ECLI:NL:GHSGR:2009:BH0254
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- M.H. van Coeverden
- J.W. van Rijkom
- V. Disselkoen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kennelijk onredelijk ontslag en vergoeding op grond van artikel 7:681 BW
Werknemer was sinds 1970 in dienst bij de BV en werd ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. De rechtbank had het ontslag kennelijk onredelijk verklaard en een vergoeding van € 25.000 toegekend. Werknemer ging in hoger beroep tegen de hoogte van de vergoeding.
Het hof overweegt dat bij de beoordeling van kennelijk onredelijk ontslag alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang moeten worden meegewogen, waarbij de kantonrechtersformule als uitgangspunt geldt. De C-factor wordt in deze zaak verhoogd naar 1,2 vanwege de omstandigheden rondom het ontslag, maar vervolgens verminderd met 40% wegens het habe-nichts verweer van de BV.
Het hof bepaalt dat de BV een aanvullende vergoeding van circa € 61.600 moet betalen, naast de reeds betaalde € 25.000, en veroordeelt de BV tevens tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het ontslag wordt definitief kennelijk onredelijk verklaard en het eerdere vonnis vernietigd.
Uitkomst: Het hof verklaart het ontslag kennelijk onredelijk en veroordeelt de BV tot betaling van een aanvullende vergoeding van circa € 61.600 plus incassokosten en proceskosten.