ECLI:NL:GHDHA:2026:426

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/117
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet BPMArt. 10 Wet BPMArt. 110 VWEUVerordening 2018/858Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens waardebepaling importauto

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen van €6.458 na registratie van een geïmporteerde Volkswagen Beetle Cabriolet. De rechtbank wees het beroep af omdat het taxatierapport van belanghebbende niet betrouwbaar werd geacht en de koerslijstmethode niet toepasbaar was vanwege afwijkende uitvoering van de auto.

In hoger beroep bevestigt het Hof dat het taxatierapport niet kan dienen wegens gebreken zoals onvoldoende onderbouwing van schadecorrecties en het ontbreken van een fysieke inspectie. Ook is de switch naar de koerslijstmethode niet mogelijk omdat de auto niet overeenkomt met het referentievoertuig in de koerslijst.

Het Hof stelt daarom de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat in goede justitie vast op €15.000 en bepaalt de historische nieuwprijs op €60.458, gebaseerd op de CO2-uitstoot van de auto zelf. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot €5.568. Tevens wordt de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en griffierechten, en wordt het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €5.568 en de Inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/117

Uitspraak van 18 maart 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 29 januari 2025, nummer SGR 23/5346.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.458 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
- draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 10 juni 2025 verweer gevoerd. Van de zijde van belanghebbende is op 27 januari 2026 een nader stuk met bijlagen ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 15 september 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Volkswagen Beetle Cabriolet 1.8 TSI USA (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 1.010 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 30 januari 2017. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 202 gram/km. Bij de aangifte is geen inkoopfactuur overgelegd.
2.2.
Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “Voertuigbeeld RDW”, waarin als keuringsmoment van de auto is vermeld 24 augustus 2021, als land van herkomst van de auto Bondsrepubliek Duitsland, als CO2-uitstoot 202 gram/km en als tellerstand 44.024 kilometer.
2.3.1.
In de aangifte (zie 2.1) is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] (het taxatierapport). De auto is op 31 augustus 2021 door [naam 1] getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 44.068. In het taxatierapport van 9 september 2021 is de historische nieuwprijs (Nederlandse consumentenprijs incl. opties) van de auto vastgesteld op € 46.028 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van referentievoertuigen en de koerslijst Eurotax) op € 14.129. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport in mindering gebracht een bedrag van € 9.276,31 (op basis van een schadecalculatie van € 9.276,31 aan reparatiekosten) wegens schade (minus een bedrag van € 650 wegens een correctie in verband met gebruikssporen), een bedrag van € 2.500 “vanwege ‘geen oordeel’ kilometerstand RDW-voertuigrapport” en een bedrag van € 1.250 wegens “gedocumenteerde schadeverleden USA”. In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat uiteindelijk bepaald op € 1.755.
2.3.2.
In het taxatierapport is onder “Algemene opmerkingen/bijzonderheden” vermeld:
“De schadecorrectie op de handelsinkoopwaarde is gesteld op 100% aftrek -/- de waarde voor de gebruikerssporen welke inherent is aan de leeftijd en kilometerstand van het object (zie bijlage voor nadere toelichting).”
Bij het taxatierapport is gevoegd een bijlage “Acceptabele gebruikssporen in relatie tot voertuigleeftijd” met daarin een tabel waarin aan de hand van leeftijd van de auto en kilometerstand van de auto is weergegeven “het bedrag noodzakelijk om een auto met normale gebruikssporen weer in een perfecte staat te brengen voor de meest gangbare segmenten”.
2.3.3.
Bij het taxatierapport is gevoegd een bijlage “Correctie vanwege ‘geen oordeel’ kilometerstand RDW-voertuigrapport”, waarin deze correctie is toegelicht aan de hand van een matrix en onder meer de volgende tekst:
“(…) Het onderhavige voertuig is afkomstig uit een andere EU-lidstaat, dit gegeven zorgt ervoor dat het niet mogelijk is om een logisch teller oordeel te ontvangen in een RDW-Voertuigrapport.
Na registratie in Nederland zal bij een opvraging van een RDW-voertuigrapport de aanduiding ‘GEEN OORDEEL’ weergegeven worden met betrekking tot de tellerstand; dit gegeven heeft consequenties voor de waarde van dit object op de markt.
Diverse onderzoeken resulteren in een waardevermindering welke van toepassing is op voertuigen met een import karakter. Origineel Nederlands geleverde voertuigen hebben een sterkere handelspositie -mede vanwege een sluitende teller registratie- zoals vastgesteld in meerdere onderzoeken. In geval van diefstal of totaal verlies zal vanwege het teller oordeel een lagere dagwaarde worden vastgesteld door schade-experts bij import voertuigen.

De schade welke door teller fraude veroorzaakt wordt is:

Een verhoogd risico met betrekking tot verkeersveiligheid, hogere slijtage aan onderdelen van het voertuig, waarde vermindering van het object vanwege de daadwerkelijke conditie.
(…)”
2.3.4.
Voorts is bij het taxatierapport overgelegd een bijlage met “Foto’s voertuig in de VS in zwaar beschadigde staat” (afkomstig van de website [website] ) en een bijlage “Carfax rapportage; gedocumenteerde totaal-verlies USA” (het zogenoemde Carfax Vehicle History Report).
2.4.1.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende per e-mailbericht van 17 september 2021 verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie op 23 september 2021 om 14.00 uur.
2.4.2.
Belanghebbende heeft in reactie daarop bij e-mailbericht van 17 september 2021 verklaard dat het voor belanghebbende onevenredig belastend is “om met de auto langs te rijden” en heeft daarvoor de volgende redenen opgegeven:
“(…)
 De auto is niet rijbaar, de motor heeft een storing en is kapot. Het zou levensgevaarlijk zijn om met de auto op de openbare weg te gaan. Daarnaast ben ik bang dat hij niet eens het einde van de straat haalt.
 De auto mag volgens mij in deze staat niet eens op de openbare weg staan hij staat dan ook in de garage, hij heeft ook geen kenteken.
 Om zelf de auto te brengen naar Bleiswijk moet ik vrij nemen van mijn verplichtingen
 Een andere optie is om een sleepdienst in te huren die de auto sleept naar Bleiswijk. Blijft wachten in Bleiswijk en uiteindelijk moet de auto teruggesleept worden. Hier zijn hoge kosten aan verbonden.
Het resterende bpm-bedrag wat nu bepaald is door een onafhankelijke expert is rond de 1000 euro. Als ik de auto door een derde partij naar jullie toe moet laten slepen, laten wachten en de auto terug laten slepen dan ben ik meer dan 1000 euro extra kwijt. Als ik nog zelf erbij moet zijn en mijn verplichtingen niet kan nakomen dan ben ik nog meer dan de 1000 euro aan kosten kwijt. Het is dus onevenredig belastend om de auto bij jullie op locatie te laten tonen dan wordt de totale bpm-bedrag voor mij minimaal verdubbeld. Ook heb ik de middelen niet om deze kosten op zo een korte termijn te maken en na te komen, het is daarnaast niet toegestaan om te sleutelen aan de motor om de auto wel rijbaar te maken. Hij moet namelijk in dezelfde staat als bij taxatie blijven.
Uiteraard snap ik dat jullie de auto willen zien, het is wel mogelijk om de auto op
mijnlocatie te laten inspecteren. Jullie kunnen hiervoor elke dag langskomen en elke tijdstip is bespreekbaar.
(…)”
2.4.3.
DRZ heeft belanghebbende per e-mailbericht van 19 september 2021 te kennen gegeven dat het verzoek om de auto bij belanghebbende op locatie te controleren niet kan worden ingewilligd. Belanghebbende heeft hier bij e-mailbericht van 20 september 2021 op gereageerd en DRZ hierbij nogmaals verzocht de auto bij belanghebbende op locatie te controleren. DRZ heeft bij e-mailbericht van 20 september 2021 belanghebbende nogmaals te kennen gegeven dat de auto niet bij belanghebbende op locatie zal worden gecontroleerd en herhaald dat de afspraak naar een andere datum of tijdstip binnen de openingstijden van DRZ kan worden verzet. Belanghebbende heeft hier bij e-mailbericht van 21 september 2021 nogmaals op gereageerd:
“Zoals ik al eerder aangaf is het onevenredig belastend om de auto te laten wegslepen op een doordeweekse dag waar ik zelf ook niet bij kan zijn.
Ik heb al een deskundig onafhankelijk taxatierapport aangeleverd met diverse foto's.
U wilt gebruik maken van de toonplicht en ik geef aan dat u deze 24/7 kunt zien op mijn locatie.
Om de auto weg te laten slepen en een derde partij te laten wachten op de auto en om deze weer terug te laten slepen.
Kost mij te veel geld wat ik niet heb, als DRZ de auto wil ophalen naar locatie wil brengen, nakijken en vervolgens terugbrengen dan wil ik daar ook mee akkoord gaan.
In ieder geval kan ik de auto aanstaande donderdag 23 september
nietop uw locatie brengen.
Ik weet verder niet hoe ik me nog beter kan opstellen. Ik hoor graag van u welke oplossing u prefereert.”
2.4.4.
Belanghebbende heeft per e-mailbericht van 24 september 2021, in reactie op het bericht van DRZ van 20 september 2021, DRZ bericht niets meer te hebben vernomen en graag van DRZ te horen.
2.4.5.
DRZ heeft de bevindingen ten aanzien van de auto neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling DRZ) van 27 september 2021. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 45.744, de netto catalogusprijs op € 28.054 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 14.068 (overgenomen uit de aangifte; koerslijst Eurotax minus correcties markt- en dealersituatie). DRZ heeft geen rekening gehouden met een aftrek wegens schade. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 161 gr/km en een opgegeven kilometerstand RDW van 44.024 km. Onder het kopje “Bevindingen/opmerkingen” in het rapport is vermeld:
“(…)
Het voertuig is niet aan DRZ getoond. No Show.”
2.5.
Tot het dossier behoort een afschrift van de “RDW kentekencheck” waarin voor het kenteken van de auto als datum tenaamstelling en als datum eerste afgifte Nederland de datum 27 september 2021 is genoemd.
2.6.
Op 27 oktober 2021 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. Met dagtekening 31 december 2021 heeft de Inspecteur vervolgens op basis van het onder 2.4.5 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 6.458.
2.7.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
2.8.
Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank een aantal foto’s (van detailopnames) van de auto overgelegd.
2.9.
In hoger beroep heeft belanghebbende op haar naam gestelde facturen overgelegd van Garagebedrijf [naam 2] in [woonplaats] , gedateerd 6 oktober 2021 en 15 november 2021. De factuur van 6 oktober 2021 ziet op herstel- en spuitwerkzaamheden aan het plaatwerk en bedraagt € 1.936. De factuur van 15 november 2021 ziet op de werkzaamheden “uitbouwen oude kapframe met bekleding, inbouwen nieuwe kapframe met ruit, auto inleren, stoelen voor opnieuw bekleden (zwart), achterbank opnieuw bekleden (zwart)” en bedraagt € 9.922,00.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Waardevermindering wegens schade
9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte en een aantal reparatiefacturen. Verweerder heeft betoogd dat het rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiseres kleven. Verweerder wijst daarbij op het volgende:
- De handelsinkoopwaarde dient naar waarheid en aan de hand van een gedegen fysieke opname te worden vastgesteld; daarvan is geen sprake reeds omdat het rapport zou zijn opgemaakt op 9 september 2021, terwijl de bijgevoegde koerslijst als datum 10 september 2021 heeft. Het is ook niet waarschijnlijk, mede gegeven het korte tijdsbestek (30 minuten) dat met de opname is gemoeid geweest en waarin kennelijk onder andere het volgende is beoordeeld en de volgende werkzaamheden zijn verricht:
▪ motor,
▪ transmissie,
▪ stuurinrichting,
▪ wielophanging,
▪ remsysteem,
▪ onderstel,
▪ aandrijving,
▪ interieur,
▪ bekleding,
▪ velgen/banden,
▪ lakwerk/carrosserie,
▪ elektrische installatie,
▪ het airbagsysteem en bijzonderheden beoordelen.
- en zijn er 132 foto's gemaakt;
- de taxateur heeft zonder nadere motivering of onderbouwing bepaald dat, nu het een importauto betreft en de RDW geen oordeel over de kilometerstand kan geven, het oordeel van de RDW in het kentekenregister een waardevermindering van € 2.500 rechtvaardigt en heeft dit vastgesteld op basis van een algemene tabel baserend op nieuwprijs en gekoppelde waardevermindering;
- de taxateur heeft zonder nadere motivering of onderbouwing een aanvullende waardevermindering vastgesteld wegens een ex-schade van € 1.250 terwijl een deugdelijke onderbouwing hiervan achterwege wordt gelaten;
- er is door de taxateur geen onderzoek ingesteld naar de oorzaak van eventuele schade c.q. de reden van afwezigheid van gedemonteerde delen terwijl dit juist inherent is aan de werkzaamheden van een taxateur als zodanig;
- de taxateur heeft om te bepalen wat gebruikersschades zijn, gebruik gemaakt van een algemene tabel van Autotelexpro, wat in strijd is met een individuele opname en bovendien is deze tabel grof en niet controleerbaar op welke gegevens deze gebaseerd is.
- de taxateur doet aan koerslijstvermenging;
- de taxateur heeft op basis van de foto's een bedrag van € 9.276,31 aan schade gecalculeerd hetgeen in strijd is met een gedegen fysieke opname;
- de waarde moet worden vastgesteld naar de staat waarin de auto ten hoogste een maand voor het tijdstip dat de Bpm is verschuldigd verkeert, hetgeen oncontroleerbaar is door het ontbreken van de inkoopfactuur.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht concludeert dat het taxatierapport van eiseres niet kan dienen om de waarde van de auto te bepalen, reeds omdat daarin zonder nadere toelichting en daarmee ten onrechte 100% van de berekende schade in mindering is gebracht, er rekening wordt gehouden met niet onderbouwde stelposten voor verminderingen wegens ‘geen oordeel kilometerstand RDW (€ 2.500) en een schadeverleden (€ 1.250) alsook voor het bepalen van de normale gebruikersschade, en de taxateur daarin doet aan koerslijstvermenging. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking de geringe tijd die is besteed aan de fysieke opname (30 minuten), afgezet tegen de gestelde uitgevoerde werkzaamheden en, juist ook in samenhang bezien met, de vastgestelde schade. Ook neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat eiseres de auto niet heeft getoond aan DRZ, met als redengeving dat de auto op dat moment 'niet rijbaar' was en de motor een storing had en kapot was, terwijl dit op geen enkele wijze uit het rapport van de taxateur, noch uit de foto's noch uit de schadecalculatie blijkt. Om deze redenen kan eiseres zich niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van haar stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee dus niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Nu zij naast het taxatierapport daarvan geen overig bewijs heeft geleverd, slaagt zij niet in de op haar rustende bewijslast.
11. De door eiseresses gemachtigde ter zitting overgelegde foto’s brengen de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. In die foto’s vindt de rechtbank onvoldoende ondersteuning voor de conclusie dat wel een waardevermindering vanwege schade moet worden toegepast. Uit de foto’s blijkt niet, althans onvoldoende dat sprake is van meer dan normale gebruikersschade. Weliswaar toont de laatste van de ter zitting overgelegde foto’s een forse schade, maar geheel onduidelijk en onbekend is hoe en wanneer die schade is gerepareerd, terwijl wel duidelijk is dat mét die schade (aan de voorzijde) niet kan worden gereden. De rechtbank vindt daarin dan ook geen aanleiding om met betrekking tot de omvang van de schade tot een ander oordeel te komen dan als hiervoor weergegeven. Dat DRZ de auto niet fysiek heeft kunnen bekijken en beoordelen en dus zelf geen beschadigingen heeft kunnen waarnemen en vaststellen omdat eiseres de auto niet heeft getoond, is hierbij niet relevant. Dat is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiseres komt. Zij heeft er immers voor gekozen de auto niet te tonen ondanks daartoe te zijn opgeroepen. Dat neemt weliswaar niet weg dat eiseres ondanks het niet tonen van de auto wel aannemelijk kan maken dat sprake is van een waardevermindering wegens schade, namelijk met een overtuigend taxatierapport. Van dat laatste is hier echter geen sprake (zie hiervoor onder 9. en 10.).
12. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.
Extra vermindering wegens schadeverleden
13. Eiseres stelt dat er een waardevermindering van € 1.250 moet worden toegepast wegens het schadeverleden van de auto. Voor een dergelijke waardevermindering rust de bewijslast op eiseres. Indien sprake is van een waardedaling van de auto ten gevolge van een voormalige schade aan de auto is het aan eiseres om te onderbouwen en aan te tonen dat ook na herstel van de schade een blijvende waardevermindering van de auto heeft plaatsgevonden. Het gaat hierbij dus niet om onvolledig of gebrekkig herstelde schade, voor zover daarvan sprake is wordt dit als schade in aanmerking genomen.
14. Naar het oordeel van de rechtbank kan het schadeverleden van een auto, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en omvang van de schade, het prijssegment van een voertuig, de leeftijd en de kilometerstand een waardedrukkend effect hebben op de handelsinkoopwaarde van een auto. Bij de aard van de schade kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de oorzaak van de schade (ongeval, diefstal, brand of vernieling) en de plaats waar de schade aan het voertuig zich bevindt (frontaal, zijkant, achter) en of daarbij meer of minder essentiële onderdelen zijn beschadigd. Of sprake is van een waardedaling kan alleen voor de individuele auto worden vastgesteld en dient met marktgegevens te worden onderbouwd.
15. Eiseres heeft geen nadere of aanvullende verklaring van een taxateur met betrekking tot de extra waardedaling van de onderhavige auto in verband met de specifiek voor deze auto in het verleden opgetreden schade, zulks beoordeeld naar de aard en omvang van die schade in relatie tot onder meer het prijssegment van de auto, de leeftijd van de auto en de kilometerstand en de marktgegevens van vergelijkbare auto’s met een schadeverleden. Nu eiseres verder niets heeft aangevoerd waaruit deze extra waardevermindering aannemelijk is geworden, heeft zij niet aan haar bewijslast voldaan en heeft verweerder terecht geen extra vermindering in aanmerking genomen.
Historische nieuwprijs
16. Voor gebruikte personenauto’s geldt dat het volgens artikel 10, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) bij die auto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van de Wet BPM wordt berekend met inachtneming van een vermindering. De vermindering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet BPM (de procentuele afschrijving), heeft tot doel om bij de heffing van Bpm ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met de (bij benadering) reële waardedaling van de auto. De wetgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken. Eén methode is het vaststellen van de handelsinkoopwaarde op basis van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorvoertuigen door wederverkopers in Nederland. Van gebruikte auto’s, met een merk en een type dat door de fabrikant op de Nederlandse markt in de handel is gebracht, kan op basis van de koerslijst de handelsinkoopwaarde worden vastgesteld. Door deze waarde af te zetten tegen de historische nieuwprijs van de gebruikte auto (dit is de prijs die in Nederland ten tijde van de eerste toelating op de weg van de auto zou moeten zijn betaald door de consument voor de auto in nieuwstaat), wordt de procentuele afschrijving berekend.
17. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving kan worden gekeken naar de handelsinkoopwaarde op de gekozen koerslijst van een wel in Nederland in handel gebrachte auto van hetzelfde merk, die voor wat betreft de technische uitvoering vrijwel gelijk is aan de auto (de referentieauto).
18. Tussen partijen is in geschil of voor de vaststelling van de procentuele afschrijving de in de koerslijst gevonden handelsinkoopwaarde moet worden afgezet tegen de historische nieuwprijs van de auto of tegen de historische nieuwprijs van de referentieauto. De historische nieuwprijs van een auto wordt bepaald door de ten tijde van de eerste toelating op de weg geldende netto catalogusprijs (van de auto met de daarop aangebrachte accessoires), te vermeerderen met de verschuldigde BTW en met de ten tijde van de eerste toelating verschuldigde Bpm. Omdat de auto niet in Nederland in de handel is gebracht staat niet vast wat de (Nederlandse) netto catalogusprijs van de auto is geweest. Partijen zijn uitgegaan van de netto catalogusprijs van de referentieauto’s. De CO2-uitstoot van de onderhavige auto (202 gr/km) is hoger dan de CO2-uitstoot van de referentieauto (161 gr/km). Tussen partijen is niet in geschil dat dit verschil kan worden veroorzaakt door de meetmethode, maar ook door andere verschillen tussen de auto en de referentieauto, zoals de afmeting van de banden en de brandstoftank. Eiseres stelt dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving de historische nieuwprijs moet worden bepaald op de netto catalogusprijs van de referentieauto’s, vermeerderd met de BTW en de Bpm, vastgesteld op basis van de CO2-uitstoot van de auto. Verweerder stelt dat voor de vaststelling van de procentuele afschrijving moet worden aangesloten bij de historische nieuwprijs van de referentieauto, dus met inachtneming van de voor de referentieauto verschuldigde (lagere) Bpm.
19. De door partijen gekozen methode voor vaststelling van de reële waardedaling van de auto, brengt mee dat de daadwerkelijke handelsinkoopwaarde van de auto niet komt vast te staan. Ook de netto catalogusprijs van de auto is niet vastgesteld. Voor de handelsinkoopwaarde en de netto catalogusprijs wordt gekeken naar de referentieauto.
Bij de vaststelling van het afschrijvingspercentage door vergelijking met het afschrijvingspercentage volgens de koerslijstmethode van de referentieauto met de eigenschappen en kenmerken die het dichtst aanleunen tegen die van de auto, staat het eiseres of verweerder niet vrij om de historische nieuwprijs die volgt uit de koerslijst te wijzigen door uit te gaan van een hogere CO2-uitstoot. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen[1]. De rechtbank wijst erop dat eiseres niet gebonden is aan de koerslijst. Het staat eiseres vrij om, nu de auto niet op een koerslijst voorkomt, indien zij meent dat het afschrijvingspercentage niet juist is, met een individueel taxatierapport haar standpunt te onderbouwen, het taxatierapport moet dan natuurlijk wel kunnen dienen. Het gelijk is ook in zoverre aan verweerder.
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

Immateriële schadevergoeding

21. (…)
22. (…) Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door verweerder.
Proceskosten
23. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[2] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de Inspecteur bevestigend. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding in beroep omdat bij de berekening daarvan een onjuist tarief zou zijn toegepast.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt:
  • tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
  • tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
  • primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
  • subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 12.879 (koerslijst Eurotax minus € 1.250 waardevermindering wegens schadeverleden), de historische nieuwprijs op € 60.458, de verschuldigde bpm op € 5.647 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.637, en
  • meer subsidiair en meest subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 14.129 (koerslijst Eurotax (meer subsidiair) dan wel toepassing van de taxatiemethodiek met gebruik van de in het onderzoek waardebepaling van DRZ gehanteerde handelsinkoopwaarde (meest subsidiair)), de historische nieuwprijs op € 60.458, de verschuldigde bpm op € 6.196 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 5.186.
Verder verzoekt belanghebbende het Hof een (juiste) proceskostenvergoeding toe te kennen, daarbij rekening houdend met het voor de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase geldende juiste tarief.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
In geval het hoger beroep uitsluitend gegrond is omdat belanghebbende conform haar stellingname recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding voor de beroepsfase in verband met de toepassing van een verkeerd tarief door de Rechtbank, verzoekt de Inspecteur het Hof voor de toekenning van de proceskostenvergoeding voor hoger beroep een gewicht toe te passen van 0,25 punt.
4.4.
Tussen partijen is ten aanzien van een eventueel toe te kennen proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase niet in geschil dat de gemachtigde van belanghebbende kwalificeert als een bijzonder geval in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:155, r.o. 3.5.1 en 3.5.2 en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:671, r.o. 2.4.2).

Beoordeling van het hoger beroep

Geldigheid taxatierapport, waardevermindering wegens (ex-)schade en overige waardeverminderingen
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat het taxatierapport van de zijde van belanghebbende niet kan dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde en ter onderbouwing van de door belanghebbende in aanmerking genomen waardeverminderingen van € 9.276,31 wegens schade (minus € 650 wegens gebruikssporen), € 1.250 wegens schadeverleden en € 2.500 wegens – kort gezegd – correctie wegens kilometerstand.
5.2.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op dit punt een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft belanghebbende, mede gelet op hetgeen gedurende de procedure door de Inspecteur is aangevoerd op dit punt (zie overweging 8 in de uitspraak van de Rechtbank), geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Het Hof maakt de overwegingen 9 tot en met 12 van de Rechtbank tot de zijne. Belanghebbende kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van haar stelling dat teveel bpm is nageheven en kan dit taxatierapport niet gebruiken om de door haar opgevoerde waardeverminderingen aannemelijk te maken. De bewijslast voor waardeverminderingen rust op belanghebbende. Nu het taxatierapport niet kan dienen en belanghebbende ook anderszins onvoldoende bewijs daarvan heeft bijgebracht, kunnen de daarin opgevoerde waardeverminderingen alleen om die reden al niet worden gevolgd. De door belanghebbende in hoger beroep aangeleverde facturen die zien op herstel- en spuitwerkzaamheden aan het plaatwerk (factuur van 6 oktober 2021) en overige werkzaamheden (factuur van 15 november 2021) doen aan dit oordeel niets af, alleen al omdat deze facturen van enige tot geruime tijd later zijn. Bovendien suggereert de omschrijving op de factuur van 15 november 2021 dat de kap is vervangen omdat belanghebbende er graag een ruit in wilde. Op de foto’s in het taxatierapport is van beschadiging van de kap en de bekleding overigens niets te zien. De foto’s waarop een met een witte substantie besmeurde kap en met dezelfde substantie besmeurde bekleding te zien zijn, moeten daarna zijn gemaakt. Dat de carrosserie van de auto dermate zou zijn beschadigd dat omvangrijke plaatwerkzaamheden nodig waren, is evenmin te zien op de foto’s uit het taxatierapport. Het hof twijfelt daarom aan de juistheid van deze facturen. Ook is opvallend dat belanghebbende de auto vanwege motorschade niet zou hebben getoond, terwijl motorschade niet is opgevoerd in het taxatierapport. Van een dergelijke schade ontbreken eveneens facturen.
Koerslijst Eurotax (switch naar de koerslijstmethode)
5.3.
Belanghebbende stelt dat in het geval de taxatiemethodiek wordt afgewezen, ter bepaling van de afschrijving gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode en dat voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat dan gebruik mag en kan worden gemaakt van de bij haar taxatierapport aangeleverde koerslijst Eurotax dan wel mag en kan worden aangesloten bij de door DRZ in het onderzoek waardebepaling vastgestelde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, waarbij DRZ deze handelsinkoopwaarde heeft overgenomen uit de aangifte (koerslijst Eurotax minus correcties markt- en dealersituatie).
De Inspecteur stelt dat geen gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode nu de auto niet voorkomt op een koerslijst. Niet alleen was de auto bedoeld voor de Amerikaanse markt, maar ook geldt dat de auto een andere uitvoering heeft dan waar de koerslijst van uit gaat (1.8 TSI voor de auto versus 2.0 TSI voor de koerslijst) en bijvoorbeeld ook een andere cilinderinhoud en vermogen heeft. De auto komt daarmee, aldus de Inspecteur, niet overeen qua kenmerken, zodat de koerslijstmethode niet bruikbaar is.
5.4.
Artikel 10, leden 7 en 8, van de Wet bpm (tekst 2021) luiden als volgt:
“7. De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het motorrijtuig op het tijdstip dat bepalend is voor de hoogte van de vermindering:
a. meer dan normale gebruiksschade heeft of niet als zodanig voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland; en
b. voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde eisen waardoor met dat motorrijtuig mag worden gereden op de weg.
8. Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de regels, bedoeld in het vijfde lid. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.”
5.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, als volgt beslist:
“(…)
4.2.3
Met ingang van 1 januari 2015 voorziet de Wet in drie manieren waaruit de belastingplichtige mag kiezen om de vermindering (afschrijving) bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet aannemelijk te maken, te weten gebruikmaking van de in artikel 10, lid 6, van de Wet bedoelde tabel (de forfaitaire afschrijvingstabel), de in artikel 10, lid 7, van de Wet bedoelde koerslijstmethode, en – onder voorwaarden – de in artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde taxatiemethode.[4] De wetgever heeft met deze wetswijziging toepassing van de taxatiemethode willen beperken om fraude en misbruik bij gebruikmaking van taxatierapporten te bestrijden. De voornaamste wijziging hield in dat de wetgever de mogelijkheid een taxatierapport voor de waardebepaling te gebruiken, met ingang van 1 januari 2015 heeft beperkt tot (i) schadevoertuigen, met uitsluiting van schadevoertuigen die niet langer deugdelijk van bouw en inrichting zijn (zogenoemde WOK-auto’s), en (ii) voertuigen die, vanwege de geringe mate waarin deze voertuigen in Nederland verhandeld worden, niet op koerslijsten voorkomen. Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat de koerslijstmethode voor een gebruikt motorvoertuig met normale gebruiksschade een representatieve benadering van de werkelijke waarde zal opleveren. Dit is volgens de wetgever het geval indien gekozen wordt voor het gebruik van een koerslijst waarin onder andere de gemiddelde handelsinkoopwaarden van auto’s naar merk, type, uitvoering en leeftijd zijn opgenomen. Deze gemiddelde handelsinkoopwaarden zijn namelijk gebaseerd op een wezenlijk aantal daadwerkelijk uitgevoerde handelstransacties, aldus de wetgever.[5]
4.2.4
Artikel 10, leden 7 en 8, van de Wet moeten, gelet op hun doel en strekking en in onderlinge samenhang gelezen, zo worden uitgelegd dat de wetgever per 1 januari 2015 de mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst heeft willen beperken tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de in de koerslijst opgenomen bijbehorende waarde een representatieve benadering van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig oplevert. Komt een motorrijtuig van een bepaald merk, model, type, uitvoering en leeftijd niet voor in een algemeen toegepaste koerslijst, dan moet de belastingplichtige kiezen tussen waardering op basis van de afschrijvingstabel en waardering met toepassing van de taxatiemethode.
(…)
[4] Wet van 17 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015), Stb. 2014, 578.
[5] Kamerstukken II 2014/15, 34002, nr. 3, blz. 31 en 32.”
5.6.
De vraag die thans voorligt is dus de vraag of belanghebbende, nu haar taxatierapport niet kan dienen, kan switchen naar de koerslijstmethode of dat belanghebbende, cijfermatig overigens op hetzelfde neerkomend, (in het kader van gebruik van de taxatiemethode) mag en kan aansluiten bij de door DRZ in het onderzoek waardebepaling vastgestelde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, waarbij DRZ deze handelsinkoopwaarde heeft overgenomen uit de aangifte (koerslijst Eurotax minus correcties markt- en dealersituatie) en meer in het bijzonder of de auto qua merk, model, type, uitvoering en leeftijd overeen komt met het in de koerslijst voorkomend motorrijtuig.
5.7.
Artikel 3 van Pro de Verordening 2018/858, betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (de Verordening), definieert, voor zover hier van belang, onder punt 32 “voertuigtype” als “een bepaalde groep voertuigen die ten minste de in bijlage I, deel B, vermelde kenmerken deelt”. In Bijlage 1 (Algemene definities, criteria voor de indeling in voertuigcategorieën, voertuigtypen en carrosserietypen), deel B (Criteria voor voertuigtypen, varianten en uitvoeringen) van de Verordening, wordt voor categorie M1, de categorie waar de auto onder valt, “uitvoering” als volgt beschreven:

“1.3. Uitvoering

1.3.1.
Als „uitvoering” van een variant worden voertuigen aangemerkt die de volgende kenmerken gemeen hebben:
a)
de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;
b)
de cilinderinhoud in het geval van een verbrandingsmotor;
c)
het maximaal geleverde motorvermogen of het nominaal continu maximumvermogen (elektrische motor);
d)
de aard van de brandstof (benzine, gasolie, lpg, bifuel of andere);
e)
het maximumaantal zitplaatsen;
f)
het geluidsniveau bij langsrijden;
g)
het uitlaatemissieniveau (bv. Euro 5, Euro 6 of een ander);
h)
gecombineerd of gewogen, gecombineerde CO2-emissies;
i)
elektriciteitsverbruik (gewogen, gecombineerd);
j)
gecombineerd of gewogen, gecombineerd brandstofverbruik.”
5.8.
Gelet op de hiervoor vermelde criteria vormen motorvermogen en cilinderinhoud onderscheidende criteria. Nu vaststaat dat deze criteria afwijken, geldt dat de onderhavige auto met de uitvoering 1.8 TSI en het voertuig met de uitvoering 2.0 TSI dat voorkomt in de koerslijst, dan ook geen voertuigen vormen van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat de in de koerslijst opgenomen waarde een representatieve benadering van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig oplevert. Belanghebbende kan dan ook geen gebruik maken van de koerslijstmethode, zodat de door haar voorgestane switch naar deze methode niet mogelijk is.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en historische nieuwprijs
5.9.
Gelet op het onder 5.5 bedoelde arrest moet de belastingplichtige in een dergelijk geval kiezen tussen waardering op basis van de afschrijvingstabel en waardering met toepassing van de taxatiemethode. Belanghebbende heeft er voor dat geval (zie 5.3) voor gekozen alsnog met toepassing van de taxatiemethode de auto te willen waarderen en wel in die zin dat wordt aangesloten bij de door de DRZ in het onderzoek waardebepaling tot uitgangspunt genomen en vastgestelde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, waarbij DRZ deze handelsinkoopwaarde heeft overgenomen uit de aangifte (koerslijst Eurotax minus correcties markt- en dealersituatie). Verder stelt belanghebbende dat de historische nieuwprijs op € 60.458 moet worden bepaald.
De Inspecteur heeft de stelling betrokken dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, nu het door belanghebbende overgelegde taxatierapport niet concludent is en niet de status weergeeft op het moment van doen van aangifte bpm, zeker nu ook de auto, ondanks een verzoek daartoe, niet bij DRZ is getoond en dat de bewijslast van de thans door haar verkozen uitgangspunten op belanghebbende rust. De Inspecteur stelt dat slechts de forfaitaire afschrijvingstabel kan worden toegepast om de in aanmerking komende vermindering van de bruto bpm vast te stellen, nu de koerslijst niet ziet op een met de auto vergelijkbaar voertuig.
5.10.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, als volgt beslist:
3.2.5
Indien een belastingplichtige bij het doen van aangifte voor de bpm ervoor kiest om de handelsinkoopwaarde van een personenauto te bepalen met gebruikmaking van de taxatiemethode, rust, in het geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, op de belastingplichtige de last de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat de taxatiemethode in zijn geval mag worden toegepast, en (b) dat toepassing van de taxatiemethode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling.[4] Deze bewijslast(verdeling) heeft betrekking op alle bij vaststelling van de taxatiewaarde in aanmerking genomen gegevens.
Deze bewijslast(verdeling) geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige die heeft gekozen voor gebruikmaking van de taxatiemethode, rechtsmiddelen aanwendt tegen een door hem op aangifte voldaan bedrag aan bpm, maar ook indien hij rechtsmiddelen aanwendt tegen een hem opgelegde naheffingsaanslag.
3.2.6
Indien de inspecteur zich op het standpunt stelt dat in het bij de aangifte gevoegde taxatierapport is uitgegaan van onvolledige, onjuiste of verkeerde gegevens en dat dit taxatierapport daarom in zoverre niet bruikbaar is, kan hij een naheffingsaanslag opleggen die – rekening houdend met de wel bruikbare gegevens uit dat taxatierapport – is gebaseerd op een hogere taxatiewaarde. Die taxatiewaarde kan de belastingplichtige in bezwaar en zo nodig in rechte betwisten. Dan geldt dat de belastingplichtige moet stellen en aannemelijk moet maken dat de inspecteur de taxatiewaarde als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld.
3.2.7
Indien de rechter in een geval waarin de taxatiemethode van toepassing is, tot het oordeel komt dat zowel de door de belanghebbende als de door de inspecteur verdedigde handelsinkoopwaarde van het desbetreffende motorvoertuig niet bruikbaar is voor het bepalen van de afschrijving ervan, moet die rechter die handelsinkoopwaarde in goede justitie vaststellen. Waardebepaling in goede justitie leent zich slechts in beperkte mate voor motivering.[5]
(…)
[4] Vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, rechtsoverweging 3.2.4.
[5] Zie HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, rechtsoverweging 4.3.3.”
5.11.
Zoals hiervoor overwogen, kan het taxatierapport van de zijde van belanghebbende niet dienen en is de koerslijst, en dus ook de daaruit volgende handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat die door de Inspecteur (in navolging van het rapport DRZ) bij het opleggen van de naheffingsaanslag is gebruikt, niet bruikbaar. Het is dan aan belanghebbende om met een taxatie te komen waaruit de door haar gewenste en te gebruiken gegevens volgen om tot een juiste waardebepaling te komen. Dit heeft betrekking op alle bij de vaststelling van de taxatiewaarde in aanmerking genomen (of te nemen) gegevens (zie overweging 3.2.5 van het onder 5.10 genoemde arrest van de Hoge Raad). Dit heeft belanghebbende niet (alsnog) met een (nieuw) taxatierapport gedaan.
5.12.
Nu de in het dossier gehanteerde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto gelet op het vorenoverwogene niet kan gelden, zal het Hof die handelsinkoopwaarde in onbeschadigde toestand in goede justitie bepalen (zie overweging 3.2.7 van de Hoge Raad onder 5.10). Het Hof bepaalt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 15.000.
5.13.
Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de afschrijving moet worden uitgegaan van de historische nieuwprijs, waarbij de component bruto bpm wordt bepaald op de daadwerkelijke uitstoot van de auto en berekent dit als volgt: netto catalogusprijs € 28.054 + btw € 5.891 + historische bruto bpm (auto zelf) € 26.513 = historische nieuwprijs € 60.458. Het Hof acht dit standpunt juist. Voor de voor de auto verschuldigde bpm moet niet worden uitgegaan van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van het referentievoertuig, zoals de Inspecteur stelt, maar van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van de auto zelf (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703 en ECLI:NL:HR:2023:1714). Niet in geschil is dat de CO2-uitstoot van de auto zelf 202 gr/km bedraagt (zie 2.2). Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende. De historische nieuwprijs bedraagt derhalve € 60.458.
Naheffingsaanslag
5.14.
Gelet op het vorenoverwogene dient de naheffingsaanslag te worden verminderd en te worden berekend als volgt. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 15.000 gedeeld door de historische nieuwprijs van € 60.458 maal de historische bruto bpm van € 26.513 leidt tot een verschuldigde bpm van € 6.578. Op aangifte is betaald € 1.010. De aanslag dient derhalve te worden vastgesteld op € 5.568. Gelet op het tijdsverloop bestaat geen recht op extra leeftijdskorting. De datum eerste toelating is immers 30 januari 2017, terwijl de aangifte en de tenaamstelling beide in september 2021 hebben plaatsgevonden.
Tarief proceskosten beroep
5.15.
Belanghebbende stelt terecht dat de Rechtbank een onjuist tarief, te weten het tarief van het voorgaande jaar, heeft toegepast bij de berekening van de proceskosten. Dit zal in de toekenning van de proceskostenvergoeding worden hersteld.
Slotsom
5.16.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)),
€ 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 5.068.
Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.
6.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 184, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 289 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 5.568;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 5.068, en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 473 aan griffierechten te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen W. de Wit
De beslissing is op 18 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.