ECLI:NL:GHDHA:2026:336

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
200.325.848/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 41 NR 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over onrechtmatige advisering effectenlease door niet-vergunde tussenpersoon

Deze zaak betreft drie effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en geïntimeerde, waarbij de kernvraag is of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door het inzetten van een tussenpersoon zonder vergunning die vergunningplichtig advies gaf.

De feiten zijn niet bestreden: de tussenpersoon heeft geïntimeerde gepersonaliseerd beleggingsadvies gegeven zonder de vereiste vergunning, terwijl Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. Dexia voerde verjaring aan, maar het hof oordeelde dat de verjaring was gestuit door tijdige sommatiebrieven.

Het hof overweegt dat Dexia bewust gebruik maakte van tussenpersonen als verkoopkanaal en had moeten controleren of deze vergunningplichtig adviseerden. De stellingen van geïntimeerde over de advisering zijn voldoende onderbouwd en niet effectief betwist door Dexia.

Dexia's beroep op eigen schuld faalt, omdat de billijkheid eist dat Dexia volledig aansprakelijk blijft. Ook het fiscale voordeel is door het hof correct beoordeeld. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt Dexia in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door vergunningplichtig advies via een niet-vergunde tussenpersoon en veroordeelt Dexia tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.848/01
Zaaknummer rechtbank: : 9120393 EL 21-18
Arrest van 17 maart 2026
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 19 januari 2023 (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten producties van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over drie effectenleaseovereenkomsten met de nummers [contractnummer 1] , [contractnummer 2] en [contractnummer 3] . Deze overeenkomsten zijn tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon die in het dossier ook wel wordt aangeduid als ‘ [tussenpersoon] ’. Het hof zal deze tussenpersoon hierna ‘ [tussenpersoon] ’ noemen. In hoger beroep is nog slechts de vraag aan de orde of [geïntimeerde] ten aanzien van de effectenleaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 1] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
Voor zover in hoger beroep nog van belang heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia ter zake van de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] . Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de kantonrechter Dexia veroordeelt tot betaling van al datgene wat [geïntimeerde] aan Dexia heeft betaald uit hoofde van deze overeenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Dexia heeft een verklaring voor recht gevorderd dat zij aan al haar verplichtingen uit hoofde van overeenkomst [contractnummer 1] heeft voldaan en dat [geïntimeerde] niets meer van Dexia te vorderen heeft.
3.4.
De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. In reconventie heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] is verschuldigd, nadat Dexia is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als weergegeven onder 5.2 van het bestreden vonnis. Dexia is veroordeeld in de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en tot het alsnog toewijzen van haar reconventionele vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Dexia in de proceskosten van dit hoger beroep.
Verjaring
4.4.
Het beroep van Dexia op verjaring van de vordering van [geïntimeerde] gaat niet op. De vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop [geïntimeerde] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW Pro). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW Pro). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW Pro niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. [1]
4.5.
De onderhavige vordering van [geïntimeerde] is gegrond op artikel 6:162 BW Pro en dat artikel wordt in de eerste sommatiebrief expliciet genoemd. Het feit dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 NR Pro 1999, betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR Pro 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat [geïntimeerde] ook expliciet in zijn stuitingsberichten vermeldde dat hij Dexia onrechtmatig handelen verweet specifiek (ook) op grond van artikel 41 NR Pro 1999.
4.6.
De conclusie is dat [geïntimeerde] de verjaring heeft gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring faalt.
Juridisch kader
4.7.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van effectenleaseovereenkomst [contractnummer 1] met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomst [contractnummer 1] met [geïntimeerde] [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [2]
Advisering
4.8.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [3]
4.9.
In de inleidende dagvaarding onder het kopje “De feitelijke gang van zaken” heeft [geïntimeerde] een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met de nummers [contractnummer 1] , [contractnummer 2] en [contractnummer 3] . De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer.
Effectenleaseovereenkomst [contractnummer 3]
4.10.
[geïntimeerde] is voor het eerst in contact gekomen met [tussenpersoon] via zijn werkgever. [geïntimeerde] wilde advies inwinnen over een spaarloonregeling. Daarom is een afspraak gemaakt voor een huisbezoek met een bij naam genoemde adviseur van [tussenpersoon] . Tijdens het huisbezoek is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen [geïntimeerde] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerde] door de adviseur van [tussenpersoon] geadviseerd om de Capital Effect-overeenkomst van Dexia af te nemen. Dit product kon volgens de adviseur worden bekostigd door [geïntimeerde] door een nieuwe hypothecaire lening aan te gaan, nu [geïntimeerde] een overwaarde op zijn woning had. Dit product was volgens de adviseur van [tussenpersoon] geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is hierop afgaande een eerste effectenleaseovereenkomst aangegaan. De adviseur heeft voor [geïntimeerde] een hypotheekofferte opgevraagd bij Bouwfonds Hypotheken. Bij deze partij is de hypothecaire lening ter financiering van de effectenlease ook afgesloten aldus [geïntimeerde] .
Effectenleaseovereenkomst [contractnummer 1]
4.11.
Enkele maanden na het aangaan van effectenleaseovereenkomst [contractnummer 3] heeft de adviseur van [tussenpersoon] weer contact opgenomen met [geïntimeerde] . De adviseur gaf [geïntimeerde] aan dat mooie winsten waren behaald met effectenleaseovereenkomst [contractnummer 3] en dat hij graag wilde langskomen bij [geïntimeerde] om verdere mogelijkheden toe te lichten. Zo heeft een tweede huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens dit huisbezoek heeft de adviseur [geïntimeerde] geadviseerd om effectenleaseovereenkomst [contractnummer 3] stop te zetten en de winst in een nieuwe effectenleaseovereenkomst te storten. [geïntimeerde] heeft conform dit advies effectenleaseovereenkomst [contractnummer 3] beëindigd en is de tweede effectenleaseovereenkomst met nummer [contractnummer 1] aangegaan. Dit is de overeenkomst die in hoger beroep nog in geschil is.
Effectenleaseovereenkomst [contractnummer 2]
4.12.
Enige tijd later is er wederom contact geweest tussen de adviseur van [tussenpersoon] en [geïntimeerde] . [geïntimeerde] had wat spaargeld ter beschikking om in een pensioenvoorziening te investeren. Bij dit contact heeft de adviseur [geïntimeerde] geadviseerd om dit geld in een nieuw effectenleaseproduct te stoppen. [geïntimeerde] heeft dit advies opgevolgd en is zo effectenleaseovereenkomst [contractnummer 2] aangegaan.
4.13.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Dexia voert verder aan dat de (blote) stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Zo volgt uit de stukken hooguit dat [tussenpersoon] betrokken is geweest bij de totstandkoming van de eerste effectenleaseovereenkomst, maar niet welke inhoudelijke rol zij daarbij vervuld heeft. Dexia wijst er in dat verband eveneens op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Volgens Dexia kan uit de overgelegde stukken niet worden opgemaakt dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] een persoonlijke aanbeveling heeft gedaan. Dexia betwist dat er huisbezoeken hebben plaatsgevonden. Als dat wel het geval is geweest, is het zonder meer voorstelbaar dat de medewerker van [tussenpersoon] zich tijdens deze bezoeken heeft beperkt tot het doen van algemene aanprijzingen van het effectenleaseproduct, zonder daarbij te informeren naar de financiële doelen of situatie van [geïntimeerde] . Dexia stelt dat [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de tussenpersoon uitvraag heeft gedaan naar zijn financiële omstandigheden en doelen en dat [geïntimeerde] ook niet heeft gesteld dat enig ander product is besproken dan het uiteindelijk afgenomen Capital Effect. Dat [geïntimeerde] een hypothecaire lening is aangegaan, betekent volgens Dexia nog niet dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan in relatie tot effectenleaseovereenkomst [contractnummer 1] , als al zou moeten worden aangenomen dat [tussenpersoon] betrokken is geweest bij het aanvragen van de hypothecaire lening. Dexia concludeert dat niet vast staat dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd door [tussenpersoon] en dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen.
4.14.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website in 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruik maakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht aan personen heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia heeft gelegen te controleren wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Als dat het geval was, zou Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer hebben moeten weigeren. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.15.
De door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomst met nummer [contractnummer 1] , moet gezien de prejudiciële beslissing worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon bij de totstandkoming van de eerste Capital Effect-overeenkomst (met nummer [contractnummer 3] ) heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] , en dat (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt. De tussenpersoon heeft [geïntimeerde] vervolgens geadviseerd deze Capital Effect-overeenkomst af te sluiten. Vervolgens heeft de tussenpersoon [geïntimeerde] enkele maanden later aangeraden de eerste Capital Effect-overeenkomst voortijdig te beëindigen en met de winst het tweede Capital Effect-product aan te schaffen door middel van effectenleaseovereenkomst [contractnummer 1] . Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct met nummer [contractnummer 1] aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde] , en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken, zoals beschreven door [geïntimeerde] , bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.16.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Zij heeft ook onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de herinneringen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Het hof zal Dexia daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs.
4.17.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon ten aanzien van effectenleaseovereenkomst [contractnummer 1] vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
4.18.
Het verweer van Dexia dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt verworpen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien zij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
4.19.
Het hof ziet in wat Dexia in deze procedure verder heeft aangevoerd over de juridische betekenis van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing, geen aanleiding om anders te beslissen dan wel om ter zake daarvan prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Wetenschap Dexia
4.20.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde] .
4.21.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van artikel 41 NR Pro 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door [tussenpersoon] werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat in de volledige naam van [tussenpersoon] – [tussenpersoon] – tot uitdrukking dat zij (financieel) advies gaf. Dit was eenvoudig voor Dexia na te gaan en zij had hierin aanleiding moeten zien na te gaan of [tussenpersoon] zich onthield van het uitbrengen van vergunningplichtig advies over en bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomsten. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.22.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Doorgeven van een order
4.23.
De grief van Dexia over het doorgeven van een order behoeft geen bespreking, onder meer omdat [geïntimeerde] zich er niet meer op beroept dat Dexia schadeplichtig zou zijn vanwege – kort gezegd – de rol van een tussenpersoon als orderremisier.
Fiscaal voordeel
4.24.
Dexia richt grief V tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] de juistheid van het fiscaal voordeel gemotiveerd heeft betwist. Dexia beschikt niet meer over de jaaropgaven van 1998 tot en met 2000, maar gaat uit van de bedragen die uit haar eigen administratie volgen. Het is dan ook aan [geïntimeerde] om deze jaaropgaven over te leggen en het tegendeel te bewijzen. Het fiscale voordeel bedraagt daarom € 2.777,33 en dient als zodanig mee te worden genomen in de vaststelling van de schadeomvang, aldus Dexia.
4.25.
Het hof volgt Dexia niet. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een ‘overzicht biljetten van proces’ over 1998/1999 overgelegd. Het daarin vermelde inkomen viel inderdaad in een lagere belastingschijf dan waarvan Dexia is uitgegaan, namelijk in die van 36,35%. Gelet hierop ziet het hof, anders dan Dexia betoogt, geen aanleiding uit te gaan van de juistheid van de aanname van Dexia dat [geïntimeerde] in de hoogste belastingschijf valt. De kantonrechter heeft in rov. 4.15 van het bestreden vonnis dan ook terecht geoordeeld dat bij de berekening van het voordeel van [geïntimeerde] een belastingpercentage van 36,35% moet worden gehanteerd. De grief van Dexia slaagt dan ook niet.
Verklaring voor recht
4.26.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief VI op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht voorwaardelijk wordt toegewezen. Nu de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Conclusie
4.27.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet onvoorwaardelijk kan worden geoordeeld dat Dexia niets meer verschuldigd is aan [geïntimeerde] , omdat zij de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden.
4.28.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.15 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
4.29.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.30.
Het hof passeert de stelling van Dexia dat [geïntimeerde] in strijd met artikel 85 lid 4 Rv Pro heeft gehandeld door bij memorie van antwoord 53 producties over te leggen. Het gaat vrijwel uitsluitend om stukken die bekend zijn bij de advocaten van beide partijen en die in bijna alle Dexia-zaken overgelegd plegen te worden. Er zijn slechts een paar producties overgelegd die specifiek op deze zaak zien en op die producties heeft Dexia – naar eigen zeggen – bij akte gereageerd.
4.31.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 343,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M.C.M. van Dijk en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:274.
2.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).