Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
5.Verzoek in hoger beroep
- [verweerder] niet ontvankelijk in (een deel van) zijn verzoeken te verklaren, althans het verzoek om een billijke vergoeding, vakantiegeld en proceskosten af te wijzen, althans op nihil te bepalen, althans op een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen brutobedrag;
- [verweerder] te veroordelen om binnen zeven dagen na de uitspraak in hoger beroep terug te betalen hetgeen Poort op grond van de bestreden uitspraak voldaan heeft maar in hoger beroep geen stand houdt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van voldoening door Poort tot de dag der terugbetaling door verweerder;
- [verweerder] te veroordelen in de kosten van beide instanties.
6.Beoordeling in hoger beroep
Ontvankelijkheid
Het voorgaande strookt met het sinds 1 juli 2025 geldende art. 33 lid 6 Rv Pro, dat een algemene herstelmogelijkheid in geval van elektronisch procederen behelst. [1]
7.Beslissing
- veroordeelt Poort tot betaling aan [verweerder] van een billijke vergoeding van € 4.405,96 bruto;
- veroordeelt Poort tot betaling aan [verweerder] van de transitievergoeding van € 1.468,65 bruto;
- veroordeelt Poort in de proceskosten in eerste aanleg van € 768,00;
- compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
- bepaalt dat als Poort niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Poort de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,00;
- wijst af wat (in hoger beroep) meer of anders is verzocht.