Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:492

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
200.349.779/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over onrechtmatige advisering effectenlease door niet-vergunde tussenpersoon

Deze civiele procedure betreft zes effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia Nederland B.V. en geïntimeerde, waarbij in hoger beroep alleen de overeenkomsten III en IV centraal staan. De kern van het geschil is of Dexia wist of behoorde te weten dat een tussenpersoon zonder vereiste vergunning beleggingsadvies gaf aan geïntimeerde, waardoor Dexia onrechtmatig zou hebben gehandeld.

De feiten, onbestreden in hoger beroep, tonen aan dat de tussenpersoon gepersonaliseerd advies gaf over het Triple Effect-product, toegespitst op de financiële situatie en wensen van geïntimeerde. Dexia betwistte haar wetenschap hierover, maar het hof oordeelde dat Dexia door haar bedrijfsmatige opzet en de aard van de tussenpersoon had moeten weten dat vergunningplichtig advies werd gegeven.

Het hof verwierp het bewijsaanbod van Dexia wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting en concludeerde dat Dexia onrechtmatig handelde door effectenleaseovereenkomsten te sluiten via een niet-vergunde adviseur. Dexia werd veroordeeld in de proceskosten en het bestreden vonnis werd bekrachtigd. De schadevergoeding kan door partijen zelf worden berekend.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Dexia onrechtmatig handelde door effectenleaseovereenkomsten te sluiten via een niet-vergunde tussenpersoon en veroordeelt Dexia tot vergoeding van de schade en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.349.779/01
Zaaknummer rechtbank: : 10184644 EL 22-130
Arrest van 7 april 2026
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 10 oktober 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten producties van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over zes effectenleaseovereenkomsten. Deze overeenkomsten zijn tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] . In eerste aanleg zijn deze overeenkomsten met Romeinse cijfers I tot en met VI genummerd. Van deze zes overeenkomsten was de tussenpersoon [tussenpersoon] (hierna: [tussenpersoon] ) betrokken bij de totstandkoming van overeenkomst [contractnummer 1] (hierna ook wel: effectenleaseovereenkomst III) en overeenkomst [contractnummer 2] (hierna ook wel: effectenleaseovereenkomst IV). In dit hoger beroep is alleen nog de vraag aan de orde of [geïntimeerde] in relatie tot de overeenkomsten III en IV is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als [tussenpersoon] beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden. Het hof zal de overeenkomsten III en IV in het vervolg gezamenlijk aanduiden als ‘de Effectenleaseovereenkomsten’.
3.2.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [geïntimeerde] niets meer van Dexia te vorderen heeft onder de zes effectenleaseovereenkomsten en dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Dexia heeft daarnaast gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt (i) tot betaling aan Dexia van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag en (ii) in de proceskosten.
3.3.
[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.4.
De kantonrechter heeft de door Dexia gevorderde verklaring voor recht onvoorwaardelijk toegewezen voor alle overeenkomsten, behalve ten aanzien van effectenleaseovereenkomst III en effectenleaseovereenkomst IV. De kantonrechter heeft de vordering van Dexia ten aanzien van effectenleaseovereenkomst III en effectenleaseovereenkomst IV voorwaardelijk toegewezen, namelijk onder de voorwaarde dat Dexia de schade van [geïntimeerde] vergoedt op de wijze als in rov. 4.15 van het bestreden vonnis weergegeven. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en Dexia veroordeeld in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog onvoorwaardelijk toewijzen van haar vorderingen voor zover het effectenleaseovereenkomst III en effectenleaseovereenkomst IV betreft, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Dexia in de proceskosten van het hoger beroep.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten met [geïntimeerde] [tussenpersoon] als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [2]
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [tussenpersoon] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, onder “III.4 Advisering door de tussenpersoon” in zijn conclusie van antwoord. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer.
Effectenleaseovereenkomst III
4.7.
[geïntimeerde] is in juli 1999 telefonisch benaderd door een medewerker van [tussenpersoon] . De medewerker heeft [geïntimeerde] voorgesteld om met een financieel adviseur van [tussenpersoon] naar zijn financiële situatie te kijken door middel van een telefonisch adviesgesprek. [geïntimeerde] heeft hiermee ingestemd. Tijdens dit gesprek is besproken dat [geïntimeerde] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen [geïntimeerde] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerde] door de adviseur van [tussenpersoon] geadviseerd om het specifieke effectenleaseproduct (te weten: Triple Effect-product) van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de adviseur van [tussenpersoon] geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . De adviseur heeft zijn verhaal kracht bijgezet door middel van vooraf toegezonden rekenvoorbeelden en deze adviseur heeft [geïntimeerde] positieve koersstijgingen voorgehouden. [geïntimeerde] heeft het advies van de adviseur opgevolgd. Op deze wijze is overeenkomst III tot stand gekomen, aldus [geïntimeerde] .
Effectenleaseovereenkomst IV
4.8.
Ruim een maand later is [geïntimeerde] wederom in contact gekomen met [tussenpersoon] . Er heeft een nieuw telefonisch adviesgesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek zijn de financiële middelen en wensen van [geïntimeerde] ter sprake gekomen. [geïntimeerde] maakte kenbaar dat hij zo veel mogelijk vermogen wilde opbouwen als financiële reserve voor de toekomst. De adviseur van [tussenpersoon] heeft [geïntimeerde] hierop geadviseerd een specifiek effectenleaseproduct (te weten: het Triple Effect) van een specifieke aanbieder af te nemen. Dit product was volgens de adviseur geschikt voor de situatie van [geïntimeerde] . De adviseur heeft zijn verhaal onderbouwd door aan te haken bij de eerdere rekenvoorbeelden die hij aan [geïntimeerde] had voorgehouden. [geïntimeerde] heeft het advies van de adviseur opgevolgd. Onder deze feiten en omstandigheden is overeenkomst IV tot stand gekomen, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
4.9.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Dexia betoogt dat uit de algemene – en overigens ook onjuiste – stellingen van [geïntimeerde] en de overgelegde producties niet volgt dat [tussenpersoon] vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [geïntimeerde] . Dexia wijst op de verlopen tijdsduur en op het feit dat afnemer al geruime tijd juridische bijstand genoot, voordat hij voor het eerst de stelling heeft ingenomen dat er geadviseerd is. Dexia meent dat deze omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing vormen voor de onjuistheid van de stellingen van [geïntimeerde] . Dexia stelt dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat er inmiddels overvloedig bewijs is dat zij veelvuldig een geheel andere werkwijze hanteerden die niet is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.10.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia in 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.11.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen slechts zelden afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten in algemene zin. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE, thans AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen - pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
4.12.
Meer concreet heeft Dexia in dit geval nog aangevoerd dat het verhaal van [geïntimeerde] lacunes vertoont. Zo kan [geïntimeerde] zich de naam van de betrokken medewerker van [tussenpersoon] niet meer herinneren. Daarnaast is het ongeloofwaardig dat [geïntimeerde] maandelijkse aflossingen voor de effectenleaseproducten kon verrichten, terwijl hij (slechts) een bijstandsuitkering genoot. Een medewerker van [tussenpersoon] kan hem in dit kader een dergelijke constructie niet hebben geadviseerd. Tenslotte zijn de stellingen van [geïntimeerde] ongeloofwaardig, omdat de rekenvoorbeelden, die [geïntimeerde] aanhaalt, niet zijn overgelegd.
4.13.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van [tussenpersoon] bij de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] , althans dat deze ter sprake zijn gekomen, (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt en (iii) de tussenpersoon vervolgens tweemaal het specifieke effectenleaseproduct (het Triple Effect) van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon dit effectenleaseproduct aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde] , en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat [tussenpersoon] met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.14.
Omdat Dexia de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, zal het hof haar niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Zij heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), snijdt geen hout. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde] zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.
4.15.
De door Dexia gestelde discrepanties, zoals weergegeven in rov. 4.11 van dit arrest, doen evenmin af aan de conclusie dat [geïntimeerde] vergunningplichtig is geadviseerd. Zo maakt het voor de vraag of sprake is geweest van vergunningplichtige advisering niet uit of [geïntimeerde] zich kan herinneren wat de identiteit van de betrokken adviseur van [tussenpersoon] was; enkel de inhoud van het afgegeven advies is daarvoor van belang. Daarnaast maakt het enkele feit dat [geïntimeerde] een bijstandsuitkering genoot niet dat (daarom) geen sprake kan zijn geweest van vergunningplichtige advisering. [geïntimeerde] heeft in dit verband aangevoerd dat het voor hem niet mogelijk was om spaarvermogen op te bouwen en dat hij juist daarom effectenleaseproducten wilde aanschaffen. De omstandigheid dat [geïntimeerde] een bijstandsuitkering genoot brengt wel mee dat ervan mag worden uitgegaan dat zijn financiële draagkracht enigszins beperkt was, maar dat maakt wat hij naar voren heeft gebracht over de gang van zaken nog niet ongeloofwaardig, omdat de maandelijkse bedragen die [geïntimeerde] diende te voldoen onder de door hem afgesloten overeenkomsten relatief beperkt in omvang waren en kennelijk door [geïntimeerde] opgebracht konden worden en effectenleaseovereenkomsten in het algemeen juist ook waren bedoeld om met een beperkte maandelijkse inzet (de kans op) een hoog rendement te realiseren. Of de aanschaf van een effectenleaseproduct verstandig is in het geval van een afnemer die een bijstandsuitkering geniet, is in dit geval niet van belang bij de beoordeling van de vraag of een afnemer vergunningplichtig is geadviseerd. Tenslotte ontbreken de rekenvoorbeelden die [geïntimeerde] heeft aangehaald in zijn processtukken weliswaar, maar die omissie kan niet leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde] niet vergunningplichtig zou zijn geadviseerd, onder verwijzing naar wat het hof hiervoor daartoe heeft overwogen.
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat [tussenpersoon] vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.17.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde] .
4.18.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde productie blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de Effectenleaseovereenkomsten tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat [tussenpersoon] aan de eisen van artikel 41 NR Pro 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door [tussenpersoon] werd geadviseerd. Daar komt in dit geval bij dat in de volledige naam van [tussenpersoon] – [tussenpersoon] – tot uitdrukking komt dat [tussenpersoon] (financieel) advies gaf. Dit impliceert dat [tussenpersoon] ook advies uitbracht over effectenleaseproducten. Dit had Dexia ertoe had moeten bewegen na te gaan of [tussenpersoon] bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomsten, in ieder geval voor wat betreft de situatie van [geïntimeerde] , binnen de haar toegestane kaders als cliëntenremisier was gebleven. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat [tussenpersoon] [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.19.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
4.20.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht voorwaardelijk wordt toegewezen ten aanzien van effectenleaseovereenkomst III en IV. Omdat de grieven I tot en met III (zie voor laatstgenoemde grief rov. 4.20) niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Conclusie
4.21.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet onvoorwaardelijk kan worden geoordeeld dat Dexia niet meer verschuldigd is aan [geïntimeerde] , omdat Dexia in strijd met artikel 41 NR Pro 1999 heeft gehandeld en daarom de volledige schade van [geïntimeerde] dient te vergoeden.
4.22.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.15 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen. Anders dan Dexia met grief III aanvoert, behoeft [geïntimeerde] dus niet de openstaande restschuld aan Dexia te voldoen.
Slotsom en proceskosten
4.23.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.24.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 362,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, R.F. Groos en H.F.P. van Gastel en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).