Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:434

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/411
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:75 AwbArt. 17 Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2021Art. 20 Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van een tankstation, kreeg voor 2021 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd van €193,80 gebaseerd op drie vervuilingseenheden. De Heffingsambtenaar weigerde een hoorgesprek te houden ondanks een verzoek daartoe, en bracht niet alle relevante gegevens in het geding.

De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een immateriële schadevergoeding af wegens onduidelijkheid over het financiële belang. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de aanslag te hoog was, de hoorplicht was geschonden en dat immateriële schadevergoeding moest worden toegekend.

Het Hof oordeelde dat de hoorplicht inderdaad was geschonden, maar dat terugwijzing niet nodig was omdat belanghebbende dit niet had verzocht. De aanslag was terecht gebaseerd op drie vervuilingseenheden omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat het er minder waren. De stelling over overschrijding opbrengstlimiet was te laat ingebracht.

Het financiële belang bedroeg €129,20, meer dan de drempel van €15, waardoor immateriële schadevergoeding van €2.500 werd toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van 25 maanden. Tevens werden proceskosten en griffierechten voor bezwaar, beroep en hoger beroep aan belanghebbende toegekend.

Het Hof vernietigde het deel van de Rechtbankuitspraak dat de immateriële schadevergoeding betrof en veroordeelde de Heffingsambtenaar tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten.

Uitkomst: Het Hof kent immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding, veroordeelt de Heffingsambtenaar tot proceskostenvergoeding en bevestigt de aanslag zuiveringsheffing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/411

Uitspraak van 17 maart 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 april 2025, nummer SGR 24/1091.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] voor het jaar 2021 een aanslag in de zuiveringsheffing bedrijfsruimten van het Hoogheemraadschap van Rijnland opgelegd ten bedrage van € 193,80 (de aanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 371. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 579. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 31 juli 2025. Van de zijde van belanghebbende zijn op 17 juni 2025, 13 januari 2026, 14 januari 2026, 16 januari 2026 en 23 januari 2026 nadere stukken ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 februari 2026. Partijen hebben deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende was in 2021 eigenaar en gebruiker van de bedrijfsruimte, een tankstation, aan de [adres] te [woonplaats] (het tankstation).
2.2.
De aanslag ten bedrage van € 193,80 is opgelegd op 28 februari 2021 voor het (direct of indirect) afvoeren van afvalwater uit het tankstation en is berekend naar drie vervuilingseenheden.
2.3.
De Heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief van 6 december 2023 uitgenodigd voor een hoorgesprek. In deze brief staat, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:
“Daarom nodigen wij u uit voor een hoorgesprek zodat u uw bezwaarschrift mondeling kunt toelichten.
Het hoorgesprek kan plaatsvinden op een van de volgende momenten:
(…)
Indien u niet of te laat reageert op deze brief, kiezen wij het moment donderdag 21 december 2023 14:00 voor de hoorzitting. U kunt dan niet meer zelf meebeslissen over de datum en tijd. De hoorzitting wordt alleen in uitzonderlijke gevallen verzet.
Mocht u niet verschijnen op de hoorzitting, dan gaan wij er van uit dat u niet langer gehoord wenst te worden en doen wij uitspraak op basis van de informatie die ons ter beschikking staat.”
2.4.
Belanghebbende heeft voornoemde brief teruggezonden met daarop de volgende, voor zover in hoger beroep van belang, handgeschreven tekst:
“(…) 12-12-23
Hoe luiden de namen van onze klanten? Welke adressen betreffen het?”
2.5.
De Heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan zonder een hoorgesprek te houden.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“(…)
11. Op grond van artikel 17 van Pro de Verordening rust de bewijslast op eiseres om aannemelijk te maken dat vervuilingseenheid 1 of minder is. Nu eiseres niets heeft aangevoerd, heeft zij niet aan haar bewijslast voldaan. Ook de stelling van eiseres in bezwaar dat er geen sprake zou zijn van een aansluiting heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De stelling van eiseres dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft geen gehoor gegeven aan de uitnodiging van verweerder om te worden gehoord, zodat geen sprake is van schending van de hoorplicht.
Verzoek immateriële schadevergoeding
12. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. De rechtbank gaat uit van de ontvangstdatum 10 maart 2021. De rechtbank doet op 22 april 2025 uitspraak. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond 25 maanden. De rechtbank kan echter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overgeschreden, indien er sprake is
van een zeer gering financieel belang van niet meer dan € 15.[1] Gelet op het feit dat eiseres in beroep niet opkomt tegen de aanslag Zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2021 maar tegen een
beschikking WOZ, hetgeen blijkt uit de ingediende stukken van eiseres van 8/1/24, 21/2/24, 12/06/24, 10/07/24, 22/01/25 (2x), 12/2/2en, 14/02/25, waar de onderhavige aanslag niet op ziet, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet kenbaar heeft gemaakt wat haar belang is. Nu de rechtbank niet kan niet vaststellen dat het belang groter is dan € 15, volstaat de rechtbank derhalve met enkel de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.1.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in het hogerberoepschrift en in de nadere stukken volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele geen betrekking hebben op de onderhavige zaak. Daarom is de gemachtigde ter zitting gevraagd welke gronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Uit de daarop aangevoerde hogerberoepsgronden blijkt dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de hierna onder 4.1.2 genoemde punten.
4.1.2.
In hoger beroep is in geschil of:
- niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt;
- de hoorplicht is geschonden;
  • de aanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd;
  • de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag tot een bedrag van € 64,60 (berekend naar één vervuilingseenheid) en tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. Voorts verzoekt belanghebbende om een (proces)kostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Op de zaak betrekking hebbende stukken
5.1.
De Heffingsambtenaar stelt dat het waterverbruik van 68 m3 door het tankstation leidt tot drie vervuilingseenheden. Voor het waterverbruik verwijst de Heffingsambtenaar naar gegevens van [Waterleidingbedrijf] . Deze gegevens, die kennelijk van belang zijn geweest bij de vaststelling van de bestreden aanslag, heeft de Heffingsambtenaar niet in het geding gebracht. Daarmee heeft de Heffingsambtenaar de verplichtingen van artikel 8:42 Awb Pro geschonden. Belanghebbende heeft niet om terugwijzing verzocht.
Schending hoorplicht
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat de hoorplicht is geschonden doordat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. In reactie op de brief van 6 december 2023, waarin de Heffingsambtenaar belanghebbende heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek, heeft de gemachtigde van belanghebbende op 12 december 2023 aan de Heffingsambtenaar gevraagd om de namen van de klanten, alsmede de adressen die bij de zaaknummers horen (zie 2.4), te verstrekken. Ter zitting heeft de gemachtigde nader toegelicht dat het verzoek ermee te maken heeft dat hij een grote hoeveelheid zaken heeft lopen in het gehele land en de aanslagnummers geen unieke nummers zijn. Hierdoor kan in zijn administratie niet (eenvoudig) worden achterhaald welke klanten bij de betreffende aanslagnummers horen. Nu de Heffingsambtenaar niet heeft gereageerd op het verzoek om verstrekking van de namen dan wel adressen van de klanten en verder geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, is de hoorplicht naar het oordeel van belanghebbende geschonden. De Heffingsambtenaar heeft deze stelling gemotiveerd weersproken.
5.2.2.
Vast staat dat belanghebbende in haar bezwaarschrift duidelijk kenbaar heeft gemaakt te willen worden gehoord. Gelet op de beschikbare gedingstukken is naar het oordeel van het Hof sprake van schending van de hoorplicht zoals bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 25, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet. Dat in de reactie op de brief van 6 december 2023 is verzocht om de namen van de klanten en de daarbij behorende adressen, zonder daarbij aan te geven op welke data belanghebbende beschikbaar is voor een hoorgesprek, maakt dit niet anders. Uit de reactie van (de gemachtigde van) belanghebbende kon de Heffingsambtenaar immers niet zonder meer afleiden dat belanghebbende afstand heeft gedaan van haar recht te willen worden gehoord (vgl. HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59, r.o. 2.3). Evenmin doet daaraan af dat de Heffingsambtenaar in zijn brief van 6 december 2023 een fatale termijn heeft gesteld voor het maken van een afspraak dan wel heeft vermeld ervan uit te gaan dat belanghebbende afstand doet van haar hoorrecht indien zij niet op het door de Heffingsambtenaar gekozen tijdstip voor een hoorzitting verschijnt (zie 2.3).
5.2.3.
Ondanks dat de hoorplicht is geschonden, bestaat geen aanleiding voor een terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar omdat belanghebbende niet om terugwijzing heeft verzocht. Wel bestaat aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten en griffierechten.
Aanslag zuiveringsheffing
5.3.1.
Het Hof stelt vast dat niet (meer) in geschil is dat het tankstation beschikt over een wateraansluiting. Belanghebbende heeft immers ter zitting van de Rechtbank (met verwijzing naar een namens belanghebbende opgestelde en in het geding gebrachte e-mail) verklaard dat het tankstation in het onderhavige jaar operationeel in gebruik is geweest, onder meer doordat water bij het tankstation wordt verkocht aan glazenwassers en wordt meegenomen door mensen met campers. Daarmee heeft belanghebbende haar eerdere betwisting van de aanwezigheid van een wateraansluiting prijsgegeven.
5.3.2.
Belanghebbende stelt dat de aanslag dient te worden opgelegd naar één vervuilingseenheid in plaats van drie vervuilingseenheden. Doordat water bij het tankstation wordt verkocht dan wel wordt meegenomen (zie 5.3.1), wordt minder water geloosd op het riool dan is verbruikt.
5.3.3.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de bewijslast draagt van zijn stelling dat, door de verkoop van het water aan glazenwassers dan wel het gebruik door mensen met campers, de aanslag dient te worden opgelegd naar één vervuilingseenheid. Nu belanghebbende geen bewijs heeft aangedragen op basis waarvan de conclusie kan worden genomen dat de aanslag naar één vervuilingseenheid dient te worden opgelegd, is de aanslag naar de mening van de Heffingsambtenaar naar het juiste bedrag vastgesteld.
5.3.4.
De Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2021 (de Verordening) bevat, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer de volgende bepalingen en artikelgewijze toelichting:

“Artikel 3

(…)
2. Aan de heffing worden onderworpen:
a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
b. ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die afvoert.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig:
(…)
b. in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
(…)

Artikel 8

(…)
2. Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.
(…)

Artikel 12

In afwijking van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.
Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule A x B, waarbij
A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;
B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.
3. Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de heffingsambtenaar die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen wijze.
4. De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k van de Waterschapswet.
(…)

Artikel 17

In afwijking van artikel 9, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringstechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.
Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of (…) in de loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar.
(…)

Artikel 20

1. Het tarief bedraagt € 64,60 per vervuilingseenheid.
(…)
Bijlage II.
Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid, Waterschapswet)
Klasse
Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ingenomen water
Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het heffingsjaar
Ondergrens
Bovengrens
1
> 0
0,0013
0,0010
2
> 0,0013
0,0020
0,0016
3
> 0,0020
0,0031
0,0025
4
> 0,0031
0,0048
0,0039
5
> 0,0048
0,0075
0,0060
6
> 0,0075
0,012
0,0094
7
> 0,012
0,018
0,015
8
> 0,018
0,029
0,023
9
> 0,029
0,045
0,036
10
> 0,045
0,070
0,056
11
> 0,070
0,11
0,088
12
> 0,11
0,17
0,14
13
> 0,17
0,27
0,21
14
> 0,27
0,42
0,33
15
> 0,42
0,5
(…)

B. Artikelgewijze toelichting

(…)
Artikel 2
(…)
Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 12.
De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.
(…)
Artikel 12
Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege blijven. Bij zogenoemde ‘tabelbedrijven’ wordt het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.
Deze bepaling is destijds met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud) ingevoerd. In de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming is, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1998/1999, 26 367, nr. 3, p. 9 en 10):
“De vijftien afvalwatercoëfficiënten zijn berekend vanuit de coëfficiënt die behoort bij klasse 8, dit is de coëfficiënt die het huishoudelijk en daarmee vergelijkbaar afvalwater representeert.
(…)
De afvalwatercoëfficiënten welke behoren bij de hoogste, onderscheidenlijk de laagste klasse van de Tabel Afvalwatercoëfficiënten komen overeen met het meest, respectievelijk het minst geconcentreerde afvalwater dat uit de praktijk bekend is.
(…)
Eerste lid
Toepassing van de tabel is toegestaan indien:
de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel
nietleidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.
Tweede lid
De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.
Derde lid
Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een andere tariefstructuur door het ontbreken van een watermeter. In dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels.
Vierde lid
De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de tabel in artikel 2 van Pro het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december 2008, Stb. 2008/609).
(…)
Artikel 17
Eerste lid
De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis in artikel 122i, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.
Tweede lid
Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie vervuilingseenheden opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder vervuilingseenheid bedraagt. Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering
kan door de heffingsambtenaar ook ambtshalve worden verleend.”
5.3.5.
Ingevolge artikel 8 van Pro de Verordening geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, waarbij de vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden. De berekening van het aantal vervuilingseenheden voor een bedrijfsruimte vindt daarbij plaats aan de hand van een forfaitaire heffingsmaatstaf in plaats van door middel van meting, bemonstering en analyse. Bij toepassing van de forfaitaire heffingsmaatstaf geldt dat het aantal vervuilingseenheden (forfaitair) wordt vastgesteld op basis van de hoeveelheid ingenomen water vermenigvuldigd met de bij een klasse behorende afvalwatercoëfficiënt. Voor de vraag tot welke klasse een bedrijfsruimte behoort, wordt ingevolge artikel 12, lid 4, van de Verordening uitgegaan van de tabel zoals opgenomen in artikel 2 van Pro het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (het Besluit).
5.3.6.
Uit de tabel zoals opgenomen in artikel 2 van Pro het Besluit volgt dat voor een tankstation wordt uitgegaan van 0,021 vervuilingswaarde per m3 ingenomen water. Daarmee behoort een tankstation op grond van bijlage II van de Verordening tot klasse 8, waarvoor een afvalcoëfficiënt van 0,023 geldt. De Heffingsambtenaar is bij het vaststellen van het aantal vervuilingseenheden van het tankstation uitgegaan van 68 m3 ingenomen water. Bij toepassing van afvalcoëfficiënt 0,023 resulteert dat in afgerond twee vervuilingseenheden. Aangezien dat niet minder is dan één vervuilingseenheid, is de aanslag opgelegd naar drie vervuilingseenheden (zie artikel 17, lid 1, van de Verordening).
5.3.7.
Niet in geschil is dat belanghebbende bij toepassing van de Verordening kwalificeert als een kleine bedrijfsruimte. Voor kleine bedrijfsruimten wordt het aantal vervuilingseenheden ingevolge artikel 17, lid 1, van de Verordening (forfaitair) vastgesteld op één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt. Hieruit volgt dat op belanghebbende de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de aanslag dient te worden vastgesteld naar één vervuilingseenheid. Belanghebbende is daarin niet geslaagd. Zij heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de vervuilingswaarde van het door het tankstation afgevoerde afvalwater in het onderhavige jaar minder bedroeg dan één vervuilingseenheid. De enkele verwijzing naar een e-mail waarin wordt verklaard dat water bij het tankstation wordt verkocht aan glazenwassers en meegenomen door mensen met campers, is ontoereikend, aangezien de e-mail niet concretiseert om hoeveel verkocht of meegenomen water het gaat en welke invloed de verkoop of het meenemen van het water heeft op de in aanmerking te nemen vervuilingseenheden. Het Hof is derhalve van oordeel dat de aanslag naar het juiste aantal vervuilingseenheden en tevens naar het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbendes beroep op vermindering van de aanslag faalt.
Overschrijding opbrengstlimiet
5.4.1.
Belanghebbende stelt voorts dat de opbrengstlimiet is overschreden. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting gesteld dat deze stelling als tardief moet worden aangemerkt en derhalve buiten beschouwing moet blijven.
5.4.2.
Een geschil over overschrijding van de opbrengstlimiet kan pas worden beoordeeld na een relatief uitvoerige uitwisseling van argumenten tussen de belanghebbende en de heffingsambtenaar. Van een professionele rechtsbijstandverlener mag daarom worden verwacht dat indien hij zich beroept op overschrijding van de opbrengstlimiet, hij dat tijdig, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig doet, zodat er voldoende gelegenheid bestaat voor deze uitwisseling. In deze procedure heeft de gemachtigde van belanghebbende pas in zijn nader stuk van 14 januari 2026 in algemene bewoordingen verwezen naar jurisprudentie over de opbrengstlimiet, zonder zich daarop uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te beroepen. Onder die omstandigheden zou de goede procesorde geweld worden aangedaan door de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden tot de geschilpunten te rekenen.
Vergoeding van immateriële schade
5.5.1.
Belanghebbende heeft in beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat de redelijke termijn weliswaar met afgerond 25 maanden is overschreden, maar heeft volstaan met de enkele constatering daarvan onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, en 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292. Volgens de Rechtbank heeft belanghebbende namelijk niet kenbaar gemaakt wat haar belang is, waardoor de Rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of het financiële belang groter is dan € 15.
5.5.2.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.2). Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden wordt gerekend het geval dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. Van een zeer gering financieel belang is sprake indien het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen en de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15 (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3).
5.5.3.
Het hiervoor bedoelde financiële belang kan alleen betrekking hebben op een of meer belastingaanslagen dan wel voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, lid 1 en 2, AWR waarover de belastingplichtige een procedure voert. Daarbij wordt geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters, zoals beslissingen over proceskostenvergoedingen, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.1). Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het is daarbij aan de belanghebbende om voldoende duidelijk te maken waarin het financiële belang bij de procedure is gelegen en wat de omvang daarvan is (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.4 en r.o. 3.3.5).
5.5.4.
In de onderhavige zaak heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de aanslag dient te worden vastgesteld naar één vervuilingseenheid. Aangezien op grond van artikel 20 van Pro de Verordening (zie 5.3.4) het tarief per vervuilingseenheid € 64,60 bedraagt en de aanslag voor het onderhavige jaar is opgelegd naar drie vervuilingseenheden, bedraagt het financiële belang € 129,20 (2 x € 64,60). Het financiële belang betreft derhalve meer dan € 15, zodat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Deze bedraagt bij een overschrijding van de redelijke termijn van 25 maanden in de bezwaar- en beroepsfase € 2.500. De overschrijding is geheel toerekenbaar aan de bezwaarfase.
Slotsom
5.6.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de Heffingsambtenaar voor de door belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte (proces)kosten en tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.
Bezwaarfase
6.2.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in bezwaar, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 7:15, lid 2, Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 666 (1 punt voor het bezwaarschrift à € 666 x wegingsfactor 1).
Beroepsfase
6.3.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 934 x wegingsfactor 1).
6.4.
Verder dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep betaalde griffierecht van € 371 te worden vergoed.
Hogerberoepsfase
6.5.
Het Hof stelt de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.868 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1.
6.6.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn;
  • veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.500;
  • veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten voor beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 4.402; en
  • draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 950 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, R.A. Bosman en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.
De griffier, de voorzitter,
X. Evers Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.