Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
nu de persoon die samen met haar afspraken maakt over haar re-integratie.
een mediation traject om de problemen op te lossen. Terugkeer naar eigen werkplek zal naar verwachting tot nieuwe gezondheidsschade kunnen leiden en kan ik derhalve niet adviseren. Ik acht mevrouw [verzoekster] medisch gezien in staat om de mediation in te gaan. Mevrouw [verzoekster] is altijd welkom voor een arbeidsomstandigheden spreekuur.
tegemoet komen voor wat betreft de namens UWV af te vaardigen persoon. Wij stellen voor dat het Hoofd HRM Centraal (plaatsvervangend directeur HRM), (…) [naam 2], UWV vertegenwoordigt in de mediation. Zoals eerder aangekondigd zal zij zich indien nodig laten bijstaan door HRM, (…).
binnen UWV een andere plek kunnen bieden. De vertrouwensbreuk is ruimer dan enkel de vraag met wie het vertrouwen moet worden hersteld en ruimer dan een breuk die zich enkel in relatie tot de afdeling Handhaving manifesteert. Overigens lijkt ook van de zijde van( [verzoekster] , hof)
er een breed wantrouwen te bestaan richting UWV als organisatie.
voelt zich daarbij mogelijk onvoldoende gehoord en gewaardeerd maar heeft op onderdelen ook een volledig andere opvatting over de feiten en omstandigheden dan UWV.(…)
binnen de OC - in het verlengde waarvan zij eraan hecht vooralsnog niet terug te treden als OC lid - ligt in deze lijn. UWV herkent deze vermeende ontstaansgeschiedenis niet.
hebben wij besloten dit voor nu maar even te laten voor wat het is. Dit laatste om zoveel als mogelijk rust te creëren. Zolang( [verzoekster] , hof)
op de kostenplaats van Handhaving staat, blijft zij verbonden aan de OC van Handhaving. Wij hopen wel dat de poging om de rust zoveel als mogelijk te bewaren niet wordt verstoord doordat beide partijen - die richting elkaar hebben uitgesproken een onherstelbare vertrouwensbreuk te ervaren - vervolgens wel in medezeggenschapsrechtelijk verband intensief met elkaar dienen samen te werken. (…)”
Zodra het hiervoor genoemde traject is ingericht, of zoveel eerder als nuttig en nodig is wordt( [verzoekster] , hof)
(…) functioneel overgeplaatst van de divisie Handhaving naar een ander organisatieonderdeel. Dat is ingegeven omdat terugkeer naar de divisie Handhaving onwenselijk wordt geacht en om een breuk te markeren met wat eerder gebeurd is.
zal onder invloed van deze overplaatsing, conform de WOR, haar zitting in de onderdeelscommissie van de divisie Handhaving beëindigen.”
is onder behandeling zoals bekend in de 2e lijn zorg, onderzoeken moeten nog geëvalueerd worden.
“gebleken is dat partijen aanzienlijk van mening verschillen over een passende oplossing voor deze kwestie”.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Verzoek in hoger beroep
in het geval het hof UWV niet veroordeelt tot herstel van de arbeidsovereenkomst,
6.Beoordeling in hoger beroep
Opzegverbod wegens ziekte?
“tijdsdruk hanteren, conflicten hanteren”, en dat achter prognose/indicatie herstelduur staat:
“perspectief naar weer werken zou een belangrijke bijdrage leveren in het herstel”. Uit het advies blijkt dus geenszins dat [verzoekster] beter of arbeidsgeschikt zou zijn. UWV ging er tot de zitting bij de kantonrechter overigens ook zelf nog vanuit dat [verzoekster] arbeidsongeschikt was. UWV heeft [verzoekster] pas na de zitting bij de kantonrechter op 3 juni 2025 met terugwerkende kracht per 1 juni 2025 beter gemeld. [verzoekster] is het met die hersteld melding niet eens. UWV gaat bij die hersteld melding bovendien van verouderde/niet actuele gegevens uit. Volgens [verzoekster] heeft de verstoring van de arbeidsverhouding zich ontwikkeld in samenhang met een opbouwende arbeidsongeschiktheid en kan daarvan dus niet worden geabstraheerd.
- [verzoekster] bezocht na haar ziekmelding op 7 oktober 2022 op eigen initiatief een bedrijfsarts uit een andere regio (zie 3.1 onder j), kennelijk omdat zij de bedrijfsartsen in de eigen regio niet vertrouwde;
- [verzoekster] wenste [teamleider] niet als haar case-manager, en evenmin [casemanager] omdat deze uit regio Rotterdam kwam. Zij wenste een case-manager uit een andere regio (zie 3.1 sub k);
- [verzoekster] heeft geweigerd met bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] in gesprek te gaan (3.1 sub o);
- [verzoekster] heeft vervolgens de boel geëscaleerd en zich eerst tot de directeur Handhaving, en later tot de voorzitter Raad van Bestuur van UWV gewend (zie 3.1 onder q);
- toen mediation werd overeengekomen, was [verzoekster] het niet eens met de voorgestelde deelnemers aan de zijde van UWV (zie 3.1 onder u);
- [verzoekster] was het ook niet eens met de uitleg van UWV van het door de mediator opgestelde eindverslag en escaleerde de boel opnieuw door middel van een formele klacht (zie 3.1 onder aa), en wendde zich uiteindelijk opnieuw tot de voorzitter Raad van Bestuur van UWV (zie 3.1 onder dd);
- [verzoekster] was het niet eens met de door UWV voorgestelde loopbaanadviseur ( 3.1 onder ee);
- tot een concrete invulling van het loopbaantraject is het vervolgens niet gekomen.
“alleen maar te kunnen erkennen”(verweerschrift onder 9.1) dat de arbeidsrelatie inmiddels verstoord was en herplaatsing
“inmiddels een gepasseerd station”(verweerschrift onder 7.2). Tegen deze achtergrond komt het op UWV vreemd over dat [verzoekster] zich in deze procedure alsnog verzet tegen het oordeel van de kantonrechter over de verstoring van de arbeidsrelatie. [verzoekster] legt niet uit waarom zij hier thans anders tegenaan kijkt en wél voldoende vertrouwen heeft in UWV om met elkaar verder te gaan. UWV vindt in het beroepschrift geen aanknopingspunten waarop hij het vertrouwen zou kunnen baseren dat de situatie straks anders zal zijn en wel constructief met [verzoekster] samengewerkt kan worden. De stelling van [verzoekster] dat UWV in mei 2023 al de conclusie had getrokken dat partijen afscheid van elkaar moesten nemen is niet juist, en spoort niet met de uitkomst van de mediation. Bovendien wilde ook [verzoekster] zelf niet terug naar Handhaving, dat was niet slechts de insteek van UWV. Gelet op de opstelling van [verzoekster] heeft UWV geen enkel vertrouwen meer in een vruchtbare samenwerking met [verzoekster] . Herplaatsing ligt dan ook niet in de rede.
7.Beslissing
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2025;
- veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van UWV tot op heden begroot op € 3.620 ,-;
- bepaalt dat als [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoekster] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.