Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:494

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.346.177/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000Art. 4 Wet Bpf 2000Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling werkingssfeerbepaling cao Bouw & Infra en Verplichtstellingsbesluit voor projectontwikkelaar

Deze zaak betreft de vraag of [appellante], een projectontwikkelaar, valt onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao Bouw & Infra, de cao Bedrijfstakeigen Regeling Bouw en Infra, en het Verplichtstellingsbesluit van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid. De kantonrechter oordeelde dat dit het geval is, het hof Amsterdam kwam tot het tegendeel, waarna de Hoge Raad de zaak terug verwees met nadere uitleg over de objectieve uitleg van de werkingssfeerbepalingen.

Het hof Den Haag stelt vast dat de werkingssfeerbepalingen moeten worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm, waarbij beslissend is of de onderneming werkzaamheden verricht ten behoeve van derden op het gebied van het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken of bouwactiviteiten. Hoewel [appellante] zelf geen fysieke bouwactiviteiten verricht, verleent zij wel diensten als regisseur en toezichthouder op het bouwproces, wat onder de werkingssfeer valt.

De grieven van [appellante] dat zij niet onder de werkingssfeer valt, falen. Ook haar betoog dat zij niet premieplichtig is voor de periode vóór 1 januari 2020 wordt verworpen. Het hof veroordeelt [appellante] tot betaling van achterstallige premies aan de bouwfondsen, vermeerderd met wettelijke rente, en wijst de vordering tot incassokosten van het Opleidingsfonds en Aanvullingsfonds af. De proceskosten worden aan [appellante] opgelegd.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat [appellante] onder de werkingssfeer valt en veroordeelt haar tot betaling van achterstallige premies met rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.177/01
Zaaknummer Hoge Raad : 23/03079
Zaaknummer hof Amsterdam : 200.296.432/01
Zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 8686499 CV EXPL 20-14134
Arrest van 31 maart 2026
in de zaak van
[appellante] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M. Heemskerk, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen

1.Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid,

gevestigd in Amsterdam,
2.
Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw &Infra,
gevestigd te Harderwijk,
3.
Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra,
gevestigd te Harderwijk,
geïntimeerden,
advocaat: mr. E. Lutjens, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellante] respectievelijk de bouwfondsen (geïntimeerden gezamenlijk) en Bpf Bouw, Opleidingsfonds en Aanvullingsfonds (iedere geïntimeerde afzonderlijk).

1.De zaak in het kort

1.1
Valt [appellante] onder de werkingssfeer van de (algemeen verbindend verklaarde) cao Bouw & Infra, de (algemeen verbindend verklaarde) cao Bedrijfstakeigen Regeling Bouw en Infra en het Verplichtstellingsbesluit van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid?
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft geoordeeld dat dit het geval is. Het gerechtshof Amsterdam (hierna: hof Amsterdam) is tot een tegengestelde uitkomst gekomen.
De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar dit hof na te hebben overwogen dat de rechter, ook als de bewoordingen van de werkingssfeerbepalingen onduidelijk zijn, de betekenis van de gebruikte bewoordingen aan de hand van objectieve maatstaven moet vaststellen. De Hoge Raad heeft de in de conclusie van de Advocaat-Generaal (AG) gegeven uitleg onderschreven dat ‘voor het antwoord op de vraag of een onderneming kwalificeert als een onderneming op het gebied van het bouw & infrabedrijf in de zin van het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 beslissend [is] welke werkzaamheden worden verricht door deze onderneming ten behoeve van derden.’
1.3
Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter.

2.Procesverloop na verwijzing door de Hoge Raad

2.1
Het verloop van de procedure na verwijzing door de Hoge Raad blijkt uit de volgende stukken:
  • het exploot van 12 september 2024, waarmee de bouwfondsen [appellante] hebben opgeroepen om voort te procederen voor dit hof;
  • de memorie na verwijzing van de bouwfondsen;
  • de memorie na verwijzing van [appellante] .
2.2
Op 20 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar beide advocaten de zaak hebben toegelicht aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen.
Ter zitting heeft [appellante] haar vordering die ziet op het al dan niet verbeurd zijn van dwangsommen ingeval [appellante] onder de werkingssfeer van de onder 1.1. genoemde regelingen valt ingetrokken.

3.Feitelijke achtergrond

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1
Bpf Bouw is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet (Pw). Zij voert de pensioenregeling uit voor onder meer de bedrijfstak Bouw & Infra.
3.2
De deelneming in Bpf Bouw is voor werknemers die in dienst zijn van werkgevers in de Bouw & Infra verplicht gesteld bij het Verplichtstellingsbesluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit op art. 2 van Pro de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 gebaseerde besluit was ten tijde van het onder 1.2 genoemde vonnis van de kantonrechter (hierna: het vonnis) laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 april 2020 (Staatscourant 2020/11708, hierna: het Verplichtstellingsbesluit). Het meest recente Verplichtstellingsbesluit is gepubliceerd in de Staatscourant 2022/31036. De relevante tekst van de Verplichtstellingsbesluiten is in de aan de orde zijnde jaargangen op het punt van de werkingssfeer identiek. Hierna wordt daarom in de context van de werkingssfeerbepaling enkelvoudig over het Verplichtstellingsbesluit gesproken.
3.3
In het Verplichtstellingsbesluit luidt de tekst van de werkingssfeerbepaling als volgt:

de deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid is verplicht gesteld voor:A1. werknemers die werkzaam zijn in ondernemingen (…) als hierna omschreven (…).2. De onder 1 bedoelde ondernemingen zijn:a. de ondernemingen op het gebied van het bouw- en infrabedrijf.Hieronder worden verstaan de ondernemingen, waarvan het bedrijf is gericht op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op het gebied van:1. Het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken cq. bouwactiviteiten; waarbij onder bouwwerken cq. bouwactiviteiten wordt verstaan respectievelijk daarmee wordt gelijk gesteld;a. woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard;(….)2. het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan (onderdelen van) bouwwerken;3. het op de bouwplaats uitvoeren van onderdelen van bouwwerken (…)4. het verlenen van diensten op bouwplaatsen;5. elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw indien zij worden verricht door de onderneming die het bouwwerk op de bouwplaats tot stand brengt;6. het verhuren van machines met bedienend personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van werken als onder 1 tot en met 5. genoemd (…)8. a. onder ondernemingen op het gebied van het bouw- en infrabedrijf worden niet verstaan ondernemingen waarvan het bedrijf in overwegende mate gericht is op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op de hiernavolgende gebieden.De overwegende productie wordt bepaald door een vergelijking van de in elke productie verloonde bedragen.1. Baggerwerken.2. Betonmortel en betonmorteltransport3. (…)4.(…)
3.4
Het Opleidingsfonds en het Aanvullingsfonds zijn sociale fondsen in de bedrijfstak Bouw & Infra. De verplichtingen jegens deze fondsen strekken tot betaling van premie en zijn gebaseerd op respectievelijk de (steeds van toepassing zijnde) cao Bouw & Infra en de cao Bedrijfseigen Regelingen Bouw & Infra (hierna: de Bouwcao’s). Ook hier geldt dat de relevante tekst in de aan de orde zijnde jaargangen van de cao’s gelijk is.
3.5
De Bouwcao’s bevatten respectievelijk in de artikelen 10 en 2 gelijkluidende werkingssfeerbepalingen die grote gelijkenis vertonen met de bepaling in het Verplichtstellingsbesluit. De bepalingen luiden, voor zover relevant, als volgt:

Voor wie geldt de cao?Werkingssfeer-Deze cao is van toepassing op ondernemingen, op werkgevers en werknemers, in de bouw & infra.(…)-Ondernemingen in de bouw & infra zijn:+Bouw en infraondernemingen (…)+Bouw en infraondernemingen zijn ondernemingen waarvan het bedrijf gericht is op productie voor en/of dienstverlening aan derden op het gebied van:+ het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouw- en infrawerken/-activiteiten;
3.6
[appellante] is onderdeel van de [groep] . In een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 10 februari 2020 zijn haar activiteiten omschreven als “Projectontwikkeling”. [appellante] heeft een eigen verzekerde pensioenregeling die is ondergebracht bij Nationale Nederlanden.
3.7
Bij brief van 23 mei 2019 heeft het Technisch Bureau Bouwnijverheid in een brief aangaande ‘werkingssfeeronderzoek’ aan [appellante] onder meer geschreven: “
Bijgaand ontvangt u de uitspraak van het werkingssfeeronderzoek bij de onderneming [appellante] B.V. in [vestigingsplaats] . (…) Wij zullen de onderneming per 1 januari 2020 bij APG laten inschrijven en hen verzoeken tot premie-inning over te gaan.
APG is de administrateur van de bouwfondsen.
3.8
Bij brief van 12 september 2019 heeft het Technisch Bureau Bouwnijverheid [appellante] geïnformeerd over de beslissing op het door [appellante] ingediende bezwaarschrift. De Commissie Werkingssfeer heeft geoordeeld dat de onderneming valt onder de werkingssfeerbepalingen van het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s. Daaraan is toegevoegd: “
Ik zal het APG verzoeken de inschrijving van uw onderneming per 1 januari 2020 te handhaven en tot premie-inning over te gaan.
3.9
Op 4 december 2019 heeft de raadsman van [appellante] aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid onder meer geschreven:

Van [appellante] ontving ik een dossier over de vermeende aansluitplicht van [appellante] bij de stichtingen in de cao bouw en het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 1 januari 2020. (…) Bij brief van 20 november 2019 ontving [appellante] een brief van het bedrijfstakpensioenfonds met het verzoek om gegevens aan te leveren in verband met de aansluiting per 1 januari 2020. Zonder tegenbericht gaat [appellante] er van uit dat zij niet premieplichtig is en geen gegevens hoeft aan te leveren zolang niet vaststaat in rechte of is afgesproken dat [appellante] onder de werkingssfeer valt.
4.
Verloop van de procedure bij de kantonrechter, het hof Amsterdam en de Hoge Raad
4.1
[appellante] heeft de bouwfondsen gedagvaard en een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s valt. De bouwfondsen hebben in reconventie het tegenovergestelde gevorderd en daarnaast: om (i) [appellante] te veroordelen om binnen twee maanden elektronisch aan APG de loon- en premiegegevens aan te leveren; (ii) [appellante] te veroordelen tot betaling van € 138.306,99 aan de bouwfondsen ter zake van verschuldigde premies vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 11 juni 2020 en buitengerechtelijke kosten; en (iii) voor recht te verklaren dat [appellante] verplicht is hogere premies te betalen als uit de gegevens blijkt dat zij een hoger bedrag is verschuldigd.
4.2
De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 maart 2021 (hierna het vonnis) geoordeeld dat [appellante] met haar bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s valt. Zij heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en voor wat betreft de vorderingen van de bouwfondsen: (i) voor recht verklaard dat het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s op [appellante] van toepassing zijn en dat [appellante] gebonden is aan de statuten en regelementen van Bpf Bouw en de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de Bouwcao’s; (ii) [appellante] veroordeeld om binnen twee maanden na betekening van het vonnis elektronisch de loon- en premiegegevens te verstrekken aan de bouwfondsen op de wijze als omschreven op https://www.bpfbouw.nl/ omtrent de gewezen werknemers op straffe van een dwangsom.
4.3
[appellante] is, onder aanvoering van grieven, van het vonnis in (principaal) beroep gekomen bij het hof Amsterdam. Daarbij heeft zij haar eis gewijzigd. Zij vordert in hoger beroep:
primair: voor recht te verklaren dat [appellante] niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s valt;
subsidiair: (als het hof meent dat [appellante] wel onder die werkingssfeer valt): voor recht te verklaren dat [appellante] niet premieplichtig is vóór 1 januari 2020;
meer subsidiair: voor recht te verklaren dat [appellante] niet onder de werkingssfeer van de bouwfondsen valt vóór 1 januari 2018;
Nog meer subsidiair: voor recht te verklaren dat [appellante] niet onder de werkingssfeer van de bouwfondsen, althans Bpf Bouw, valt vóór 15 juli 2016;
met de hoofdelijke veroordeling van de bouwfondsen in de kosten van dit geding in twee instanties.
De bouwfondsen hebben de grieven bestreden en hebben op hun beurt (incidenteel) hoger beroep ingesteld, onder meer tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van de gestelde premieachterstand van € 138.306,99. [appellante] heeft de incidentele grieven bestreden.
4.4
Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 9 mei 2023 het vonnis vernietigd en voor recht verklaard dat [appellante] niet onder de werkingssfeerbepalingen van het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s valt met de veroordeling van de bouwfondsen in de kosten van beide instanties.
4.5
De bouwfondsen hebben tegen dit arrest cassatie ingesteld. Bij arrest van 30 augustus 2024 heeft de Hoge Raad het arrest vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.
4.6
De Hoge Raad heeft daarbij onder meer het volgende overwogen.
“(…)
3.2.2(…)
Het hof heeft terecht vooropgesteld dat de werkingssfeerbepaling in de bouwregelingen moeten worden uitgelegd naar objectieve maatstaven aan de hand van de zogenaamde cao-norm. Het heeft evenwel miskend dat deze uitleg ook moet plaatsvinden als de bewoordingen waarmee de werkingssfeer is omschreven onduidelijk zijn. De rechter kan niet volstaan met de constatering dat de tekst onvoldoende duidelijk is, en op alleen die grond oordelen dat bepaalde bedrijfsactiviteiten niet onder de werkingssfeerbepalingen vallen. Ook in zo’n geval moet de betekenis van de gebruikte bewoordingen aan de hand van objectieve maatstaven worden vastgesteld, waarbij onder meer acht geslagen moet worden op de elders in de desbetreffende regeling gebruikte bewoordingen, op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden, op eventuele eerdere of latere versies van de regeling en op de eventuele schriftelijke toelichting bij de regeling. Dat heeft het hof ten onrechte nagelaten.
3.3.1
Volgens de onderdelen 1.3-1.5 en 1.7 is onjuist het oordeel van het hof dat in de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit de woorden “op het gebied van” kunnen slaan op het woord “derden”. De onderdelen klagen onder meer dat die uitleg indruist tegen de grammaticale uitleg van de gebruikte bewoordingen en tegen de structuur van de bepaling, en bovendien tot volstrekt onaannemelijke rechtsgevolgen leidt.Deze klachten slagen op de gronden zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.26-3.38. (…)”
4.7
De AG heeft in de door de Hoge Raad genoemde punten van zijn conclusie het volgende naar voren gebracht.

3.26 Ik heb evenwel geen aarzeling dat de cao-norm zich hier gewoon laat toepassen, met als uitkomst dat de juiste uitleg (ii) is en niet (i). Ik zou welhaast zeggen, met de cao-norm in de hand: vanzelfsprekend is het antwoord op de vraag of een onderneming kwalificeert als onderneming op het gebied van bouw- en infrabedrijf in de zin van het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a beslissend welke werkzaamheden worden verricht door deze onderneming ten behoeve van derden (= uitleg (ii)), niet welke werkzaamheden worden verricht binnen haar klantenkring (= uitleg (i)).3.27 Overigens ligt het in de rede dat het in uitleg (ii) bij “dienstverlening” aan derden in het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a gaat om door die onderneming ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden op het vlak van het “uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten” en wel voor zover deze werkzaamheden niet draaien om het vervaardigen van goederen. Want dit laatste, dus dat vervaardigen van goederen ter zake, betreft naar haar aard “productie” (voor derden) in het Verplichtstellingsbesluit onder A, lid 2 sub a onder 1 onder a.3.28 Aldus bezien ontbreekt het niet aan een nadere invulling van dit begrip “dienstverlening”, anders dan het hof kennelijk meent in rov. 3.8 tiende zin. Evenmin is onduidelijk – wederom gezien 3.26-3.27 hiervoor – dat deze werkingssfeerbepaling ook ziet op “dienstverlening” aan derden die zelf geen bouwbedrijf zijn, anders dan het hof kennelijk meent in rov. 3.8, achtste zin.3.29 Of in een concreet geval een onderneming dergelijke werkzaamheden (in de vorm van zulke productie of dienstverlening) ten behoeve van derden verricht als bedoeld in uitleg (ii) en onder 3.26-3.28 hiervoor, is dan een feitelijke vraag waarbij het antwoord afhangt van de gegeven omstandigheden. (…)

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
Het hof zal het hoger beroep tegen het vonnis opnieuw beoordelen met inachtneming van het arrest van de HR. Daarbij is het hof gebonden aan de in het vernietigde arrest van het hof Amsterdam gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden.
Inleiding
5.2
De werkingssfeerbepalingen van de Bouwcao’s zijn vrijwel gelijkluidend - maar niet volledig identiek – aan die van het Verplichtstellingsbesluit. De verschillen zijn voor de uitleg van de werkingssfeerbepalingen echter zo klein, dat ze niet relevant zijn. Geen van de partijen heeft ook betoogd dat bij de uitleg een verschil moet worden gemaakt. In cassatie is dat onderscheid ook niet gemaakt. Het hof zal daarom volstaan met de uitleg (en beoordeling) van de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit. De oordelen daarover gelden dan ook in gelijke mate voor de werkingssfeerbepalingen van de Bouwcao’s.
5.3
Het hof stelt voorop dat op de bouwfondsen de stelplicht en de bewijslast rusten van de feiten waaruit volgt dat de activiteiten van [appellante] onder de werkingssfeerbepalingen van het Verplichtstellingsbesluit vallen. De omstandigheid dat [appellante] een verklaring voor recht vordert dat dit niet het geval is – een zogenaamde negatieve verklaring voor recht – maakt dit niet anders. Voor het vaststellen van de stelplicht en bewijslast op dit geschilpunt is de materiële rechtsverhouding tussen partijen bepalend. Deze houdt in dat [appellante] niet gebonden is aan de pensioenregeling in de bouw, tenzij haar activiteiten onder de werkingssfeerbepalingen van het Verplichtstellingsbesluit vallen. Pas in dat ‘tenzij-geval’ dient [appellante] de verbintenissen uit de pensioenregeling na te komen. Met de gevorderde negatieve verklaring voor recht anticipeert [appellante] op een mogelijke nakomingsvordering van de bouwfondsen.
verdere uitleg werkingssfeerbepaling
5.4
Bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling conform de cao-norm door dit hof is doorslaggevend of het bedrijf van [appellante] gericht is op dienstverlening voor of aan derden (ongeacht de eventuele bedrijfsactiviteiten van die derden) op het gebied van het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten. Vast staat dat [appellante] zelf geen fysieke bouwactiviteiten verricht maar dat betekent, anders dan [appellante] lijkt te betogen, niet dat de werkingssfeerbepaling niet op haar van toepassing is. Uit randnummer 3.27 van de conclusie van de AG volgt immers dat [appellante] ook onder de werkingssfeerbepaling in het Verplichtstellingsbesluit valt als zij zelf niet produceert (goederen vervaardigt) maar wél diensten verleent als bedoeld in de eerste volzin.
de bedrijfsactiviteiten van [appellante]
5.5
Geen grief is gericht tegen de rov. 15 tot en met 20 van het vonnis van de kantonrechter. Het hof neemt daarom, net als de kantonrechter, de in deze rechtsoverwegingen omschreven bedrijfsactiviteiten van [appellante] tot uitgangspunt die zich dus laten samenvatten als: ‘het als projectontwikkelaar ontwerpen, verkopen, realiseren en opleveren van bouwwerken’.
5.6
Gelet op de bewoordingen van de werkingssfeerbepaling is niet van doorslaggevend belang dat [appellante] zich projectontwikkelaar noemt en dat zij door de Kamer van Koophandel en de belastingdienst als zodanig wordt aangeduid, dit nog daargelaten dat over de vraag wat tot de activiteiten van een ‘projectontwikkelaar’ behoort ook weer discussie kan (en is) ontstaan. Bezien moet worden welke de daadwerkelijk door [appellante] uitgevoerde bedrijfsactiviteiten zijn. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de activiteiten van [appellante] ten doel hebben, of gericht zijn op, de totstandkoming en oplevering van een bouwwerk aan haar klanten (woningbouwcorporaties, lokale overheden, beleggers en particulieren). [appellante] beperkt zich niet tot de ontwikkeling en verkoop van woonconcepten in die zin dat zij na de ontwikkeling en verkoop de
gehelefeitelijke uitvoering (het doen bouwen, het houden van toezicht op de bouw en het begeleiden van (het uitvoeringsproces van) de bouw) opdraagt aan een ander of anderen. Zij besteedt de feitelijke bouwwerkzaamheden (de productie of: het vervaardigen van goederen) weliswaar uit aan door haar aangezochte ‘bouwers’ maar houdt de daarmee verband houdende dienstverlening aan zich: zij is de regisseur van het bouwproces door deze bouwers en houdt daarop toezicht. Het door [appellante] begeleide bouwproces leidt uiteindelijk tot de oplevering van een bouwwerk door [appellante] aan de klant (sleuteloverdracht): [appellante] draagt er zorg voor dat voor haar klant een bouwwerk wordt gerealiseerd. De dienstverlening bestaande in de realisatie, begeleiding en het regisseren van het gehele proces (het totaalconcept) is naar het oordeel van het hof onmiskenbaar aan te merken als dienstverlening op het gebied van het uitvoeren van bouwwerken c.q. bouwactiviteiten.
5.7
Net als de kantonrechter ziet het hof [appellante] dus niet als een onderneming die verschillende hoofdactiviteiten uitoefent waarvan mogelijk een deel onder de werkingssfeerbepaling valt. De activiteiten van [appellante] zijn niet los van elkaar te zien, juist omdat zij een totaalconcept aanbiedt. Het gaat daarom niet om de vraag welke activiteiten [appellante] ‘in overwegende mate’ verricht. Daarom faalt het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2014 (Adimec, ECLI:NL:HR:2014:215) waarin het ging om de vraag welke bedrijfsactiviteiten ‘in hoofdzaak’ werden uitgevoerd.
In het Verplichtstellingsbesluit is overigens en ten overvloede, anders dan in het hier niet van toepassing zijnde artikel A lid 2 sub a onder 8 onder a van dat besluit, niet opgenomen dat de toerekenbaarheid van loonsommen aan bepaalde binnen een dienstverlenende onderneming verrichte activiteiten moet worden getoetst. [appellante] heeft ook niet toegelicht waarom desondanks deze toets van toerekenbaarheid zou gelden. .
[appellante] heeft zich verder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling na cassatie uitdrukkelijk op het standpunt gesteld op artikel A lid 2 sub a onder 8 onder a geen beroep te doen. Het hof hoeft bij deze stand van zaken niet verder in te gaan op het debat tussen partijen (mede gebaseerd op de door [appellante] overgelegde rapporten) over de loonsommen en de percentages van die loonsommen die al dan niet aan dienstverlening in de zin van artikel A lid 2 sub a onder 1 onder a van het Verplichtstellingsbesluit kunnen worden toegerekend.
5.8
Het beroep van [appellante] op het arrest van het hof Amsterdam 30 mei 2017 ( [naam onderneming] , ECLI:NL:GHAMS:2017:2052) maakt dit niet anders. In die zaak had de onderneming [naam onderneming] niets van doen met het uitvoeren van bouwwerken c.q bouwactiviteiten (op te vatten als woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard). [naam onderneming] leverde de steigers (voor de bouw van voormelde woningen, gebouwen en constructies benodigde hulpmiddelen) en bouwde deze op en af tegen een all-in huurprijs. Daarmee was zij, anders dan [appellante] , ver verwijderd van de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel A lid sub a onder 1 onder a Verplichtstellingsbesluit. De vergelijking gaat dus mank.
5.1
Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof heeft [appellante] zich op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat de artikelen A lid 2 sub a onder 4, 5 en 6 van het Verplichtstellingsbesluit van belang zijn om te bepalen welk type dienstverlening onder de werkingssfeerbepaling valt. Dat type is volgens haar beperkt tot dienstverlening op de bouwplaats, door de bouwer elders verricht voorbereidingswerk voor dienstverlening op de bouwplaats en machineverhuur. Het hof onderschrijft die visie niet. Uit de bewoordingen van de werkingssfeerbepaling volgt niet dat ‘gericht zijn op dienstverlening’ als bedoeld in artikel A lid 2 lid sub a onder 1 moet worden gelezen in samenhang met de artikelen A lid 2 sub a onder 4, 5 en 6, laat staan dat eerstgenoemde bepaling vanwege de vermeende samenhang beperkt zou moeten worden uitgelegd. Dit sluit aan op de conclusie van de AG onder 3.21, waarin deze overweegt dat de bepalingen van artikel A lid 2 sub a onder 1 en A lid 2 sub a onder 4, 5 en 6 zich op hetzelfde (tweede) niveau bevinden. Zij zijn dus nevengeschikt. Ook lijkt de visie van [appellante] niet in overeenstemming te zijn met de verwijzing naar artikel A lid 2 sub a onder 1 onder a Verplichtstellingsbesluit in randnummer 3.27 van de conclusie van de AG.
5.11
[appellante] beroept zich op het door haar overgelegde rapport [partij-deskundige] (prod. 21 [appellante] (hoger beroep)). Aan prof. mr. F. [partij-deskundige] (hierna: [partij-deskundige]), in zijn hoedanigheid van emeritus hoogleraar gebiedsontwikkeling TU Delft en jurist, heeft [appellante] gevraagd, kort gezegd om een ‘onafhankelijk expert-oordeel’ over de vraag of [appellante] onder de werkingssfeerbepaling valt. In dit rapport staat: ‘
Mijn gevolgtrekking is dat de uitspraak van de kantonrechter onnavolgbaar en onjuist is omdat de kantonrechter uitgaat van onjuiste criteria die niet in de werkingssfeerbepaling staan. Ik onderschrijf de conclusie uit het rapport van [naam] en partners. Een juist uitleg is dat TW [ [appellante] – hof] een projectontwikkelaar is die niet, en sowiezo niet in overwegende mate, uitvoerende bouwwerkzaamheden verricht. Daarom is TW mijns inziens geen bouwonderneming maar een projectontwikkelaar die niet onder de werkingssfeerbepaling valt.
Het hof stelt vast dat het rapport [partij-deskundige] zijn visie bevat op de juridische vragen die in deze procedure aan de orde zijn en die het hof dient te beantwoorden. Het hof deelt die visie niet (vgl. hiervoor rov 5.6 en volgende) en ziet geen aanleiding om het standpunt van [partij-deskundige] te volgen dat de door de bouwfondsen gegeven uitleg tot onaannemelijke rechtsgevolgen leidt.
5.12
De slotsom is dus dat de grieven van [appellante] met als strekking dat haar bedrijfsactiviteiten niet onder de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit en de Bouwcao’s vallen, voor zover na verwijzing door de Hoge Raad nog aan de orde, falen. Het vonnis van de kantonrechter zal in zoverre worden bekrachtigd.
overige grieven in principaal beroep
5.13
Ter beoordeling staan in principaal beroep nog de grieven 6 en 7 die voor [appellante] aanleiding zijn geweest om haar eis te wijzigen. Beide grieven stellen, hoewel de bouwfondsen in deze zaak hun vorderingen hebben beperkt tot de pensioenpremie verschuldigd vanaf 1 januari 2020, aan de orde of [appellante] premieplichtig is over de periode vóór 1 januari 2020. Grief 8 is gericht tegen de wijze waarop [appellante] de loon en premiegegevens aan Bpf Bouw dient te verstrekken. De grieven falen op de hierna aangegeven gronden.
grief 6
5.14
Haar betoog dat zij geen premie verschuldigd is over de periode vóór 1 januari 2020, baseert [appellante] in de eerste plaats op de correspondentie weergegeven onder 3.7 tot en met 3.9. Zij doet een beroep op bereikte overeenstemming, althans afstand van recht, althans rechtsverwerking, althans de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
In voormelde correspondentie ligt naar het oordeel van het hof geen (door [appellante] aanvaard) aanbod van de bouwfondsen besloten om af te zien van de inning van over de periode vóór 1 januari 2020 verschuldigde premies. Uit de mededeling dat wordt overgegaan tot inschrijving bij het APG per 1 januari 2020 is, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet meer of anders af te leiden dan dat de administratieve inschrijving van [appellante] per die datum zal plaatsvinden. Dat is niet een mededeling omtrent de rechten en verplichtingen van [appellante] jegens de bouwfondsen. Dit is te meer zo omdat werknemers hun pensioenaanspraken al vanaf een eerdere datum dan 1 januari 2020 ten laste van Bpf Bouwgeldend kunnen maken. Om dezelfde reden is de mededeling evenmin een ondubbelzinnige verklaring waaruit [appellante] mag afleiden dat de bouwfondsen vrijwillig hun eventuele recht om vóór 1 januari 2020 opgekomen pensioenpremies te innen hebben opgegeven.
Ten slotte zijn er, omdat een verdere toelichting ontbreekt, ook geen bijzondere omstandigheden te onderscheiden als gevolg waarvan de bouwfondsen bij [appellante] het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat aanspraken over de periode van vóór 1 januari 2020 niet meer geldend zullen worden gemaakt of waaruit zou kunnen volgen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de bouwfondsen nog aanspraak maken op premie over de periode vóór 1 januari 2020.
grief 7
5.15
[appellante] betoogt dat zij vanaf door haar gespecificeerde data vóór 1 januari 2020 niet onder de werkingssfeerbepaling van het Verplichtstellingsbesluit valt. Het hof stelt vast dat de uitspraken van de kantonrechter en het hof Amsterdam beide uitgaan van het Verplichtstellingsbesluit gewijzigd op 2 april 2020. Over oudere werkingssfeerbepalingen is niet geoordeeld.
5.16
Dienstverlening viel vóór 2016 niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit, aldus [appellante] . De bouwfondsen bestrijden dit: al vóór 2016 was volgens hen in het Verplichtstellingsbesluit opgenomen dat ‘onder productie voor derden mede wordt verstaan dienstverlening aan derden’. In zijn conclusie heeft de AG naar deze zinsnede in de Staatscourant 2015/1456 en naar een vergelijkbare verwijzing in de Staatscouranten 2005/123 en 1995/236 verwezen. [appellante] is hierop niet meer teruggekomen. Haar betoog is hiermee dan ook weerlegd.
5.17
[appellante] heeft verder aangevoerd dat zij vóór 1 januari 2018 geen personeel in dienst had dat bouwactiviteiten verrichtte. Zij onderbouwt dit met een loonstaat met functieomschrijving. De bouwfondsen hebben dit betwist: volgens hen kan dit niet enkel uit functieomschrijvingen blijken en hielden de in de loonstaat genoemde projectleiders zich vermoedelijk bezig met het regisseren van bouwprojecten. [appellante] had volgens hen de feitelijke werkzaamheden inzichtelijk moeten maken. [appellante] heeft dit niet bestreden zodat het hof ook aan dit betoog van [appellante] geen gevolgtrekkingen zal verbinden.
grief 8
5.18
Het hof ziet geen reden om voor wat betreft de aanlevering van gegevens door [appellante] aan de bouwfondsen af te wijken van het vonnis. [appellante] is voor wat betreft de door het bestuur van Bpf Bouw bepaalde wijze van aanleveren gebonden aan de artikelen 4 lid 2 en 14 lid 3 van het Uitvoeringsreglement juncto artikel 4 Wet Pro Bpf 2000. Het feit dat er 150.000 werknemers bij Bpf Bouw zijn aangesloten vergt een systematische verwerking van gegevens en daarom is het redelijk, en geenszins naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dat de gegevens op een voorgeschreven wijze moeten worden aangeleverd. Het hof handhaaft daarom het dictum van de kantonrechter op dit punt, met dien verstande dat tussen partijen vaststaat dat [appellante] tot aan het arrest van het hof Amsterdam op 9 mei 2023 de gegevens op acceptabele wijze heeft aangeleverd.
incidentele grieven
5.19
De vordering van de bouwfondsen strekkende tot betaling van € 138.306,99 wordt alsnog toegewezen. Ter zitting hebben de bouwfondsen de grondslag van hun vordering gewijzigd. Zij hebben gesteld dat dit bedrag aan premies per 1 januari 2020 ten minste verschuldigd is. [appellante] heeft dat niet bestreden en ter zitting is komen vast te staan dat zij tot nu toe geen premies aan de bouwfondsen heeft betaald.
De bouwfondsen vorderen wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten over achterstallige premiebetalingen. Die vorderingen baseren zij op de wet Bpf en het Uitvoeringsreglement van Bpf Bouw. [appellante] bestrijdt terecht dat het Opleidingsfonds en het Aanvullingsfonds hun vorderingen kunnen baseren op het, voor deze partijen niet toepasselijke, Uitvoeringsreglement. Dit is anders voor Bpf Bouw: [appellante] is op grond van artikel 4 Wet Pro Bpf 2000 gehouden het door het bedrijfstakpensioenfonds vastgestelde uitvoeringsreglement na te leven, ook als het een door het bedrijfstakpensioenfonds eenzijdig vastgesteld besluit betreft.
5.2
[appellante] voert aan dat geen wettelijke handelsrente kan worden gevorderd door Bpf Bouw omdat niet voldaan is aan artikel 6:119a BW. Bpf Bouw bestrijdt dit. De vraag of op basis van een uitvoeringsreglement wettelijke handelsrente kan worden gevorderd is eerder aan de orde geweest. Het hof Amsterdam heeft in de arresten van 20 juni 2017, rov 2.17 (geciteerd in de hierna te noemen conclusie van de AG), herhaald in het eindarrest van 3 juli 2018, rov 2.2 (ECLI:NL:GHAMS:2018:2246), geoordeeld dat het verplichte bedrijfstakpensioenfonds de wettelijke handelsrente kan hanteren omdat dit in het bindende uitvoeringsreglement is bepaald. De AG heeft zich in zijn conclusie bij deze opvatting aangesloten (ECLI:NL:PHR:2019:1283, randnummers 3.12-3.14) vgl ook ECLI:NL:HR:2020:886). Ook dit hof sluit zich hierbij aan. De wettelijke handelsrente over de vordering van Bpf Bouw ter grootte van € 115.988,36 is toewijsbaar als gevorderd: [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de gevorderde ingangsdatum voor deze rente (11 juni 2020). Voor wat betreft de vorderingen van het Opleidingsfonds ad € 7.970,94 en van het Aanvullingsfonds ad € 14.347,69, is de wettelijke rente, het mindere ten opzichte van de wettelijke handelsrente, toewijsbaar. De ingangsdatum kan niet gekoppeld zijn aan het Uitvoeringsreglement van Bpf Bouw. Het hof zal de datum bepalen op 23 oktober 2020, twee weken nadat de twee fondsen hun vordering in rechte hebben ingesteld.
5.21
[appellante] maakt evenzeer bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Ook hier geldt dat het Uitvoeringsreglement niet van toepassing is op het Opleidingsfonds en het Aanvullingsfonds. Omdat deze fondsen hun vordering baseren op dit reglement, zijn de vorderingen niet toewijsbaar.
Het Uitvoeringsreglement kan een basis zijn voor de vordering van incassokosten door Bpf Bouw. [appellante] betoogt dat niet voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Zij bestrijdt dat de gevorderde kosten (€ 20.746,99) redelijkerwijze noodzakelijk waren en dat de omvang redelijk is. Zij wijst in dat verband op de proceshouding van Bpf Bouw, de weigering om inhoudelijk op argumenten van [appellante] te reageren en het ontbreken van een specificatie van de kosten. Volgens Bpf Bouw hebben de buitengerechtelijke incassokosten meer het karakter van een boete maar zij heeft dat niet toegelicht. Daarmee heeft zij het verweer van [appellante] onvoldoende bestreden. De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.
5.22
Het hof ziet, ten slotte, geen aanleiding om het bedrag van de verschuldigde (en betaalde) dwangsommen te verhogen. Ter zitting is afdoende gebleken dat [appellante] inmiddels aan het vonnis van de kantonrechter heeft voldaan en zij, als dat vonnis wordt bekrachtigd, aan de verdere uitvoering daarvan zal meewerken.
Conclusie en proceskosten
5.23
Gelet op wat hiervoor is overwogen falen de principale grieven en slagen de incidentele grieven gedeeltelijk. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd met dien verstande dat de vorderingen strekkende tot betaling van € 115.988,36, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en van € 7.970,94 en van € 14.347,69, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsnog zullen worden toegewezen.
5.24
Aan bewijslevering komt het hof niet toe omdat geen van beide partijen bewijs heeft aangeboden van feiten die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing.
5.25
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de procedure in hoger beroep bij hof Amsterdam en, na verwijzing door de Hoge Raad naar dit hof, in de kosten van het principaal hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] eveneens worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep Het hof ziet geen aanleiding over de proceskosten in eerste aanleg anders te beslissen dan de kantonrechter heeft gedaan. Deze beslissing blijft dus in stand.
5.26
Het hof begroot de kosten van de procedure bij hof Amsterdam aan de zijde van de bouwfondsen op:
griffierecht € 772,-
salaris advocaat € 3.342,- (3 punten × tarief II)
Totaal € 4.114,-
Het hof begroot de kosten van de procedure bij dit hof aan de zijde van de bouwfondsen in principaal beroep op:
oproepingsexploot € 167,43
griffierecht € nihil
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.936,43
Het hof begroot de kosten van de procedure bij dit hof aan de zijde van de bouwfondsen in incidenteel beroep op:
salaris advocaat € 1.290,- (2 punten x ½ x tarief II)
De proceskosten bedragen in totaal € 4.226,43 plus € 4.114,- is € 8.340,43. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

6.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2023 behalve voor zover in reconventie is geoordeeld “wijst af het meer of anders gevorderde”:
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
  • veroordeelt [appellante] tot betaling van € 115.988,36 aan Bpf Bouw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW twee weken na 11 juni 2020 tot de voldoening;
  • veroordeelt [appellante] tot betaling van € 7.970,94 aan het Opleidingsfonds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2020 tot de voldoening;
  • veroordeelt [appellante] tot betaling van € 14.347,69 aan het Aanvullingsfonds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2020 tot de voldoening;
  • veroordeelt [appellante] tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep bij hof Amsterdam en na verwijzing bij dit hof, aan de zijde van de bouwfondsen begroot op € 8.340,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M,T. Nijhuis, R.A. van Coevorden en A.C.M. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.