ECLI:NL:GHDHA:2026:438

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
200.318.722/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13/EEGArt. 7A:1576e BWHR 1 mei 2015 ECLI:NL:HR:2017:164Hoge Raad 10 juni 2022 ECLI:NL:HR:2022:862
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over effectenleaseovereenkomsten en onaanvaardbare financiële lasten

Deze zaak betreft vier effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en een particuliere belegger, waarbij de vraag centraal stond of de belegger onaanvaardbaar zware financiële lasten droeg en of een beding over resterende termijnen oneerlijk was.

De kantonrechter oordeelde dat Dexia niet aan haar zorgplicht had voldaan en dat bij drie van de vier overeenkomsten sprake was van een onaanvaardbare last, waardoor Dexia twee derde van de schade moest vergoeden. Tevens werd een beding in één overeenkomst vernietigd als oneerlijk.

In hoger beroep voerde Dexia aan dat de financiële last niet onaanvaardbaar was en dat het beding niet oneerlijk was, mede omdat de belegger zelf de overeenkomst had opgezegd. Het hof verwierp het betoog over de financiële last en oordeelde dat het beding niet oneerlijk was, omdat het gunstiger was dan de wettelijke regeling.

Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, verklaarde dat Dexia aan haar verplichtingen heeft voldaan na uitbetaling van de schadevergoeding, compenseerde de proceskosten in het principaal appel en veroordeelde Dexia in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart dat Dexia na uitbetaling van schadevergoeding aan haar verplichtingen heeft voldaan, oordeelt dat het beding niet oneerlijk is en compenseert de proceskosten in het principaal appel.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.318.722/01
Zaaknummer rechtbank: : 8887830 EL 20-7
Arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, van 16 september 2021.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • de akte tevens houdende memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. Het geschil en de beslissing van de kantonrechter
3.1.
Deze zaak gaat over vier effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] , te weten:
  • Overeenkomst I, met nummer [nummer 1] , geëindigd met een positief resultaat van € 3.382,48,
  • Overeenkomst II, met nummer [nummer 2] , volgens de door Dexia destijds opgemaakte eindafrekening tussentijds geëindigd op 9 augustus 2006, met een negatief resultaat van € 10.694,07,
  • Overeenkomst III, met nummer [nummer 3] , geëindigd met een positief resultaat van € 2.091,05, en
  • Overeenkomst IV, met nummer [nummer 4] , geëindigd met een negatief resultaat van € 300,06.
3.2.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de vier overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en verder niets meer aan Afnemer verschuldigd is. Ook heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt om aan Dexia te betalen een bedrag van € 3.432,30 ter zake van overeenkomst II, en een bedrag van maximaal € 100,02 ter zake van Overeenkomst IV. Tot slot heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten.
3.3.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia nadat zij is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als weergegeven in het vonnis (onder rov. 5.20) aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan Afnemer verschuldigd is. Daarbij oordeelde de kantonrechter dat bij het aangaan van Overeenkomst I naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last op [geïntimeerde] werd gelegd, zodat Dexia uit hoofde van deze overeenkomst geen schade bestaande uit termijnen hoeft te vergoeden. Bij het aangaan van de overige overeenkomsten werd wel een onaanvaardbaar zware financiële last op [geïntimeerde] gelegd, zodat Dexia uit hoofde van de Overeenkomsten II, III en IV twee/derde deel van de schade bestaande uit termijnen moet vergoeden (en in voorkomend geval ook twee/derde deel van de restschuld). Daarnaast oordeelde de kantonrechter dat het beding in Overeenkomst II dat Dexia na beëindiging van de overeenkomst recht geeft op betaling van resterende termijnen een oneerlijk beding is als bedoeld onder de Richtlijn 93/13/EEG, daarop dit beding ambtshalve vernietigde en oordeelde dat Dexia de bij beëindiging nog ‘resterende termijnen’ niet in rekening had mogen brengen bij [geïntimeerde] . De kantonrechter heeft de proceskosten gecompenseerd.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in paragraaf 2 (De feiten). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia (drie) grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
4.3.
[geïntimeerde] heeft, zakelijk weergegeven, geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven. In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] zakelijk weergegeven, geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover het de vaststelling van het fiscaal voordeel door de kantonrechter betreft en, opnieuw rechtdoende, vast te stellen dat het fiscaal voordeel € 4.915,74 is (conform nr. 137 van haar memorie), met veroordeling van Dexia in de proceskosten (naar het hof begrijpt) in beide instanties.
4.4.
Dexia is het met [geïntimeerde] eens dat het fiscaal voordeel € 4.915,74 bedraagt. Voor het overige heeft zij geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel hoger beroep.
4.5.
Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] door het aangaan van deze overeenkomsten is blootgesteld aan een onaanvaardbaar zware financiële last en de vraag of het beding in Overeenkomst II dat Dexia na beëindiging van de overeenkomst recht geeft op betaling van resterende termijnen oneerlijk is.
Onaanvaardbaar zware last
4.6.
In verband met de risicovolle aard van effectenleaseproducten rustte op Dexia als professionele dienstverlener een bijzondere zorgplicht tegenover particuliere beleggers. Op die grond was zij als aanbieder verplicht de particuliere belegger te waarschuwen voor het restschuldrisico. Verder was zij gehouden onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van de particuliere belegger. Ook diende zij deze belegger, indien daartoe aanleiding bestond, te ontraden de leaseovereenkomst aan te gaan. [2] Tussen partijen staat vast dat Dexia niet aan die tweeledige zorgplicht heeft voldaan. Zij moet daarom twee derde deel van de restschuld als schade aan [geïntimeerde] vergoeden; een derde deel van de restschuld blijft voor rekening van [geïntimeerde] . Indien Dexia had moeten begrijpen dat de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware last voor [geïntimeerde] vormden, worden de termijnen (rente, aflossing en kosten) volgens dezelfde maatstaf tussen de [geïntimeerde] en Dexia verdeeld.
4.7.
Dexia heeft in grief 1 aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er met betrekking tot de overeenkomsten II tot en met IV sprake is geweest van een onaanvaardbaar zware financiële last.
4.8.
Om te bepalen of naar redelijke verwachting sprake is een onaanvaardbaar zware financiële last voor [geïntimeerde] , moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een afnemer in aanmerking worden genomen. Daartoe maken de rechtbanken en hoven gebruik van de – ook bij partijen bekende - ‘hofformule’. De formule luidt: X - W - A - B - C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). In hoger beroep gaat het over de invulling van de factor X: het besteedbare netto-maandinkomen van [geïntimeerde] . Voor zover Dexia in haar memorie van grieven eveneens opkomt tegen de vaststelling van de gezinssamenstelling van [geïntimeerde] (factor Y wat staat voor de NIBUD-basisnorm voor het type huishouden van de afnemer), verwijst het hof naar rov. 5.16 van het bestreden vonnis. Het hof maakt het daar weergegeven oordeel tot het zijne. Dexia heeft in hoger beroep niet duidelijk gemaakt waarom dit oordeel onjuist zou zijn.
4.9.
Dexia voert met haar eerste grief aan dat, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, privé-onttrekkingen uit een eenmanszaak van invloed zijn op het besteedbaar netto maandinkomen (factor X) en daarmee op de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar financiële last. Dexia stelt daartoe dat privé uitgaven doorgaans worden gedaan van een zakelijke rekening en als dat het geval is, dit gecorrigeerd moet worden waardoor de winst uit onderneming en daarmee het besteedbaar netto maandinkomen stijgt. Daarom is het volgens Dexia noodzakelijk dat [geïntimeerde] de jaarrekeningen uit de jaren 1998 en 1999 van haar eenmanszaak in het geding brengt, bij gebreke waarvan aangenomen moet worden dat bij [geïntimeerde] sprake is van een zware financiële last die aanvaardbaar is. [geïntimeerde] bestrijdt het door Dexia ingenomen standpunt.
4.10.
Het hof verwerpt het betoog van Dexia en overweegt daartoe als volgt. [geïntimeerde] had een eenmanszaak. Bij een eenmanszaak wordt de belastbare winst uit onderneming, afgezien van vrijstellingen, bepaalt door de uit de verlies-en winstrekening blijkende omzet en kosten. Privé onttrekkingen en privé stortingen zijn van invloed op het eigen vermogen van de onderneming maar beïnvloeden de hoogte van de belastbare winst uit onderneming niet. Bij een eenmanszaak is er verder geen sprake van een afgescheiden vermogen zodat privé stortingen of privé opnames niet van invloed zijn op de financiële bestedingsruimte van [geïntimeerde] . Het is daarom niet nodig dat jaarverslagen worden ingebracht om privé-opnames (en stortingen) te beoordelen. Voor de bepaling van factor X kan worden uitgegaan van de door [geïntimeerde] aangevoerde inkomensgegevens in de biljetten van een proces, waarvan de juistheid door Dexia niet is betwist.
4.11.
Omdat verder de overige door [geïntimeerde] aangevoerde gegevens onder de hofformule niet (meer) in geschil zijn tussen partijen nu die gegevens niet of onvoldoende door Dexia zijn betwist, volgt uit het hier overwogene dat met het aangaan van de Overeenkomsten II tot en met IV naar redelijke verwachting wel een onaanvaardbaar zware last op [geïntimeerde] werd gelegd. Grief 1 in principaal appel is dus ongegrond.
Resterende termijnen – gerechtelijke erkentenis?
4.12.
Dexia heeft een grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat artikel 2 van Pro Overeenkomst II een oneerlijk beding is op grond van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13) en dat Dexia daarom ten onrechte de resterende termijnen op de eindafrekening van Overeenkomst II in rekening heeft gebracht (grief II). In het vonnis overwoog de kantonrechter in rov. 5.19 als volgt:
5.19.
Uit het voorgaande volgt dat Dexia ten onrechte in de eindafrekeningen (een gedeelte van de) resterende termijnen bij Afnemer in rekening heeft gebracht, die Afnemer ook heeft voldaan. Nu het beding op grond waarvan deze termijnen in rekening zijn gebracht – zo nodig ambtshalve – wordt vernietigd en Dexia evenmin aanspraak heeft op enige in de plaats daarvan komende schadevergoeding op grond van de wet, heeft Afnemer deze termijnen onverschuldigd betaald en zal Dexia deze aan hem terug dienen te betalen.
Dexia heeft ter gelegenheid van de zitting erkend dat zij ten onrechte de resterende termijnen bij verschillende overeenkomsten in rekening heeft gebracht.
4.13.
[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord gereageerd op de grief van Dexia en heeft - met verwijzing naar de laatste zin van rov. 5.19 - zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een gerechtelijke erkentenis aan de zijde van Dexia. Volgens [geïntimeerde] kan Dexia nu niet het standpunt innemen dat de resterende termijnen wel verschuldigd zijn aan Dexia, terwijl zij in eerste aanleg heeft erkend dat zij ten onrechte de resterende termijnen bij [geïntimeerde] (en andere afnemers) in rekening heeft gebracht. Het hof overweegt dat deze in het bestreden vonnis opgenomen erkenning van Dexia niet ondubbelzinnig is. Naar het hof begrijpt, ziet de erkenning van Dexia op het volgende. De kantonrechter heeft, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad en het Hof van Justitie, overwogen dat het beding op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de afnemer bevoegd is de onbetaalde leasesommen op te eisen, oneerlijk is. Dexia heeft – kennelijk – ter zitting erkend dat zij de resterende termijnen
in zoverreten onrechte in rekening heeft gebracht. De erkenning ziet dus enkel op de situatie dat de overeenkomst door Dexia is opgezegd wegens wanbetaling van de afnemer, maar niet op de situatie dat de opzegging afkomstig was van de afnemer.
resterende termijnen – de herkansingsfunctie van het hoger beroep
4.14.
In eerste aanleg betoogde Dexia dat zij de overeenkomst op 6 augustus 2006 zelf heeft opgezegd, maar in hoger beroep stelt zij zich op het standpunt dat haar eerder niet is opgevallen dat de opzeggingsbrief van [geïntimeerde] van 5 januari 2006 ook ten doel had om Overeenkomst II tussentijds te beëindigen. Dexia stelt dat in een geval waarin een afnemer de overeenkomst heeft opgezegd en niet Dexia, herhaaldelijk in rechte is vastgesteld dat een beding als artikel 2 van Pro Overeenkomst II niet oneerlijk is. In de rechtspraak is geoordeeld dat het beding gunstiger was dan de regeling waar het toenmalige Nederlandse recht in voorzag met artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW. Dexia heeft op basis van dit betoog in hoger beroep een gecorrigeerde eindafrekening opgesteld met het bedrag dat door [geïntimeerde] is te voldoen.
4.15.
[geïntimeerde] stelt zich primair op het standpunt dat aan het beroep van Dexia op de opzegging van [geïntimeerde] voorbij dient te worden gegaan, Volgens [geïntimeerde] kan Dexia in hoger beroep niet opeens het standpunt innemen dat [geïntimeerde] de overeenkomst heeft beëindigd, terwijl zij dat in eerste aanleg bestreed en zich op het standpunt stelde dat zij zelf de overeenkomst heeft opgezegd. Ook is het niet waar dat het Dexia niet eerder is opgevallen dat de opzegging van [geïntimeerde] uit januari 2006 eveneens zag op Overeenkomst II. In de afgelopen vijftien jaar zijn er genoeg momenten geweest waarop Dexia had kunnen inzien dat de brief van [geïntimeerde] een opzegging van de Overeenkomst II van [geïntimeerde] bevatte. Eveneens kan Dexia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet opeens een beroep doen op opzegging door [geïntimeerde] om zo te ontsnappen aan de vaststaande voor haar negatieve gevolgen van de jurisprudentie. Ook heeft Dexia haar rechten daartoe verspeeld, aldus [geïntimeerde] .
4.16.
Het hof overweegt als volgt. De herkansingsfunctie van het hoger beroep brengt mee dat een partij in hoger beroep voor het eerst een verweer mag voeren of een bepaalde stelling mag innemen, ook als zij in eerste aanleg daarmee strijdige verweren of stellingen heeft aangevoerd. Hoewel het onder omstandigheden zo kan zijn dat een partij het recht daartoe heeft verwerkt, zodat het inroepen van de nieuwe stelling of het nieuwe verweer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, doet die situatie zich hier niet voor. Dexia wist dat [geïntimeerde] zich in eerste aanleg op het standpunt stelde dat zij (en niet Dexia) de overeenkomst als eerste had opgezegd (vgl. nr. 59 conclusie van antwoord). Het stond Dexia vrij om in hoger beroep om haar moverende redenen het standpunt van [geïntimeerde] over te nemen en daaraan (juridische) consequenties te verbinden.
4.17.
Voor zover [geïntimeerde] stelt dat haar opzeggingsbrief niet volstaat als opzegging van de overeenkomst, passeert het hof dit betoog. De brief van [geïntimeerde] ziet uitdrukkelijk op Overeenkomst II en vermeldt duidelijk dat er een beroep wordt gedaan op opzegging van deze overeenkomst. Het hof houdt het er dus voor dat [geïntimeerde] Overeenkomst II in januari 2006 zelf al heeft opgezegd.
Resterende termijnen – is er sprake van een oneerlijk beding?
4.18.
Subsidiair voert [geïntimeerde] aan dat ook als [geïntimeerde] heeft opgezegd, het in artikel 2 van Pro Overeenkomst II opgenomen beding een oneerlijk beding is dat dient te worden vernietigd, waardoor Dexia ook niet de 50% van de resterende termijnen op grond van artikel 2 in Pro rekening had mogen brengen. [geïntimeerde] wijst ter onderbouwing onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68). Artikel 2 van Pro overeenkomst II luidt als volgt:
“Deze lease-overeenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van 120 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdag van de waarden (de aankoopdatum), behoudens vervroegde beëindiging. Lessee heeft het recht deze lease-overeenkomst na verloop van drie jaar na de aankoopdatum van de waarden dagelijks middels een schriftelijke mededeling aan [Dexia] te beëindigen. In geval van vervroegde beëindiging na drie jaar wordt een korting van 50% verleend op de resterende maandbedragen (punt 3b); artikel 11 van Pro de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease zal in dat geval niet van toepassing zijn.”
4.19.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro 93/13 een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op grond van art. 4 lid 1 Richtlijn Pro 93/13 dienen voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking te worden genomen, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Een belangrijke indicator voor de vraag of sprake is van een aanzienlijk verstoord evenwicht is wanneer het beding ongunstiger is dan de toenmalig geldende wettelijke regeling, indien geen aparte regeling zou zijn overeengekomen. Niet in geschil is dat de bepaling van huurkoop in artikel 7A:1576e BW (oud) voorzag in een wettelijke regeling die zou gelden als partijen hierover niets waren overeengekomen in artikel 2 van Pro de overeenkomst. Artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW bepaalt dat in geval van vervroegde betaling ineens van het gehele nog verschuldigde bedrag de huurkoper recht heeft op een aftrek (“contant maken”), berekend naar 5% per jaar van elke daarbij vervroegd betaalde termijn. In artikel 2 van Pro de overeenkomst is bepaald dat als [geïntimeerde] de overeenkomst tussentijds beëindigt, een korting van 50% wordt verleend op de resterende maandbedragen.
4.20.
Dexia heeft in haar vernieuwde eindafrekening 50% van de resterende termijnen in rekening gebracht conform deze contractuele regeling. Indien de wettelijke regeling van artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW zou zijn toegepast, zou [geïntimeerde] de resterende leasesom (het totaal van de resterende aankoopsom en de resterende rente) verschuldigd zijn, contant gemaakt tegen 5% per jaar. [geïntimeerde] heeft niet toegelicht waarom de door Dexia in de eindafrekening op basis van artikel 2 toegepaste Pro berekeningswijze ten opzichte van deze (destijds geldende) wettelijke regeling een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen veroorzaakt ten nadele van afnemer. Het contractuele beding is immers, voor zover op basis van de voorhanden gegevens is na te gaan, gunstiger dan de wettelijke regeling. [geïntimeerde] stelt verder dat artikel 7A:1576e BW een gedateerde bepaling is die niet is geschreven voor de onderhavige situatie, waardoor de bepaling op grond van de redelijkheid en billijkheid door het hof anders moet worden uitgelegd. Het hof passeert dit verweer. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat deze bepaling in dit geval in principe van toepassing zou zijn als artikel 2 van Pro de overeenkomst niet zou gelden. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat de toepassing van die wetsbepaling in dat geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en dat een afnemer in plaats daarvan geen toekomstige termijnen meer verschuldigd zou zijn.
4.21.
[geïntimeerde] voert aan dat de vergelijking met de wettelijk geldende regel, weliswaar een belangrijke toets kan zijn, maar er ook rekening dient te worden gehouden met alle overige omstandigheden rond het sluiten van de overeenkomsten. Ook als de contractueel overeengekomen bepaling gunstiger is, kan er op basis van de overige omstandigheden sprake zijn van een oneerlijk beding. In dat kader wijst [geïntimeerde] op de door Dexia bij het sluiten van de overeenkomst geschonden zorgplichten, dat het beding niet duidelijk en begrijpelijk was geformuleerd en dat het product specifieke beleggingstechnische gebreken had. Het hof overweegt dat deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn om de conclusie te kunnen trekken dat de bepaling of het beding oneerlijk is. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat er onder de Wet op het consumentenkrediet voor een vergelijkbare situatie gunstigere bepalingen gelden dan onder artikel 7A:1576e BW, omdat deze wet niet van toepassing is op de onderhavige effectenleaseovereenkomst.
4.22.
Voor zover [geïntimeerde] daarnaast aanvoert dat artikel 11 van Pro de bijzondere voorwaarden naast artikel 2 van Pro de overeenkomst heeft te gelden, verwerpt het hof dit betoog. De regeling van artikel 11 van Pro de bijzondere voorwaarden geldt volgens de tekst “tenzij anders is overeengekomen”. In artikel 2 van Pro de overeenkomst is een alternatieve regeling overeengekomen, waarin het artikel vermeldt dat artikel 11 van Pro de bijzondere voorwaarden niet van toepassing zal zijn in het onderhavige geval van vroegtijdige beëindiging na drie jaar.
4.23.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat [geïntimeerde] het beding bij een open en eerlijke onderhandeling aanvaard zou hebben. Het beding in de overeenkomst is naar oordeel van het hof dus niet oneerlijk. Dit betekent dat grief II in principaal appel slaagt. Dexia’s gecorrigeerde eindafrekening voor overeenkomst II is op dit punt correct.
Conclusie
4.24.
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat niet ten volle kan worden vastgesteld dat Dexia niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is en dat partijen zelf kunnen berekenen welk bedrag Dexia nog aan [geïntimeerde] moet betalen. De schade bestaat uit de door [geïntimeerde] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de te verrekenen voordelen, waaronder fiscale voordelen en de verrekening van het batig saldo uit een eerdere overeenkomst). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag. Daarbij kan worden uitgegaan van het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [geïntimeerde] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2017: 164). Bij dit alles geldt dat uit dit arrest volgt dat bij het bepalen van de omvang van de schade, rekening moet worden gehouden met een fiscaal voordeel van € 4.915,17. Dit volgt uit het slagen van grief 1 in incidenteel appel. Verder geldt dat uit het slagen van grief II in principaal appel volgt dat de eindafrekening van overeenkomst II sluit op € 9.701,92-.
4.25.
Omwille van de leesbaarheid zal het hof het dictum van het bestreden vonnis volledig vernietigen en in plaats daarvan voor recht verklaren dat Dexia met betrekking tot de vier overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als onder rov. 4.24 weergegeven. Gelet op deze uitkomst is het hof van oordeel dat de kantonrechter de proceskosten in eerste aanleg terecht heeft gecompenseerd. Grief III faalt.
4.26.
Omdat partijen in het principaal appel over en weer in ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in het principale appel compenseren. In incidenteel appel heeft Dexia als de in het ongelijk gestelde partij te gelden. Zij zal daarom in die kosten worden veroordeeld.

5.De uitspraak

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 16 september 2021 en
opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] is verschuldigd, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als onder rov. 4.24 weergegeven;
- compenseert de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter, zodanig dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;
  • compenseert de proceskosten in het principaal appel, zodanig dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;
  • veroordeelt Dexia in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 645,- aan salaris advocaat (½ punt, tarief II) en € 189,- aan nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als Dexia deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Dexia de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als Dexia deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, I. Brand en R.F. Groos, en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In de titel van het processtuk staat abusievelijk ‘memorie van grieven in het incident’ vermeld.
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, r.o. 2.7.3.