Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Gebruik koerslijst X-Ray
7. In dit geval zijn zowel eisers taxateur als DRZ uitgegaan van de (waarden van de) koerslijst X-Ray. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de bewuste koerslijst niet als zodanig is aan te merken, omdat er aan die koerslijst geen werkelijke transacties ten grondslag liggen. Verweerder verwijst daarbij naar het door hem ingediende nader stuk met – onder meer – een verklaring van een medewerker van de Belastingdienst die dit heeft geconstateerd en heeft verklaard: “
Xray kan dus enkel op prognose gebaseerd zijn en niet op werkelijke transacties”. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de gebruikte koerslijst aldus geen (echte) koerslijst kan zijn en dat daarom daarvan niet kan worden uitgegaan. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. De rechtbank vindt de stellingen en conclusies van verweerder in dit verband onvoldoende concreet en onvoldoende onderbouwd met bewijsmiddelen, waardoor de rechtbank die niet (voldoende) op juistheid kan toetsen. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat verweerder niet afdoende heeft kunnen verklaren hoe het dan kan dat de koerslijst X-Ray wel waarden als uitkomst heeft gegeven en waarom DRZ die dan heeft gebruikt. Verweerder heeft in dit verband in wezen volstaan met te stellen dat
‘de koerslijst verkeerd zal zijn ingevuld door eisers taxateur en/of DRZ’, zonder precies aan te kunnen geven wat er verkeerd is ingevuld, door wie en hoe dat heeft kunnen gebeuren. Dat acht de rechtbank, zonder nadere toelichting of afdoende uitleg die verweerder dus niet heeft kunnen geven, te vaag en daarom onvoldoende. Gelet daarop, in samenhang bezien met het feit dat zowel eisers taxateur als DRZ zonder enige constatering, voorbehoud of mededeling op dit punt de uitkomsten van de bewuste koerslijst hebben gevolgd, vindt de rechtbank geen reden om die koerslijst(waarden) buiten beschouwing te laten.
8. Nu de rechtbank de bewuste koerslijst om vorenbedoelde reden niet buiten beschouwing laat, behoeft eisers in dit verband gedane beroep op het vertrouwensbeginsel – wat immers dezelfde strekking heeft – hier geen verdere behandeling.
9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser.[1] Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport, dat hij ten grondslag heeft gelegd aan de aangifte, en naar een drietal reparatiefacturen van in totaal € 8.564. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, waaronder het rapport van DRZ met omvangrijk fotomateriaal, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met meer schade rekening had moeten houden, dan reeds door verweerder is toegekend. De enkele verwijzing naar het taxatierapport en de reparatiefacturen is daarvoor onvoldoende. Ook de uitgebreide toelichting van eisers taxateur/deskundige (de opsteller van het taxatierapport) in het nader stuk van eiser acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De daarin weergegeven stellingen en conclusies van die deskundige acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd met concrete (toetsbare) bewijsmiddelen om die, tegenover de nadrukkelijke en gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, aannemelijk te achten, althans om op grond daarvan aannemelijk te achten dat DRZ schadeposten ten onrechte (geheel dan wel ten dele) buiten aanmerking heeft gelaten. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat ook na lezing van de bewuste verklaring van eisers deskundige in het nader stuk, in samenhang bezien met verweerders reactie daarop en betwisting ter zitting, niet duidelijk is wat precies ‘echte’ schade is en wat niet en wanneer welke schade er precies was en al dan niet zou zijn gerepareerd dan wel ontstaan. Immers, de foto’s van de auto zijn, naar ter zitting is toegelicht, van verschillende, niet per foto geduide momenten waarbij de staat van (onderdelen van) de auto niet steeds dezelfde is, terwijl onduidelijk is hoe en wanneer een en ander is veranderd/gewijzigd en hoe zich dat verhoudt tot de staat van de auto op het moment van de verschillende opnames/keuringen. Al met al acht de rechtbank onvoldoende inzichtelijk en daardoor niet aannemelijk gemaakt dat de auto meer schade had dan door DRZ is waargenomen en gerapporteerd. De rechtbank vindt in al hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ook geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ, of aan de juistheid en uitkomsten van de bevindingen van DRZ. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat verweerder er terecht nadrukkelijk op heeft gewezen, dat eiser geen inkoopfactuur van de auto heeft overgelegd, terwijl dat wel een aan een taxatierapport gestelde eis is en een inkoopfactuur relevante informatie kan bevatten over de staat van de auto.[2]
10. Verder kan uit de door eiser ingebrachte reparatiefacturen niet worden opgemaakt dat deze zien op herstel van schade die op het moment van het doen van aangifte aanwezig was, aangezien de in de facturen opgenomen reparaties niet in het taxatierapport als schadeposten voorkomen. Dat in dat verband – zoals eisers gemachtigde ter zitting concreet heeft gesteld over de reparatienota voor de versnellingsbak – sprake is schades die achteraf zijn gebleken maar die ten tijde van de aangifte wel reeds aanwezig waren (verborgen gebrek), acht de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting ter zitting van verweerder – zoals onder meer dat de op de bewuste factuur vermelde kilometerstand ‘weerspreekt’ dat er iets aan de versnellingsbak is gedaan –, niet aannemelijk gemaakt. Daarvoor ontbreken overtuigende (controleerbare) bewijsmiddelen.
11. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat moet worden uitgegaan van een ander type van de auto dan waar DRZ vanuit is gegaan bij het invullen van de koerslijst. Eisers deskundige voert dat weliswaar aan, maar verweerder heeft daarover ter zitting onweersproken gesteld dat het type waarnaar de deskundige in dat verband verwijst óók een ander type is dan de auto van eiser. Voor de conclusie dat het type van eisers deskundige beter vergelijkbaar is met de auto dan het type waar DRZ vanuit is gegaan, is in alles wat namens eiser is aangevoerd noch in de gedingstukken enige ondersteuning te vinden. Net als verweerder ziet de rechtbank dan ook geen grond voor de conclusie dat het door eisers deskundige genoemde type beter vergelijkbaar is met de auto dan het door DRZ gebruikte type. Ook in zoverre ziet de rechtbank dus geen aanleiding het DRZ-rapport niet te volgen.
12. Dat ten slotte, zoals eiser stelt, de autobranche beleid heeft ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan (eventueel) beleid van de autobranche.
13. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een waardevermindering van € 9.500 had moeten toepassen wegens het schadeverleden van de auto. Voor deze waardevermindering rust de bewijslast op eiser.[3] Eiser heeft weliswaar gemotiveerd gesteld dat deze extra waardevermindering op zijn plaats is, hij heeft echter, terwijl verweerder deze waardevermindering nadrukkelijk heeft betwist, geen enkel onderbouwend bewijsmiddel aangedragen waaruit de door hem bepleite waardevermindering blijkt dan wel waaruit deze zou kunnen worden afgeleid. Hoewel uit de foto’s bij het taxatierapport blijkt dat de auto op enig moment forse schade heeft gehad, heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van voormalige schade die van dien aard is dat dit - ook na herstel daarvan - leidt tot een blijvende waardevermindering, laat staan dat dit een bedrag van € 9.500 zou belopen. Eiser heeft dan ook niet aan zijn bewijslast voldaan, zodat verweerder terecht geen extra waardevermindering in aanmerking heeft genomen. Dat DRZ in het rapport niet concreet heeft opgenomen dat géén sprake is van een dergelijk schadeverleden, maakt dit niet anders. Dat maakt niet dat, wat eiser kennelijk meent, DRZ die schade zoals door eisers taxateur in aanmerking genomen, heeft erkend. En dat neemt ook niet weg dat de bewijslast van een vermindering wegens een dergelijk schadeverleden volledig op eiser rust, in welke bewijslast hij dus niet is geslaagd.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 29 december 2022 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van 20 december 2024. De redelijke termijn is niet overschreden.
16. Nu het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het ter zitting gedane verzoek van eisers gemachtigde om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.