AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vermindering naheffingsaanslag bpm wegens onjuiste waardebepaling en afwijzing taxatierapport
Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm ontvangen van €4.154 na een taxatierapport dat een lagere handelsinkoopwaarde en waardevermindering wegens schade claimde. De rechtbank wees het beroep af, oordeelde dat het taxatierapport niet betrouwbaar was en dat de waardevermindering niet aannemelijk was gemaakt.
In hoger beroep bevestigt het Hof dat het taxatierapport niet kan dienen als basis voor de waardebepaling vanwege formele en materiële gebreken, waaronder een onvolledige fysieke opname en onduidelijke schadecalculatie. Het Hof stelt vast dat de handelsinkoopwaarde moet worden gebaseerd op het marktonderzoek van DRZ, dat drie vergelijkbare voertuigen analyseerde en een waarde van €51.525 vaststelde.
De historische nieuwprijs wordt vastgesteld op €136.630, waarbij de CO2-uitstoot van de auto zelf wordt gehanteerd. De naheffingsaanslag wordt dienovereenkomstig verminderd tot €3.251. Tevens wordt de proceskostenvergoeding verhoogd tot €5.068 en worden griffierechten vergoed. Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, behoudens de vergoeding van immateriële schade.
Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot €3.251 en de proceskostenvergoeding verhoogd tot €5.068.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/118
Uitspraak van 18 maart 2026
in het geding tussen:
[X] B.V., te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 29 januari 2025, nummer SGR 23/6947.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.154 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;
- draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 7 mei 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Alpina B4 S Biturbo Cabrio (de auto), een op de BMW 4 Series gebaseerd model gefabriceerd door autofabrikant Alpina. De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 6.143 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 20 maart 2018. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 190 gram/km.
2.1.2.
Bij de aangifte is gevoegd een inkoopfactuur/bestelformulier voor de auto. Belanghebbende heeft de auto op 12 april 2021 gekocht bij [Bedrijf] [buitenlandse plaats] voor een prijs van € 62.800 (incl. MwSt.).
2.2.
Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “Voertuigbeeld RDW”, waarin als keuringsmoment van de auto is vermeld 29 april 2021, als land van herkomst van de auto Duitsland, als CO2-uitstoot 190 gram/km en als tellerstand 33.545 kilometer.
2.3.1.
In de aangifte (zie 2.1) is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] (het taxatierapport). Het taxatierapport is opgemaakt door [A B.V.] en dateert van 4 mei 2021. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 33.567. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs (Nederlandse consumentenprijs incl. opties) van de auto vastgesteld op € 137.026 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van koerslijst Xray) op € 36.844. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport in mindering gebracht een bedrag van € 3.729 (op basis van een schadecalculatie van € 3.729,33 aan reparatiekosten) wegens schade. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat (“waarde op basis van inkoop handel”) uiteindelijk bepaald op € 33.115.
2.3.2.
In het taxatierapport is onder meer vermeld:
“Het percentage van de gecalculeerde schade dat in mindering gebracht is op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is gesteld op 100% van de gecalculeerde schade
omdat de in de fotoreportage vastgelegde gebruikssporen niet in de bijbehorende schadecalculatie zijn opgenomen en omdat de in de fotoreportage geconstateerde schade in verschillende gradaties van herstel is opgenomen in de bijbehorende schadecalculatie.”
2.3.3.
Bij het taxatierapport is gevoegd een bijlage “Overzicht van opties/accessoires/ pakketen”, ontleend aan [naam 2] . Dit overzicht vermeldt diverse “Accessoires & opties” tot een totaalbedrag van € 9.406 en “Zelf toegevoegde opties” waaronder is vermeld “alpina opties” voor een bedrag van € 29.992. Onder de “Zelf toegevoegde opties” is als voorwaarde vermeld “Voor deze opties dient u een prijslijst ter bewijs toe te voegen”. Een prijslijst is niet toegevoegd.
2.4.1.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie. DRZ heeft de bevindingen ten aanzien van de auto neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling DRZ) van 17 mei 2021. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 123.119, de netto catalogusprijs op € 91.912 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 51.525 (op basis van marktonderzoek naar drie referentievoertuigen). DRZ heeft geen rekening gehouden met een aftrek wegens schade. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 190 gr/km en een opgegeven kilometerstand RDW van 33.545 km. Onder het kopje “Bevindingen/opmerkingen” in het rapport is vermeld:
“(…)
Ik heb ervoor gekozen om de aangever te volgen met zijn consumentenprijs en taxatiewaarde, dit omdat er geen enkele informatie van het voertuig beschikbaar is. Het voertuig betreft een Alpina B4, in de basis hebben wij gebruik gemaakt van een BMW 440i.
Een Alpina B4 komt niet voor in de koerslijsten. Wij hebben de handelsinkoopwaarde onbeschadigd bepaald aan de hand van de meest overeenkomende referentievoertuigen.
Alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade* worden aangemerkt. Hierdoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend.
*(Bij gebruikersschade is er rekening gehouden met de leeftijd en kilometerstand
van het voertuig)”
2.4.2.
Bij het rapport onderzoek waardebepaling DRZ is als bijlage gevoegd de uitkomst van het marktonderzoek van DRZ in de vorm van een “Overzicht referentie advertenties”. Hierin zijn de gegevens vermeld van de door DRZ gehanteerde drie referentievoertuigen, een maal een Alpina B4 cabrio en twee maal een BMW M4 cabrio. De vraagprijzen van deze referentievoertuigen bedragen volgens het overzicht € 78.875, € 79.950 en € 71.895.
2.5.
Voor de auto is op 18 mei 2021 een verkoopadvertentie geplaatst op “ [website] ” waarbij als vraagprijs voor de auto € 82.875 is vermeld.
2.6.
Tot het dossier behoort een afschrift van “Raadplegen aansprakelijke op kenteken met of zonder peildatum” waarin voor het kenteken van de auto als datum van inschrijving in het kentekenregister 12 juni 2021 is vermeld.
2.7.
Op 2 februari 2022 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Nu ik van mening ben dat het taxatierapport niet als basis voor de bpm berekening kan dienen, heb ik een nieuwe berekening gemaakt op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.
Berekening voor de naheffingsaanslag bpm
In uw aangifte hebt u gekozen om de bruto bpm te berekenen op basis van het tarief van 2018. Omdat het tarief van 2018 voor u het meest gunstig is, heb ik het tarief van 2018 ook gebruikt in mijn berekening. Ik heb bij mijn berekening rekening gehouden met het feit dat de auto op 12 juni 2021 is tenaamgesteld.
(…)”
2.8.
Met dagtekening 25 maart 2022 heeft de Inspecteur vervolgens, conform de kennisgeving, een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 4.154.
2.9.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“ Deskundigheid hertaxateur DRZ
8. Eiseres heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.
Waardevermindering wegens schade
9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte en een aantal reparatiefacturen. Verweerder heeft betoogd dat het rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiseres kleven. Verweerder wijst daarbij op het volgende:
- De handelsinkoopwaarde dient naar waarheid en aan de hand van een gedegen fysieke opname te worden vastgesteld; daarvan is geen sprake reeds omdat i) de koerslijst Xray niet kan dienen omdat daarin een CO2-correctie als optie is opgenomen en ook daarin de Alpina opties niet zijn gespecificeerd wat zorgt voor snelle waardedaling, hetgeen ook blijkt een vergelijk met de koerslijst Autotelexpro van de deskundige van DRZ waar een duidelijke specificatie is gegeven. De koerslijst X-Ray kan dus niet tot uitgangspunt worden genomen, en
ii) is aangegeven dat de taxateur [naam 3] de auto heeft opgenomen terwijl dit onjuist is, aangezien uit de foto’s (de weerspiegeling in de foto’s) blijkt dat deze zijn genomen door een ander persoon en de taxateur [naam 3] dus niet degene is geweest die de auto heeft opgenomen.
- Dat sprake is van een gedegen opname is ook niet waarschijnlijk, mede gegeven het korte tijdsbestek (15 minuten) dat met de opname is gemoeid geweest en waarin kennelijk onder andere het volgende is beoordeeld en de volgende werkzaamheden zijn verricht:
• Wielophanging : geen afwijking
• Velgen en banden : geen afwijking
• Stuurinrichting : geen afwijking
• Remmen : geen afwijking
• Motor : goed geen afwijking
• Versnellingsbak : redelijk
• Aandrijving : redelijk
• Elektrische installatie : gebruikte staat
• Staat carrosserie : beschadigde staat
• Interieur : goede staat
• Algehele indruk : normale staat.
- Er zijn 84 (onduidelijke) foto’s gemaakt waarbij de auto is voorzien krijtstrepen, rondjes et cetera om eventuele schade aan te tonen.
- Er is door de taxateur géén onderzoek ingesteld naar de oorzaak van eventuele schade c.q. de reden van afwezigheid van gedemonteerde delen terwijl dit juist inherent is aan de werkzaamheden van een taxateur als zodanig.
- De taxateur heeft op basis van de foto's een bedrag van € 3.729 aan schade gecalculeerd hetgeen in strijd is met een gedegen fysieke opname.
- Niet controleerbaar is of de auto is opgenomen naar de staat waarin de auto ten hoogste één maand voor het tijdstip dat de bpm is verschuldigd verkeert.
Verweerder wijst in dit verband ook op de eigen aankoopprijs van € 62.800, welke volgens verweerder ook een belangrijk uitgangspunt is en waarin verweerder ook steun vindt voor de conclusie dat eisers taxatie onjuist en ondeugdelijk is. Nu de auto is aangekocht door eiseres voor € 62.800, betekent dat dat eiseres in feite minimaal € 68.943 (€ 62.800 plus € 6.143 Bpm) heeft betaald voor een auto in beschadigde staat en – uitgaande van het schadebedrag van € 3.729 – feitelijk een bedrag van minimaal € 72.672, terwijl de taxateur aangeeft dat de auto maar € 33.115 (inclusief btw en Bpm en schade) waard is.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht concludeert dat het taxatierapport van eiseres niet kan dienen om de waarde dan wel de (omvang van de) schade van de auto te bepalen. De rechtbank hecht daarbij met name waarde aan het feit dat ondanks de door verweerder voor het gebruik van de koerslijst X-Ray benoemde knelpunten – waaraan de rechtbank, ook afgezet tegen alles wat eiseresses gemachtigde dienaangaande in het beroepschrift heeft aangevoerd, niet twijfelt – toch van die koerslijst gebruik is gemaakt (zie ook de opmerkingen hierna onder 12. over het gebruik van de koerslijst X-Ray). Ook acht de rechtbank van belang dat zonder nadere toelichting en daarmee ten onrechte 100% van de berekende schade in mindering is gebracht, dat niet duidelijk is hoe is omgegaan met (normale) gebruikersschade en dat er naar het oordeel van de rechtbank een onverklaarbare discrepantie bestaat tussen de geconstateerde schade en de in het taxatierapport weergegeven “Algehele indruk : normale staat”. De rechtbank neemt daarbij ook nog in aanmerking de geringe tijd die is besteed aan de fysieke opname (30 minuten), afgezet tegen de gestelde uitgevoerde werkzaamheden en, juist ook in samenhang bezien met, de vastgestelde schade. Verder acht de rechtbank in dit verband ook van belang de eigen aankoopprijs van € 62.800; de rechtbank volgt verweerder in zijn hiervoor weergegeven redenering en conclusie dat ook daaruit volgt dat eiseresses taxatie niet juist kan zijn. Om deze redenen, zeker in samenhang bezien, kan eiseres zich niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van haar stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend.
11. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.
Switch naar koerslijstmethode
12. Eiseres heeft ter zitting subsidiair het standpunt ingenomen dat indien het taxatierapport wordt verworpen, zij dan wil switchen naar de koerslijstmethode. Eiseres meent dat dat in dit geval mogelijk en geoorloofd is. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Immers, vast staat dat de auto, zijnde een Alpina – wat, naar eiseres ter zitting ook nadrukkelijk heeft benoemd, een eigen merk is – niet voorkomt op de koerslijsten. Dat kan, anders dan eiseres stelt en verweerder gemotiveerd betwist, niet worden hersteld door uit te gaan van een enigszins vergelijkbare BMW die wel voorkomt op de koerslijsten en daar dan diverse opties aan toe te voegen, zoals gedaan door eiseres. Alsdan vormt de uitkomst van de koerslijst, zoals verweerder terecht stelt, niet een reële waardebepaling van de auto. Immers, nog daargelaten dat het gekozen voertuig (een BMW 440i) een ander merk en uitvoering is dan de auto en daardoor reeds te ver afstaat van de (eigenschappen en kenmerken van de) auto, kennen de losse opties die apart worden ingevoerd in de koerslijst(en), naar verweerder terecht op wijst, een heel eigen en ander waardeverloop met een (veel) snellere afschrijving. Ook in zoverre vormt de uitkomst van de koerslijst geen reële waardebepaling.
13. Als er geen voertuig voorhanden is waarvan de koerslijstwaarde in voldoende mate de reële waarde van de auto weergeeft, zoals hier dus het geval is, kan de koerslijstmethode niet worden toegepast. De stelling van eiseres dat verweerder bij een beroep op de koerslijstmethode altijd moet uitgaan van een koerslijst, ook als er geen goedvergelijkbaar voertuig op de binnenlandse markt voorhanden is, is onjuist. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat, indien het door gekozen voertuig niet voldoende vergelijkbaar is, verweerder dan met een koerslijst komen van een voertuig dat beter vergelijkbaar, en dat daar dan vanuit moet worden gegaan. Ook dat vindt geen steun in het recht. Het is nu eenmaal niet zo dat indien er geen goed vergelijkbaar voertuig voorhanden is – zoals hier dus – er dan maar moet worden uitgegaan van een niet goed vergelijkbaar voertuig, enkel omdat dit wel het meest vergelijkbare voertuig is. In zo’n geval is eenvoudigweg geen plaats voor toepassing van de koerslijstmethode.
Marktonderzoek DRZ
14. Eiseres stelt – kort gezegd – dat het markonderzoek van DRZ ondeugdelijk is en dat daarom toch moet worden uitgegaan van de koerslijst X-Ray, conform ook in haar taxatierapport is gedaan. De koerslijst van X-Ray maakt een juistere berekening van de afschrijving mogelijk, nu deze koerslijst in statistisch opzicht een meer representatieve waardebepaling geeft dan het marktonderzoek, aldus eiseres.
15. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Zoals hiervoor al overwogen, kan de bewuste koerslijst van X-Ray hier niet worden toegepast. DRZ heeft, nu geen van de koerslijsten een waarde toont (zie onderdeel 3b. Koerslijstonderzoek in het DRZ-rapport), de waarde bepaald aan de hand van referentievoertuigen. De rechtbank vindt geen reden te twijfelen aan de uitlatingen van DRZ en verweerder dienaangaande en evenmin aan de bevindingen en uitkomsten van het marktonderzoek van DRZ. De in het marktonderzoek gebruikte auto’s acht de rechtbank goed, althans in ieder geval voldoende vergelijkbaar en bruikbaar voor het marktonderzoek. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat het onderzoek van DRZ voldoende is gemotiveerd en beter de reële waarde van de auto weergeeft dan de uitkomst van de koerslijst van eisers, en dat dus van het marktonderzoek moet worden uitgegaan.
16. Voor de conclusie dat de bij het marktonderzoek gebruikte referentievoertuigen niet voldoende vergelijkbaar zijn met de auto, vindt de rechtbank in de gedingstukken noch in wat partijen in dat verband hebben aangevoerd enige ondersteuning. Eiseresses gemachtigde werpt dit veronderstellenderwijs op, maar maakt dat vervolgens niet inzichtelijk of anderszins concreet, laat staan dat hij een en ander onderbouwt. De rechtbank ziet daarom geen enkele reden die veronderstellingen te volgen. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiseres dat alle auto’s die de hertaxateur heeft geselecteerd BTW-auto’s zijn en dat daardoor de inkoopwaarde tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Ook die stelling is, ondanks de betwisting door verweerder, niet geconcretiseerd, inzichtelijk gemaakt of onderbouwd en maakt niet dat de rechtbank de uitkomst van het marktonderzoek van DRZ onjuist acht.
17. Eiseres heeft in dit verband ook nog het standpunt ingenomen dat indien wordt uitgegaan van het marktonderzoek, alsdan moet worden uitgegaan van de laagste waarde van de drie referentievoertuigen uit het rapport van DRZ. De rechtbank volgt eiseres ook daarin niet. De rechtbank acht in dit geval, nu er geen identiek referentievoertuig is, de gemiddelde waarde van drie referentievoertuigen een redelijke benadering van de laagste waarde van een vergelijkbare auto. De uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden[1] waarnaar eiseres in dit verband verwijst, leidt de rechtbank, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 september 2021[2] en de daaraan voorafgaande uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 30 december 2020[3], niet tot een ander oordeel[4].
Historische nieuwprijs
18. Bij registratie van gebruikte auto’s wordt de Bpm ingevolge artikel 10 vanPro de Wet op de Bpm berekend met inachtneming van een vermindering. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel (de afschrijvingstabel). De belastingplichtige die kiest voor één van die methodes dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat de toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waarde.
19. Eiseres heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht (zie hiervoor onder 10.), geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Volgens het hiervoor onder 18. beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Dat heeft verweerder ook gedaan, aangezien dat de voor eiseres meest gunstige uitkomst was en er ook geen bruikbare koerslijst voorhanden is. Alsdan is, naar verweerder voor dat geval terecht op wijst, de historische nieuwprijs niet relevant voor de verschuldigde Bpm. Ook in zoverre treft eiseresses beroep dus geen grond.
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
21. (…)
22. (…) Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door verweerder.
Proceskosten
23. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[5] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding in beroep omdat bij de berekening daarvan een onjuist tarief zou zijn toegepast.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt:
tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 47.516 (goedkoopste voertuig uit het marktonderzoek DRZ), de historische nieuwprijs op € 136.630, de verschuldigde bpm op € 8.661 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 2.521, en
meer subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 51.525 (zoals vastgesteld in het rapport waardebepaling DRZ op basis van het marktonderzoek DRZ), de historische nieuwprijs op € 136.630, de verschuldigde bpm op € 9.391 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.251.
Verder verzoekt belanghebbende het Hof een (juiste) proceskostenvergoeding toe te kennen, daarbij rekening houdend met het voor de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase geldende juiste tarief.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Geldigheid taxatierapport en waardevermindering wegens schade
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat het taxatierapport van de zijde van belanghebbende niet kan dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde en ter onderbouwing van de door belanghebbende in aanmerking genomen waardevermindering van € 3.729 wegens schade.
5.2.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op dit punt een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft belanghebbende, mede gelet op hetgeen gedurende de procedure door de Inspecteur is aangevoerd op dit punt (zie overweging 9 in de uitspraak van de Rechtbank), geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Het Hof maakt de overwegingen 9 tot en met 11 van de Rechtbank tot de zijne. Belanghebbende kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van haar stelling dat teveel bpm is nageheven en kan dit taxatierapport niet gebruiken om de door haar opgevoerde waardevermindering wegens schade aannemelijk te maken. De bewijslast voor waardeverminderingen rust op belanghebbende. Nu het taxatierapport niet kan dienen en belanghebbende ook anderszins onvoldoende bewijs daarvan heeft bijgebracht, kan de daarin opgevoerde waardevermindering wegens schade alleen om die reden al niet worden gevolgd.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en historische nieuwprijs
5.3.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat in het geval de taxatiemethodiek wordt afgewezen, voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat dient te worden aangesloten bij “het laagste voertuig” (daarmee doelend op het voertuig met de laagste vraagprijs van de drie door DRZ in het marktonderzoek van DRZ gebruikte referentievoertuigen), waardoor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgens belanghebbende zou moeten worden bepaald op € 46.615 (vraagprijs € 71.895 minus door DRZ toegepaste marges).
De Inspecteur stelt dat de gemachtigde, geen deskundige/taxateur, niet aan “cherry picking” kan doen in een door een deskundige (DRZ) opgesteld rapport en daaruit de voor hem meest gunstige waarde kan uitzoeken. Verder staat de vraagprijs in de verkoopadvertentie van de auto, plaatsingsdatum 18 mei 2021, van € 82.875 ook haaks op het standpunt van de gemachtigde van belanghebbende, aldus de Inspecteur.
5.4.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, als volgt beslist:
(…)
3.2.5
Indien een belastingplichtige bij het doen van aangifte voor de bpm ervoor kiest om de handelsinkoopwaarde van een personenauto te bepalen met gebruikmaking van de taxatiemethode, rust, in het geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, op de belastingplichtige de last de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat de taxatiemethode in zijn geval mag worden toegepast, en (b) dat toepassing van de taxatiemethode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.[4] Deze bewijslast(verdeling) heeft betrekking op alle bij vaststelling van de taxatiewaarde in aanmerking genomen gegevens. Deze bewijslast(verdeling) geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige die heeft gekozen voor gebruikmaking van de taxatiemethode, rechtsmiddelen aanwendt tegen een door hem op aangifte voldaan bedrag aan bpm, maar ook indien hij rechtsmiddelen aanwendt tegen een hem opgelegde naheffingsaanslag.
3.2.6
Indien de inspecteur zich op het standpunt stelt dat in het bij de aangifte gevoegde taxatierapport is uitgegaan van onvolledige, onjuiste of verkeerde gegevens en dat dit taxatierapport daarom in zoverre niet bruikbaar is, kan hij een naheffingsaanslag opleggen die – rekening houdend met de wel bruikbare gegevens uit dat taxatierapport – is gebaseerd op een hogere taxatiewaarde. Die taxatiewaarde kan de belastingplichtige in bezwaar en zo nodig in rechte betwisten. Dan geldt dat de belastingplichtige moet stellen en aannemelijk moet maken dat de inspecteur de taxatiewaarde als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld.
Zoals hiervoor overwogen, kan het taxatierapport van de zijde van belanghebbende niet dienen. Belanghebbende wenst voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, anders dan is gehanteerd in het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ, uit te gaan van “het laagste voertuig” in plaats van het gemiddelde van de drie door DRZ gehanteerde referentievoertuigen. Het is dan aan belanghebbende om met een taxatie te komen waaruit volgt dat op die wijze tot een juiste waardebepaling wordt gekomen (zie overwegingen 3.2.5 en 3.2.6 van het onder 5.4 genoemde arrest van de Hoge Raad). Dit heeft belanghebbende niet gedaan. Bovendien staat de in de verkoopadvertentie van de auto genoemde vraagprijs voor de auto (€ 82.875), die zelfs hoger is dan de vraagprijs voor het voertuig met de hoogste vraagprijs van de drie door DRZ in het marktonderzoek gebruikte referentievoertuigen (€ 79.950), haaks op het standpunt van belanghebbende. Deze stelling faalt derhalve.
5.6.
Het Hof zal de handelsinkoopwaarde vaststellen op € 51.525, de door DRZ vastgestelde waarde. Deze handelsinkoopwaarde komt het Hof als aannemelijk voor. De waarde is vastgesteld door DRZ, de deskundige van de Inspecteur, op basis van marktonderzoek naar drie min of meer vergelijkbare voertuigen. Beter vergelijkingsmateriaal hebben partijen niet aangeleverd. Voor zover de Inspecteur deze handelsinkoopwaarde betwist, gaat het Hof hier niet in mee. Hoewel de bewijslast op belanghebbende rust, verzet geen rechtsregel zich ertegen dat belanghebbende zich beroept op bewijs van de wederpartij. Zoals hiervoor al opgemerkt, is het marktonderzoek bruikbaar en DRZ heeft zijn taxatie hierop gebaseerd.
5.7.
Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de afschrijving moet worden uitgegaan van de historische nieuwprijs, waarbij de component bruto bpm wordt bepaald op de daadwerkelijke uitstoot van de auto en berekent dit als volgt: netto catalogusprijs conform onderzoek waardebepaling DRZ € 91.912 + btw € 19.301 + historische bruto bpm (auto zelf) € 25.417 = historische nieuwprijs € 136.630. Het Hof acht dit standpunt juist. Voor de voor de auto verschuldigde bpm moet niet worden uitgegaan van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van het referentievoertuig, zoals de Inspecteur stelt, maar van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van de auto zelf (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703 en ECLI:NL:HR:2023:1714). Niet in geschil is dat de CO2-uitstoot van de auto zelf 190 gr/km bedraagt. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende. De historische nieuwprijs bedraagt derhalve € 136.630.
Naheffingsaanslag
5.8.
Gelet op het vorenoverwogene dient de naheffingsaanslag in dat geval te worden verminderd en te worden vastgesteld op € 3.251 (conform het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende).
Tarief proceskosten beroep
5.9.
Belanghebbende stelt terecht dat de Rechtbank een onjuist tarief, te weten het tarief van het voorgaande jaar, heeft toegepast bij de berekening van de proceskosten. Dit zal in de toekenning van de proceskostenvergoeding worden hersteld.
Slotsom
5.10.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)),
€ 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 5.068.
Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.
6.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 365, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 579 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.251;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5.068, en
gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 944 aan griffierechten te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen W. de Wit
De beslissing is op 18 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.