ECLI:NL:GHDHA:2026:332

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/53
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2 Wet bpmArt. 19a Wet bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm na geschil over waardebepaling en schadecorrecties Audi RS 3 Sportback

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm van €7.178 ontvangen na registratie van een Audi RS 3 Sportback. De berekening van de bpm was gebaseerd op een taxatierapport met een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat, waarbij discussie bestond over de juiste koerslijst en de omvang van de schadecorrecties.

De Rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, onder meer omdat de gebruikte koerslijst XRAY onbetrouwbaar werd geacht door de Inspecteur, maar de rechtbank vond onvoldoende bewijs om deze koerslijst buiten beschouwing te laten. Het Hof bevestigt dat de koerslijst van de Inspecteur (AutotelexPro) het meest geschikt is en wijst de door belanghebbende gestelde extra schade en waardeverminderingen af wegens onvoldoende bewijs.

Het Hof neemt wel een beperkte extra schadevergoeding aan voor een extra laklaag bij metallic lak. De naheffingsaanslag is niet te hoog vastgesteld en de redelijke termijn is niet overschreden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag bpm en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/53

Uitspraak van 13 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2024, nummer SGR 23/8348.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 7.178 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond; en
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 december 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 4 juli 2022 op aangifte een bedrag van € 5.012 aan bpm voldaan voor de registratie van een Audi RS 3 Sportback (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 7 juli 2020.
2.2.
In de aangifte is de te betalen bpm voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [naam] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 28 juni 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 30 juni 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 98.709 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 43.703 (koerslijst XRAY). De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 18.400 (€ 16.327,85 (100% van de totale gecalculeerde reparatiekosten) -/- € 525 (gebruikerssporen) + € 9.500 (waardevermindering wegens schadeverleden)). In de aangifte is een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat aangegeven van € 17.400.
2.3.
De RDW heeft de auto op 29 juni 2022 goedgekeurd voor gebruik op de weg. De RDW heeft geen foto’s gemaakt van de auto.
2.4.
Belanghebbende heeft op 6 juli 2022 de auto voor controle getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 7 juli 2022 opgemaakt. DRZ heeft in dit rapport de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 98.895, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 44.304 (koerslijst XRAY) en een bedrag van € 2.669 aan schade vastgesteld. Van dat schadebedrag is € 1.922 (72%) in aanmerking genomen, waardoor DRZ de handelsinkoopwaarde van de auto heeft bepaald op € 42.382.
2.5.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 7.178 (€ 12.190 verschuldigde bpm -/- € 5.012 voldane bpm) nageheven. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van voormeld rapport van DRZ.
2.6.
Na een verzoek daartoe door (de gemachtigde van) belanghebbende van 10 januari 2025 heeft de RDW de CO2-uitstoot in het kentekenregister aangepast naar een WLTP-waarde van 216 g/km.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Gebruik koerslijst X-Ray
7. In dit geval zijn zowel eisers taxateur als DRZ uitgegaan van de (waarden van de) koerslijst X-Ray. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de bewuste koerslijst niet als zodanig is aan te merken, omdat er aan die koerslijst geen werkelijke transacties ten grondslag liggen. Verweerder verwijst daarbij naar het door hem ingediende nader stuk met – onder meer – een verklaring van een medewerker van de Belastingdienst die dit heeft geconstateerd en heeft verklaard: “
Xray kan dus enkel op prognose gebaseerd zijn en niet op werkelijke transacties”. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de gebruikte koerslijst aldus geen (echte) koerslijst kan zijn en dat daarom daarvan niet kan worden uitgegaan. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. De rechtbank vindt de stellingen en conclusies van verweerder in dit verband onvoldoende concreet en onvoldoende onderbouwd met bewijsmiddelen, waardoor de rechtbank die niet (voldoende) op juistheid kan toetsen. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat verweerder niet afdoende heeft kunnen verklaren hoe het dan kan dat de koerslijst X-Ray wel waarden als uitkomst heeft gegeven en waarom DRZ die dan heeft gebruikt. Verweerder heeft in dit verband in wezen volstaan met te stellen dat
‘de koerslijst verkeerd zal zijn ingevuld door eisers taxateur en/of DRZ’, zonder precies aan te kunnen geven wat er verkeerd is ingevuld, door wie en hoe dat heeft kunnen gebeuren. Dat acht de rechtbank, zonder nadere toelichting of afdoende uitleg die verweerder dus niet heeft kunnen geven, te vaag en daarom onvoldoende. Gelet daarop, in samenhang bezien met het feit dat zowel eisers taxateur als DRZ zonder enige constatering, voorbehoud of mededeling op dit punt de uitkomsten van de bewuste koerslijst hebben gevolgd, vindt de rechtbank geen reden om die koerslijst(waarden) buiten beschouwing te laten.
8. Nu de rechtbank de bewuste koerslijst om vorenbedoelde reden niet buiten beschouwing laat, behoeft eisers in dit verband gedane beroep op het vertrouwensbeginsel – wat immers dezelfde strekking heeft – hier geen verdere behandeling.
Schade
9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser.[1] Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport, dat hij ten grondslag heeft gelegd aan de aangifte, en naar een drietal reparatiefacturen van in totaal € 8.564. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, waaronder het rapport van DRZ met omvangrijk fotomateriaal, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met meer schade rekening had moeten houden, dan reeds door verweerder is toegekend. De enkele verwijzing naar het taxatierapport en de reparatiefacturen is daarvoor onvoldoende. Ook de uitgebreide toelichting van eisers taxateur/deskundige (de opsteller van het taxatierapport) in het nader stuk van eiser acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De daarin weergegeven stellingen en conclusies van die deskundige acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd met concrete (toetsbare) bewijsmiddelen om die, tegenover de nadrukkelijke en gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, aannemelijk te achten, althans om op grond daarvan aannemelijk te achten dat DRZ schadeposten ten onrechte (geheel dan wel ten dele) buiten aanmerking heeft gelaten. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat ook na lezing van de bewuste verklaring van eisers deskundige in het nader stuk, in samenhang bezien met verweerders reactie daarop en betwisting ter zitting, niet duidelijk is wat precies ‘echte’ schade is en wat niet en wanneer welke schade er precies was en al dan niet zou zijn gerepareerd dan wel ontstaan. Immers, de foto’s van de auto zijn, naar ter zitting is toegelicht, van verschillende, niet per foto geduide momenten waarbij de staat van (onderdelen van) de auto niet steeds dezelfde is, terwijl onduidelijk is hoe en wanneer een en ander is veranderd/gewijzigd en hoe zich dat verhoudt tot de staat van de auto op het moment van de verschillende opnames/keuringen. Al met al acht de rechtbank onvoldoende inzichtelijk en daardoor niet aannemelijk gemaakt dat de auto meer schade had dan door DRZ is waargenomen en gerapporteerd. De rechtbank vindt in al hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ook geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ, of aan de juistheid en uitkomsten van de bevindingen van DRZ. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat verweerder er terecht nadrukkelijk op heeft gewezen, dat eiser geen inkoopfactuur van de auto heeft overgelegd, terwijl dat wel een aan een taxatierapport gestelde eis is en een inkoopfactuur relevante informatie kan bevatten over de staat van de auto.[2]
10. Verder kan uit de door eiser ingebrachte reparatiefacturen niet worden opgemaakt dat deze zien op herstel van schade die op het moment van het doen van aangifte aanwezig was, aangezien de in de facturen opgenomen reparaties niet in het taxatierapport als schadeposten voorkomen. Dat in dat verband – zoals eisers gemachtigde ter zitting concreet heeft gesteld over de reparatienota voor de versnellingsbak – sprake is schades die achteraf zijn gebleken maar die ten tijde van de aangifte wel reeds aanwezig waren (verborgen gebrek), acht de rechtbank tegenover de gemotiveerde betwisting ter zitting van verweerder – zoals onder meer dat de op de bewuste factuur vermelde kilometerstand ‘weerspreekt’ dat er iets aan de versnellingsbak is gedaan –, niet aannemelijk gemaakt. Daarvoor ontbreken overtuigende (controleerbare) bewijsmiddelen.
11. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat moet worden uitgegaan van een ander type van de auto dan waar DRZ vanuit is gegaan bij het invullen van de koerslijst. Eisers deskundige voert dat weliswaar aan, maar verweerder heeft daarover ter zitting onweersproken gesteld dat het type waarnaar de deskundige in dat verband verwijst óók een ander type is dan de auto van eiser. Voor de conclusie dat het type van eisers deskundige beter vergelijkbaar is met de auto dan het type waar DRZ vanuit is gegaan, is in alles wat namens eiser is aangevoerd noch in de gedingstukken enige ondersteuning te vinden. Net als verweerder ziet de rechtbank dan ook geen grond voor de conclusie dat het door eisers deskundige genoemde type beter vergelijkbaar is met de auto dan het door DRZ gebruikte type. Ook in zoverre ziet de rechtbank dus geen aanleiding het DRZ-rapport niet te volgen.
12. Dat ten slotte, zoals eiser stelt, de autobranche beleid heeft ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan (eventueel) beleid van de autobranche.
Schadeverleden
13. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een waardevermindering van € 9.500 had moeten toepassen wegens het schadeverleden van de auto. Voor deze waardevermindering rust de bewijslast op eiser.[3] Eiser heeft weliswaar gemotiveerd gesteld dat deze extra waardevermindering op zijn plaats is, hij heeft echter, terwijl verweerder deze waardevermindering nadrukkelijk heeft betwist, geen enkel onderbouwend bewijsmiddel aangedragen waaruit de door hem bepleite waardevermindering blijkt dan wel waaruit deze zou kunnen worden afgeleid. Hoewel uit de foto’s bij het taxatierapport blijkt dat de auto op enig moment forse schade heeft gehad, heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van voormalige schade die van dien aard is dat dit - ook na herstel daarvan - leidt tot een blijvende waardevermindering, laat staan dat dit een bedrag van € 9.500 zou belopen. Eiser heeft dan ook niet aan zijn bewijslast voldaan, zodat verweerder terecht geen extra waardevermindering in aanmerking heeft genomen. Dat DRZ in het rapport niet concreet heeft opgenomen dat géén sprake is van een dergelijk schadeverleden, maakt dit niet anders. Dat maakt niet dat, wat eiser kennelijk meent, DRZ die schade zoals door eisers taxateur in aanmerking genomen, heeft erkend. En dat neemt ook niet weg dat de bewijslast van een vermindering wegens een dergelijk schadeverleden volledig op eiser rust, in welke bewijslast hij dus niet is geslaagd.
Conclusie
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
15. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 29 december 2022 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van 20 december 2024. De redelijke termijn is niet overschreden.
Proceskosten
16. Nu het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het ter zitting gedane verzoek van eisers gemachtigde om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. en ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2.
[3] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Tussen partijen is in geschil:
1. Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
2. Heeft de Inspecteur de CO2-uitstoot juist vastgesteld?
3. Heeft de Inspecteur de inkoopwaarde in onbeschadigde staat tot het juiste bedrag vastgesteld?
4. Heeft de Inspecteur voldoende rekening gehouden met een waardevermindering vanwege schade?
5. Dient een ex-schade correctie in aanmerking te worden genomen?
6. Dient artikel 19a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet bpm) te worden toegepast?
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot – zo begrijpt het Hof – vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag en tot vergoeding van de (proces)kosten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Bruto bpm
5.1.
Vaststaat dat de CO2-uitstoot NEDC2 van de auto 195 g/km bedraagt en de CO2-uitstoot WLTP 216 g/km. Belanghebbende doet een beroep op het tarief dat gold per juli 2020 voor de CO2-uitstoot WLTP. Tussen partijen is niet in geschil dat de bruto bpm op basis van deze uitgangspunten € 26.002 bedraagt.
Historische nieuwprijs
5.2.
In hoger beroep gaan beide partijen uit van een historische nieuwprijs zonder opties van € 85.980 en een netto catalogusprijs zonder opties van € 46.647 (€ 85.980 -/- € 29.537 (bruto bpm) -/- € 9.796 (btw)). Tijdens het onderzoek ter zitting is vast komen te staan dat de bruto bpm € 26.002 bedraagt. Partijen verschillen nog van mening over het bedrag van de opties dat in aanmerking moet worden genomen. Belanghebbende is uitgegaan van een bedrag aan opties van € 10.518, de Inspecteur gaat uit van een bedrag van € 6.236 (beide bedragen exclusief btw). Het Hof sluit aan bij de berekening van de Inspecteur, omdat die is gebaseerd op een handmatige invoer van de opties zoals die blijken uit het SilverDat VIN-informatie Rapport. Gesteld nog gebleken is dat deze handmatige invoer onjuist is. Het vorenstaande leidt ertoe dat de historische nieuwprijs van de auto € 89.990 bedraagt (€ 52.883 (€ 46.647 + € 6.236) + € 11.105 (21% btw) + € 26.002).
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
5.3.1.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Inspecteur de verkeerde koerslijst heeft gebruikt. De Inspecteur erkent dit. De Inspecteur sluit zich echter niet aan bij de koerslijst XRAY die belanghebbende heeft gebruikt. Hij wijst erop dat aan de koerslijst waarvan belanghebbende is uitgegaan gegevens ontbreken en voorts dat belanghebbende ten onrechte in de koerslijst XRAY een totaalbedrag aan niet gespecificeerde opties in aanmerking heeft genomen afkomstig van de koerslijst AutotelexPro.
5.3.2
Reeds omdat belanghebbende de gegevens van twee koerslijsten heeft gecombineerd kan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.3, ook de koerslijst van belanghebbende niet worden gebruikt ter bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat.
5.3.3.
De Inspecteur heeft in hoger beroep de koerslijst AutotelexPro overgelegd. Omdat de door belanghebbende overgelegde koerslijst XRAY en de eerdere koerslijst van de Inspecteur niet kunnen dienen, belanghebbende in zijn hogerberoepschrift ook uitgaat van gegevens van de koerslijst AutotelexPro en niets heeft ingebracht tegen de door de Inspecteur in hoger beroep overgelegde koerslijst, gaat het Hof hier ook van uit (zie ook 5.2). De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bedraagt derhalve € 48.450.
Schade
5.4.1.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De beoordelaar van DRZ heeft een bedrag aan schade in aanmerking genomen. De afwijzing van de rest van de door belanghebbende gestelde schade is in het rapport van DRZ toegelicht. Belanghebbende stelt dat DRZ ten onrechte te weinig schade in aanmerking heeft genomen en verwijst daarbij naar het taxatierapport.
5.4.2.
Het Hof is met belanghebbende van oordeel dat twee keer spuiten onvoldoende is om de delen van de auto die ten tijde van de schouw bij DRZ een primerlaag bevatten qua lak in de dezelfde staat te brengen als de overige blauwe delen. Namelijk een laag blauwe lak, een laag metallic en een laag blanke lak (vernis). Gelet op het door DRZ in aanmerking genomen bedrag voor twee lagen, neemt het Hof nog een extra bedrag van (€ 700 x 72% =) € 504 aan schade in aanmerking.
5.4.3.
De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof op goede gronden beslist dat, afgezien van het bedrag voor het spuitwerk, niet meer schade in aanmerking hoeft te worden genomen dan reeds is gedaan. Het enkele opsommen van gebreken onder opgave van de daaraan verbonden reparatiekosten in een taxatierapport is, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldoende om extra schade aannemelijk te maken. De foto’s in het rapport van DRZ tonen geen extra schade aan. De gestelde schade aan voorbeeld de koplamp betreft, aangezien sprake is van een auto met een kilometerstand van ongeveer 87.000, naar het oordeel van het Hof normale gebruikersschade. In het taxatierapport van belanghebbende is geen bedrag in aanmerking genomen voor vloermatten. Het Hof acht ook niet aannemelijk dat vloermatten in een auto en wielkappen van een auto van ongeveer twee jaar oud dusdanig zijn versleten dat zij moeten worden vervangen. Dit geldt ook voor een ster in de voorruit. Het type banden (winterbanden in plaats van zomerbanden) betreft naar het oordeel van het Hof ook geen schade.
5.4.4.
Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met latente (verborgen) schade die na de hertaxatie is gerepareerd en waarvan drie reparatienota’s zijn overgelegd.
5.4.5.
Het Hof is met de Rechtbank en de Inspecteur van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om enige latente schade in aanmerking te nemen. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat zowel de taxateur van belanghebbende als de taxateur van DRZ de gestelde schade aan de versnellingsbak niet heeft geconstateerd en dat diverse bedragen op de overgelegde nota’s zien op regulier onderhoud (olie verversen, filter vervangen, nieuwe remschijven). Daarbij komt dat geen facturen zijn overgelegd van ontbrekende delen vermeld in het taxatierapport, dat met de auto na de schouw bij DRZ in bijna vier weken nog ongeveer 1.250 kilometer is gereden voordat de versnellingsbak is vervangen en de remschijven van de auto een week ervoor bij hetzelfde garagebedrijf zijn vervangen, het garagebedrijf daarna een proefrit heeft gemaakt en daarbij blijkbaar geen problemen met de versnellingsbak constateerde.
Ex-schade
5.5.
Belanghebbende stelt dat ter bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden met een aftrek van € 9.500 wegens het schadeverleden van de auto. Ook op dit punt sluit het Hof zich aan bij de gronden en de beslissing hieromtrent van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat met enig bedrag aan aftrek ter zake van het schadeverleden van de auto rekening dient te worden gehouden (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2). Dat de auto total loss is geweest, is niet aannemelijk gemaakt.
De naheffingsaanslag
5.6.
Uitgaande van een waardevermindering tot € 46.024 (€ 48.450 -/- € 1.922 -/- € 504 ) bedraagt de verschuldigde bpm op het moment van registratie € 46.024/€ 89.990 x € 26.002 = (afgerond) € 13.298. Belanghebbende heeft € 5.012 bpm op aangifte voldaan. De naheffingsaanslag van € 7.178 is derhalve niet op een te hoog bedrag vastgesteld.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, A. van Dongen en L.D.M.A Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.