Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“
Waardevermindering wegens schade
9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte en een aantal reparatiefacturen. Verweerder heeft betoogd dat het rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiseres kleven. Verweerder wijst daarbij op het volgende:
- De handelsinkoopwaarde dient naar waarheid en aan de hand van een gedegen fysieke opname te worden vastgesteld; daarvan is geen sprake reeds omdat het rapport zou zijn opgemaakt op 9 september 2021, terwijl de bijgevoegde koerslijst als datum 10 september 2021 heeft. Het is ook niet waarschijnlijk, mede gegeven het korte tijdsbestek (30 minuten) dat met de opname is gemoeid geweest en waarin kennelijk onder andere het volgende is beoordeeld en de volgende werkzaamheden zijn verricht:
▪ motor,
▪ transmissie,
▪ stuurinrichting,
▪ wielophanging,
▪ remsysteem,
▪ onderstel,
▪ aandrijving,
▪ interieur,
▪ bekleding,
▪ velgen/banden,
▪ lakwerk/carrosserie,
▪ elektrische installatie,
▪ het airbagsysteem en bijzonderheden beoordelen.
- en zijn er 132 foto's gemaakt;
- de taxateur heeft zonder nadere motivering of onderbouwing bepaald dat, nu het een importauto betreft en de RDW geen oordeel over de kilometerstand kan geven, het oordeel van de RDW in het kentekenregister een waardevermindering van € 2.500 rechtvaardigt en heeft dit vastgesteld op basis van een algemene tabel baserend op nieuwprijs en gekoppelde waardevermindering;
- de taxateur heeft zonder nadere motivering of onderbouwing een aanvullende waardevermindering vastgesteld wegens een ex-schade van € 1.250 terwijl een deugdelijke onderbouwing hiervan achterwege wordt gelaten;
- er is door de taxateur geen onderzoek ingesteld naar de oorzaak van eventuele schade c.q. de reden van afwezigheid van gedemonteerde delen terwijl dit juist inherent is aan de werkzaamheden van een taxateur als zodanig;
- de taxateur heeft om te bepalen wat gebruikersschades zijn, gebruik gemaakt van een algemene tabel van Autotelexpro, wat in strijd is met een individuele opname en bovendien is deze tabel grof en niet controleerbaar op welke gegevens deze gebaseerd is.
- de taxateur doet aan koerslijstvermenging;
- de taxateur heeft op basis van de foto's een bedrag van € 9.276,31 aan schade gecalculeerd hetgeen in strijd is met een gedegen fysieke opname;
- de waarde moet worden vastgesteld naar de staat waarin de auto ten hoogste een maand voor het tijdstip dat de Bpm is verschuldigd verkeert, hetgeen oncontroleerbaar is door het ontbreken van de inkoopfactuur.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht concludeert dat het taxatierapport van eiseres niet kan dienen om de waarde van de auto te bepalen, reeds omdat daarin zonder nadere toelichting en daarmee ten onrechte 100% van de berekende schade in mindering is gebracht, er rekening wordt gehouden met niet onderbouwde stelposten voor verminderingen wegens ‘geen oordeel kilometerstand RDW (€ 2.500) en een schadeverleden (€ 1.250) alsook voor het bepalen van de normale gebruikersschade, en de taxateur daarin doet aan koerslijstvermenging. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking de geringe tijd die is besteed aan de fysieke opname (30 minuten), afgezet tegen de gestelde uitgevoerde werkzaamheden en, juist ook in samenhang bezien met, de vastgestelde schade. Ook neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat eiseres de auto niet heeft getoond aan DRZ, met als redengeving dat de auto op dat moment 'niet rijbaar' was en de motor een storing had en kapot was, terwijl dit op geen enkele wijze uit het rapport van de taxateur, noch uit de foto's noch uit de schadecalculatie blijkt. Om deze redenen kan eiseres zich niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van haar stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee dus niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Nu zij naast het taxatierapport daarvan geen overig bewijs heeft geleverd, slaagt zij niet in de op haar rustende bewijslast.
11. De door eiseresses gemachtigde ter zitting overgelegde foto’s brengen de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. In die foto’s vindt de rechtbank onvoldoende ondersteuning voor de conclusie dat wel een waardevermindering vanwege schade moet worden toegepast. Uit de foto’s blijkt niet, althans onvoldoende dat sprake is van meer dan normale gebruikersschade. Weliswaar toont de laatste van de ter zitting overgelegde foto’s een forse schade, maar geheel onduidelijk en onbekend is hoe en wanneer die schade is gerepareerd, terwijl wel duidelijk is dat mét die schade (aan de voorzijde) niet kan worden gereden. De rechtbank vindt daarin dan ook geen aanleiding om met betrekking tot de omvang van de schade tot een ander oordeel te komen dan als hiervoor weergegeven. Dat DRZ de auto niet fysiek heeft kunnen bekijken en beoordelen en dus zelf geen beschadigingen heeft kunnen waarnemen en vaststellen omdat eiseres de auto niet heeft getoond, is hierbij niet relevant. Dat is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiseres komt. Zij heeft er immers voor gekozen de auto niet te tonen ondanks daartoe te zijn opgeroepen. Dat neemt weliswaar niet weg dat eiseres ondanks het niet tonen van de auto wel aannemelijk kan maken dat sprake is van een waardevermindering wegens schade, namelijk met een overtuigend taxatierapport. Van dat laatste is hier echter geen sprake (zie hiervoor onder 9. en 10.).
12. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.
Extra vermindering wegens schadeverleden
13. Eiseres stelt dat er een waardevermindering van € 1.250 moet worden toegepast wegens het schadeverleden van de auto. Voor een dergelijke waardevermindering rust de bewijslast op eiseres. Indien sprake is van een waardedaling van de auto ten gevolge van een voormalige schade aan de auto is het aan eiseres om te onderbouwen en aan te tonen dat ook na herstel van de schade een blijvende waardevermindering van de auto heeft plaatsgevonden. Het gaat hierbij dus niet om onvolledig of gebrekkig herstelde schade, voor zover daarvan sprake is wordt dit als schade in aanmerking genomen.
14. Naar het oordeel van de rechtbank kan het schadeverleden van een auto, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en omvang van de schade, het prijssegment van een voertuig, de leeftijd en de kilometerstand een waardedrukkend effect hebben op de handelsinkoopwaarde van een auto. Bij de aard van de schade kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de oorzaak van de schade (ongeval, diefstal, brand of vernieling) en de plaats waar de schade aan het voertuig zich bevindt (frontaal, zijkant, achter) en of daarbij meer of minder essentiële onderdelen zijn beschadigd. Of sprake is van een waardedaling kan alleen voor de individuele auto worden vastgesteld en dient met marktgegevens te worden onderbouwd.
15. Eiseres heeft geen nadere of aanvullende verklaring van een taxateur met betrekking tot de extra waardedaling van de onderhavige auto in verband met de specifiek voor deze auto in het verleden opgetreden schade, zulks beoordeeld naar de aard en omvang van die schade in relatie tot onder meer het prijssegment van de auto, de leeftijd van de auto en de kilometerstand en de marktgegevens van vergelijkbare auto’s met een schadeverleden. Nu eiseres verder niets heeft aangevoerd waaruit deze extra waardevermindering aannemelijk is geworden, heeft zij niet aan haar bewijslast voldaan en heeft verweerder terecht geen extra vermindering in aanmerking genomen.
16. Voor gebruikte personenauto’s geldt dat het volgens artikel 10, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) bij die auto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van de Wet BPM wordt berekend met inachtneming van een vermindering. De vermindering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet BPM (de procentuele afschrijving), heeft tot doel om bij de heffing van Bpm ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met de (bij benadering) reële waardedaling van de auto. De wetgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken. Eén methode is het vaststellen van de handelsinkoopwaarde op basis van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorvoertuigen door wederverkopers in Nederland. Van gebruikte auto’s, met een merk en een type dat door de fabrikant op de Nederlandse markt in de handel is gebracht, kan op basis van de koerslijst de handelsinkoopwaarde worden vastgesteld. Door deze waarde af te zetten tegen de historische nieuwprijs van de gebruikte auto (dit is de prijs die in Nederland ten tijde van de eerste toelating op de weg van de auto zou moeten zijn betaald door de consument voor de auto in nieuwstaat), wordt de procentuele afschrijving berekend.
17. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving kan worden gekeken naar de handelsinkoopwaarde op de gekozen koerslijst van een wel in Nederland in handel gebrachte auto van hetzelfde merk, die voor wat betreft de technische uitvoering vrijwel gelijk is aan de auto (de referentieauto).
18. Tussen partijen is in geschil of voor de vaststelling van de procentuele afschrijving de in de koerslijst gevonden handelsinkoopwaarde moet worden afgezet tegen de historische nieuwprijs van de auto of tegen de historische nieuwprijs van de referentieauto. De historische nieuwprijs van een auto wordt bepaald door de ten tijde van de eerste toelating op de weg geldende netto catalogusprijs (van de auto met de daarop aangebrachte accessoires), te vermeerderen met de verschuldigde BTW en met de ten tijde van de eerste toelating verschuldigde Bpm. Omdat de auto niet in Nederland in de handel is gebracht staat niet vast wat de (Nederlandse) netto catalogusprijs van de auto is geweest. Partijen zijn uitgegaan van de netto catalogusprijs van de referentieauto’s. De CO2-uitstoot van de onderhavige auto (202 gr/km) is hoger dan de CO2-uitstoot van de referentieauto (161 gr/km). Tussen partijen is niet in geschil dat dit verschil kan worden veroorzaakt door de meetmethode, maar ook door andere verschillen tussen de auto en de referentieauto, zoals de afmeting van de banden en de brandstoftank. Eiseres stelt dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving de historische nieuwprijs moet worden bepaald op de netto catalogusprijs van de referentieauto’s, vermeerderd met de BTW en de Bpm, vastgesteld op basis van de CO2-uitstoot van de auto. Verweerder stelt dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving moet worden aangesloten bij de historische nieuwprijs van de referentieauto, dus met inachtneming van de voor de referentieauto verschuldigde (lagere) Bpm.
19. De door partijen gekozen methode voor vaststelling van de reële waardedaling van de auto, brengt mee dat de daadwerkelijke handelsinkoopwaarde van de auto niet komt vast te staan. Ook de netto catalogusprijs van de auto is niet vastgesteld. Voor de handelsinkoopwaarde en de netto catalogusprijs wordt gekeken naar de referentieauto.
Bij de vaststelling van het afschrijvingspercentage door vergelijking met het afschrijvingspercentage volgens de koerslijstmethode van de referentieauto met de eigenschappen en kenmerken die het dichtst aanleunen tegen die van de auto, staat het eiseres of verweerder niet vrij om de historische nieuwprijs die volgt uit de koerslijst te wijzigen door uit te gaan van een hogere CO2-uitstoot. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen[1]. De rechtbank wijst erop dat eiseres niet gebonden is aan de koerslijst. Het staat eiseres vrij om, nu de auto niet op een koerslijst voorkomt, indien zij meent dat het afschrijvingspercentage niet juist is, met een individueel taxatierapport haar standpunt te onderbouwen, het taxatierapport moet dan natuurlijk wel kunnen dienen. Het gelijk is ook in zoverre aan verweerder.
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
22. (…) Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door verweerder.
23. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[2] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).