nog vakantiegeld moet worden betaald.
1.2
Het hof oordeelt dat het verzoekschrift ontvankelijk is en de werkgever een billijke vergoeding moet betalen. Het gevorderde vakantiegeld wordt afgewezen.

2.Procesverloop in hoger beroep

Bij beroepschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 4 november 2025, is Poort in hoger beroep gekomen van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2025 (hierna: de bestreden uitspraak).
[verweerder] heeft een verweerschrift met bijlage ingediend dat op 17 februari 2026 is ontvangen door de griffie van het hof.
Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 12 maart 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gestuurd en zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 1 juni 2023 is [verweerder] in dienst getreden van Poort. De functie van [verweerder] was die van meewerkend kok met een salaris van € 2.202,98 bruto per maand. Op 1 november 2023 zijn Poort en [verweerder] een tweede arbeidsovereenkomst voor een jaar aangegaan. Op 1 november 2024 is deze arbeidsovereenkomst verlengd.
3.2
Op 3 mei 2024 is het volgende bericht namens Poort aan [verweerder] verzonden:
“Ik hoop dat het goed met je gaat. We willen je informeren dat we jouw dienstverband met Poort 1893 B.v formeel beëindigen. Je laatste contract liep tot 1 november 2024, en we hadden ook mondeling een verlenging voor een half jaar besproken.
We hebben begrepen dat je ervoor hebt gekozen om naar een afkickkliniek te gaan en je op je herstel te focussen. We willen je laten weten dat we deze beslissing respecteren en je steunen in deze belangrijke stap. Jouw gezondheid en welzijn zijn van groot belang, en we begrijpen dat dit de juiste keuze voor jou is.
Wij zullen nu overgaan tot het opmaken van een eindafrekening. Deze zal alle openstaande betalingen en zaken omvatten, zodat alles correct wordt afgehandeld. Je ontvangt deze eindafrekening spoedig van ons.
We willen je bedanken voor je inzet en bijdrage aan ons team. We wensen je veel succes in je toekomstige stappen en hopen dat je een mooie weg vooruit vindt.”
3.3
De gemachtigde van [verweerder] heeft op 3 juli 2025 per e-mail een verzoekschrift (zonder bijlagen) strekkende tot onder meer betaling van een billijke vergoeding in verband met een onrechtmatig ontslag ingediend bij de rechtbank Den Haag (kanton.dhg@rechtspraak.nl). Het verzoekschrift met bijlagen is nagezonden per gewone post.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[verweerder] heeft de kantonrechter verzocht om Poort te veroordelen tot het betalen van het vakantiegeld over de jaren 2024 en 2025 van € 4.405,96, de transitievergoeding van € 1.468,65, de aanzeggingsvergoeding van € 2.202,98, de wettelijke verhoging van € 4.038,80, een billijke vergoeding van € 4.405,96 en de kosten van de procedure.
4.2
De kantonrechter heeft ter zitting van 5 augustus 2025 mondeling uitspraak gedaan en het verzoek van [verweerder] tot het betalen van het vakantiegeld, de transitievergoeding en de billijke vergoeding toegewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter Poort in de proceskosten veroordeeld. De overige verzoeken van [verweerder] heeft de kantonrechter afgewezen.

5.Verzoek in hoger beroep

5.1
Poort verzoekt - zakelijk weergegeven - de bestreden uitspraak gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
  • [verweerder] niet ontvankelijk in (een deel van) zijn verzoeken te verklaren, althans het verzoek om een billijke vergoeding, vakantiegeld en proceskosten af te wijzen, althans op nihil te bepalen, althans op een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen brutobedrag;
  • [verweerder] te veroordelen om binnen zeven dagen na de uitspraak in hoger beroep terug te betalen hetgeen Poort op grond van de bestreden uitspraak voldaan heeft maar in hoger beroep geen stand houdt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van voldoening door Poort tot de dag der terugbetaling door verweerder;
  • [verweerder] te veroordelen in de kosten van beide instanties.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van Poort op het volgende. Het verzoek van [verweerder] tot toekenning van een billijke vergoeding is niet binnen de in de artikel 7:686a lid 4 sub a BW voorgeschreven termijn van twee maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingediend, zodat hij niet ontvankelijk is in dit verzoek. Als hij wel ontvankelijk is, is er gelet op alle omstandigheden geen billijke vergoeding verschuldigd, althans moet die vergoeding op nihil worden gesteld. Verder is het vakantiegeld over 2024 en 2025 wel voldaan en heeft te gelden dat nog moet worden opgenomen dat als Poort nog wel iets verschuldigd is aan [verweerder], het om bruto bedragen gaat. Voorts wijst Poort erop dat op grond van alle feiten en omstandigheden [verweerder] in de proceskosten veroordeeld had moeten te worden.
5.3
[verweerder] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden uitspraak.

6.Beoordeling in hoger beroep

Ontvankelijkheid

6.1
Allereerst is de vraag aan de orde of [verweerder] zijn verzoekschrift bij de kantonrechter tijdig heeft ingediend en de kantonrechter hem terecht heeft ontvangen in zijn verzoek tot het betalen van een billijke vergoeding door Poort.
6.2
Op grond van artikel 7:686a lid 4 sub a BW moet een verzoek tot betaling van een billijke vergoeding binnen twee maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn ingediend. Poort stelt zich op het standpunt dat het verzoekschrift pas op 8 juli 2025 op de juiste wijze is ingediend en het toezenden van het verzoekschrift op 3 juli 2025 via de gewone e-mail buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat op grond van artikel 1.2.2 van het ‘Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter’ de toezending via ‘Veilig Mailen’ had moeten gebeuren. Daarom kan, volgens Poort, 3 juli 2025 niet als ontvangstdatum van het verzoekschrift worden aangemerkt.
6.3
Het hof stelt vast dat Poort niet heeft betwist dat de gemachtigde van [verweerder] het verzoekschrift op 3 juli 2025 per e-mail aan de rechtbank Den Haag heeft toegestuurd, zodat hiervan wordt uitgegaan. Het hof gaat ervan uit dat het verzoekschrift die dag ook door de griffie is ontvangen. Het verzoekschrift is dus binnen twee maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingediend. Het verzoekschrift is evenwel op gebrekkige wijze ingediend omdat het per gewone (onbeveiligde) e-mail is ingediend en niet per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals voor de indiening van processtukken per e-mail is voorgeschreven in het in deze zaak toepasselijke procesreglement.
6.4
Uitgangspunt in een dergelijk geval is dat de rechter de indienende partij in de gelegenheid stelt om dit gebrek te herstellen door binnen een door de rechter te bepalen termijn hetzelfde verzoekschrift alsnog via ‘Veilig Mailen’ in te dienen. Maakt de indienende partij van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter haar niet-ontvankelijk verklaren. De rechter kan evenwel in de omstandigheid dat het alsnog indienen van het verzoekschrift via ‘Veilig Mailen’ geen zinvol herstel is van het eerdere onbeveiligd mailen, aanleiding zien om deze herstelmogelijkheid achterwege te laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk te verklaren.
Het voorgaande strookt met het sinds 1 juli 2025 geldende art. 33 lid 6 Rv Pro, dat een algemene herstelmogelijkheid in geval van elektronisch procederen behelst. [1]
6.5
Gelet op al het bovenstaande en nu verder niet is gebleken dat Poort door deze wijze van indiening in enig procesrechtelijk belang is geschaad, is het hof van oordeel dat het in het onderhavige geval niet zinvol was het verzoekschrift opnieuw en dan via ‘Veilig Mailen’ in te laten dienen, zodat de herstelmogelijkheid achterwege kon blijven en het verzoek van [verweerder] ontvankelijk was.
Billijke vergoeding
6.6
Vervolgens komt aan de orde de vraag of Poort gehouden is een billijke vergoeding aan [verweerder] te betalen. Poort stelt in haar beroepschrift dat zij niet weerspreekt dat zij de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW Pro heeft opgezegd, maar dat dit op grond van de omstandigheden waaronder dit gebeurde niet ernstig verwijtbaar is te achten, zodat geen billijke vergoeding verschuldigd is. Gelet op deze eigen stellingen van Poort is dan ook niet in geschil dat er op 3 mei 2025 tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond en dat deze arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze is beëindigd met het app-bericht zoals weergegeven onder 3.2. Dat er sprake zou zijn geweest van een instemming met de opzegging zoals door Poort nog is aangevoerd op de mondelinge behandeling in hoger beroep, kan niet worden aangenomen. Deze nieuwe stelling is niet eerder dan op de mondelinge behandeling ingenomen. Dat is te laat en daarmee in strijd met de twee conclusie regel. Daarnaast (en ten overvloede) kan in het app-bericht van [verweerder] waarin hij laat weten dat het jammer is dat het zo is gelopen en hij het wil afsluiten ook geen instemming met de opzegging van arbeidsovereenkomst worden afgeleid, omdat hierin geen voldoende duidelijke en ondubbelzinnige instemming te lezen is.
6.7
Omdat Poort heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW Pro is zij reeds op grond van artikel 7:681 BW Pro een billijke vergoeding verschuldigd. Ernstige verwijtbaarheid is daarvoor niet nodig, hoewel uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het opzeggen in strijd met de geldende regels een werkgever ernstig valt aan te rekenen. De door Poort aangevoerde omstandigheden, waaronder de diverse verzoeken aan [verweerder] om weer te komen werken, kunnen dat niet veranderen. Poort is dan ook in beginsel een billijke vergoeding aan [verweerder] verschuldigd.
6.8
Met de hier aan de orde zijnde billijke vergoeding, wordt geen andere vergoeding bedoeld dan de billijke vergoeding zoals die elders in de WWZ is opgenomen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad [2] volgt dat het er bij de begroting van de billijke vergoeding, kort gezegd, om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De rechter kan daarbij rekening houden met de gevolgen van het ontslag voor zover die zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt. De Hoge Raad heeft in dat verband een niet-limitatieve lijst van gezichtspunten geformuleerd die van belang kunnen zijn bij de begroting van de vergoeding, waaronder:
- hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de beëindiging niet zou hebben plaatsgevonden;
- de mate waarin de werkgever een verwijt valt te maken;
- de gevolgen van het ontslag voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever;
- of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden en welke inkomsten hij daaruit geniet;
- de andere inkomsten die de werknemer in de toekomst naar verwachting kan verwerven;
- de hoogte van de aan de werknemer toekomende transitievergoeding.
6.9
Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter maar kan dienen om de werkgever te wijzen op de noodzaak zijn gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen. Dit laatste strookt met het uitgangspunt dat met de billijke vergoeding ook kan worden tegengegaan dat werkgevers er voor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen, omdat dit voor hen voordeliger is dan het op juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan [3] .
6.1
[verweerder] heeft de hoogte van de door hem verzochte billijke vergoeding van twee maandsalarissen in zijn verzoekschrift niet nader toegelicht. In hoger beroep heeft [verweerder] gesteld dat hij van de een op de andere dag zonder inkomsten is komen te zitten en twee maanden heeft moeten wachten op zijn uitkering omdat Poort bij de opzegging de opzegtermijn van twee maanden niet in acht had genomen. Deze omstandigheden heeft Poort niet betwist.
6.11
Gelet op deze omstandigheden en gezien de naar verwachting beperkte waarde van de arbeidsovereenkomst komt het hof uit op de gevorderde billijke vergoeding van € 4.405,96 bruto (twee maandsalarissen). Hierbij wordt nog overwogen dat er hierbij geen sprake is van een schadevergoeding en de daarbij eventueel horende schadebeperkingsplicht en/of eigen schuld zoals door Poort is aangevoerd niet aan de orde is.
Betaling vakantiegeld
6.12
In de bestreden uitspraak is het vakantiegeld over 2025 van € 2.202,98 toegewezen. Poort heeft aangevoerd, onderbouwd met een betalingsbewijs, dat dit bedrag ten behoeve van [verweerder] is overgemaakt aan de kredietbank. [verweerder] heeft dit erkend, zodat dit deel van de vordering ten onrechte is toegewezen. De bestreden uitspraak moet wat dit onderdeel betreft dan ook worden vernietigd.
6.13
Poort heeft ook gesteld dat het eveneens door de kantonrechter toegewezen vakantiegeld over 2024 is voldaan, door een girale betaling aan de kredietbank ten behoeve van [verweerder] en een contante betaling zoals vermeld op de salarisstrook van mei 2024 die digitaal naar [verweerder] is verzonden (en bij de stukken zit). Hoewel [verweerder] heeft aangevoerd geen contant geld te hebben ontvangen, heeft hij de betwisting dat het vakantiegeld over 2024 niet is uitbetaald - gelet op wat Poort heeft aangevoerd en aangetoond - onvoldoende onderbouwd. Ter zitting is gebleken dat [verweerder] in mei 2024 een bericht heeft gehad over salaris en hoewel hij heeft gezegd niet altijd salarisstroken te hebben ontvangen en/of gezien, heeft hij niet betwist dat de salarisbetalingen en salarisstroken geautomatiseerd verliepen en werden verzonden. Het is onder die omstandigheden niet aannemelijk dat in de maand mei 2024 er geen salarisstrook zou zijn verzonden. Op de salarisstrook stond het verschuldigde vakantiegeld vermeld, alsmede de betaling daarvan. Ook heeft Poort gedurende het dienstverband de verschuldigde bedragen telkens betaald en was er kennelijk nimmer een achterstand, een gemiste of een te late betaling. De girale betaling in mei 2024 is door [verweerder] ook niet betwist. Daarnaast is ook het vakantiegeld over 2025 door Poort tijdig betaald, terwijl [verweerder] aanvankelijk stelde dat dat niet was betaald. Onder deze omstandigheden is de enkele (blote) betwisting van de contante betaling, terwijl Poort de salarisstrook en stukken van de betaling aan de kredietbank in het geding heeft gebracht, onvoldoende. Ook dit deel van de bestreden uitspraak zal daarom vernietigd moeten worden.
6.14
Poort heeft nog aangevoerd dat in de uitspraak ten onrechte niet vermeld staat dat het om bruto bedragen gaat. Dit is door [verweerder] niet bestreden, zodat ook in zoverre de uitspraak van de kantonrechter vernietigd zal worden en zal worden opgenomen dat het om brutobedragen gaat. Dit geldt ook voor de transitievergoeding, waarvan de toewijzing en de hoogte zelf niet door de grieven is bestreden.
Conclusie en proceskosten
6.15
De conclusie is dat het hoger beroep van Poort deels slaagt. Voor de duidelijkheid zal het hof de uitspraak van de kantonrechter geheel vernietigen en het dictum opnieuw formuleren, waarbij geldt dat Poort de proceskosten in eerste aanleg dient te dragen omdat Poort niet is overgegaan tot vrijwillige betaling van wat zij verschuldigd was en een procedure daarvoor nodig was. Poort heeft desgevraagd op de mondelinge behandeling laten weten naar aanleiding van de uitspraak van de kantonrechter nog geen enkele betaling aan [verweerder] te hebben gedaan. Er is dan ook geen grond voor het toewijzen van de vordering tot het terugbetalen door [verweerder] van wat Poort op grond van de mondelinge uitspraak in eerste aanleg voldaan heeft. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen. Gelet op het feit dat partijen in hoger beroep deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 5 augustus 2025;
en opnieuw rechtdoende:
  • veroordeelt Poort tot betaling aan [verweerder] van een billijke vergoeding van € 4.405,96 bruto;
  • veroordeelt Poort tot betaling aan [verweerder] van de transitievergoeding van € 1.468,65 bruto;
  • veroordeelt Poort in de proceskosten in eerste aanleg van € 768,00;
  • compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
  • bepaalt dat als Poort niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Poort de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,00;
  • wijst af wat (in hoger beroep) meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Verkerk, M.D. Ruizeveld en O.F. Blom en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Hoge Raad 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:514.
2.onder meer Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle), Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Service Now).
3.vgl. Hoge Raad 8 juni 2028, ECLI:NL:HR:2018:878, (Zinzia rov. 3.3.5).