Conclusie
verzoekster tot cassatie,
verweerster in cassatie,
mr. R.A.A. Duk.
1.Feiten
2.Het procesverloop
3.De billijke vergoeding ex art. 7:681 lid 1 Wwz Pro
onderdelen 1 en 2van het cassatiemiddel richten zich tegen deze uitgangspunten bij de begroting van de billijke vergoeding.
onderdeel 3van het cassatiemiddel gericht.
onderdeel 4nog betrekking op het oordeel van het hof om de kosten van rechtsbijstand buiten beschouwing te laten bij de berekening van de billijke vergoeding (rov. 5.23).
* de transitievergoeding (3.13)
* de billijke vergoedingen in de Wwz (3.14-3.19)
* karakter van de billijke vergoeding (3.26-3.35)
* compensatie voor werknemer (3.37)
* compensatie voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten werkgever (3.38-3.39)
* gevolgen bij de billijke vergoeding van art. 7:681 BW Pro (3.56-3.63)
schadevergoedingte vorderen op de grond dat de opzegging ‘kennelijk onredelijk’ was. Op grond van art. 7:681 lid 2 BW Pro (oud) was daarvan onder meer sprake a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden en b. wanneer de gevolgen van de opzegging voor de werknemer, mede in aanmerking genomen de voor de hem getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig waren in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Zowel over de vraag of sprake was van kennelijke onredelijkheid als over de wijze waarop schadevergoeding moest worden berekend, bestond verdeeldheid in de feitenrechtspraak. Sommige kantonrechters hanteerden ook hier de kantonrechtersformule, terwijl anderen die benadering verwierpen. De hoven gaven geen toepassing aan de kantonrechtersformule en gebruikten deze hooguit als een van de factoren bij het vaststellen van de schadevergoeding. [6] In 2008 oordeelde het hof Den Haag dat de formule ook in kennelijk onredelijk ontslag zaken kon worden toegepast, zij het dat daarop een korting diende plaats te vinden van 30%. [7] De andere vier hoven kozen echter voor een andere benadering, namelijk de zogenaamde XYZ-formule. Deze formule was gebaseerd op de kantonrechtersformule, met dien verstande dat de correctiefactor (de Z-factor) in beginsel werd bepaald op 0,5. [8]
Van de Grijp/Stammaakte de Hoge Raad echter een einde aan toepassing van de XYZ-formule in kennelijk onredelijk ontslag zaken. [9] De Hoge Raad overwoog in de eerste plaats dat aan de hand van de omstandigheden tezamen en in onderling verband moet worden vastgesteld dat sprake was van een kennelijk onredelijke opzegging, vóórdat kan worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag welke vergoeding aan de werknemer wordt toegekend. In de tweede plaats werd beslist dat de billijke vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag een ander karakter heeft dan de ontbindingsvergoeding. Bij de eerste vergoeding gaat het om een begroting van de schade van de werknemer als gevolg van het kennelijk onredelijke ontslag, waarbij de rechter zich nauwkeurig rekenschap dient te geven van de concrete omstandigheden en factoren die de hoogte van de vergoeding bepalen. Toepassing van de kantonrechtersformule past daarbij niet.
Rutten/Breed. [10] In dit arrest is onder meer het volgende overwogen:
naastde transitievergoeding kunnen worden toegekend. Zij zijn daarvan echter niet van afhankelijk: ook indien er geen aanspraak bestaat op een transitievergoeding (art. 7:673 lid 7 BW Pro), is het mogelijk dat een billijke vergoeding wordt toegekend.
* Een tweede gemeenschappelijk kenmerk van de billijke vergoedingen is dat de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding aan de rechter is overgelaten. De wet geeft niet aan hoe de billijke vergoeding moet worden berekend en er geldt geen minimum of maximum voor de hoogte van de billijke vergoeding. [23] Op te merken is dat het toekennen van de vergoeding steeds berust op een 'kan-bepaling', maar dat het de vraag is of daaruit moet worden afgeleid dat voor
allebillijke vergoedingen geldt dat de rechter ook zou kunnen beslissen om géén vergoeding toe te kennen. [24] * Een derde gemeenschappelijk kenmerk – samenhangend met het tweede – is dat de billijke vergoeding
situationeel bepaaldis. Het is niet zo dat in bepaalde gevallen altijd aanspraak kan worden gemaakt op een billijke vergoeding en in andere gevallen nooit; alles hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval.
* Een vierde gemeenschappelijk kenmerk van de billijke vergoedingen is dat het in alle gevallen gaat om situaties waarin sprake is van
ernstige verwijtbaar handelenvan de werkgever. Voor enkele billijke vergoedingen is dit in de wet neergelegd; voor andere gevallen volgt het uit de wetssystematiek. Specifiek voor het onderhavige art. 7:681 BW Pro vloeit dit voort uit de wet; de wet heeft hier reeds ‘invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid’, zoals het is uitgedrukt in de hiervoor onder 3.15 aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis.
uitzonderlijke omstandighedenaan de orde is. De gedachte hierbij is dat ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever niet gebruikelijk is, maar slechts bij uitzondering aan de orde zal zijn.
in het algemeendoor ‘muizengaatjes’ zou moeten worden gekropen om een billijke vergoeding te verkrijgen. Los daarvan bestaat er in de literatuur ook discussie hoe groot of hoe klein het ‘muizengaatje’ voor een billijke vergoeding bij ontbinding nu eigenlijk is. Uit onderzoek van de Vereniging voor Arbeidsrecht Advocaten komt naar voren dat de billijke vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst in ieder geval veel lager is komen te liggen dan de oude ontbindingsvergoeding en bovendien maar bij (hoge) uitzondering wordt toegekend. [34] De discussie hierover laat ik rusten, omdat het in deze zaak gaat om de billijke vergoeding ex art. 7:681 BW Pro en het ‘muizengaatje’, zoals gezegd, daar geen betrekking op heeft.
Ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoedingmerkt het kabinet– met de Afdeling –op dat in de billijke vergoeding uitdrukkelijk níet het criterium ligt besloten of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer en de door de werkgever getroffen voorzieningen om deze gevolgen te ondervangen (ook wel aangeduid als «het gevolgencriterium»). Deze elementen worden reeds geacht te zijn verdisconteerd in de transitievergoeding.De hoogte van de additionele billijke vergoeding staat – naar haar aard – in relatie tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever (en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer). Gelet op de aard van de additionele billijke vergoeding past het niet om hiervoor criteria op te nemen. Immers,rechters moeten de mogelijkheid behouden om de hoogte van de vergoeding te bepalen op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval.Dit betekent dat criteria als loon en lengte van het dienstverband die nu onderdeel uitmaken van de kantonrechtersformule hierbij geen rol hoeven te spelen.”
anderewetsbepaling.
Als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor te worden gecompenseerd …. In dat geval kan de rechter dan ook (…) een billijke vergoeding toekennen.”,MvT, p. 32). Dit zou m.i. het beginpunt moeten zijn voor elke begroting van een billijke vergoeding: de vergoeding dient ter compensatie voor de werknemer.
Rutten/Breeddat de vergoeding van art. 7:681 (oud) BW was gericht op het verschaffen van genoegdoening, ‘een pleister op de wonde’, die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de werkgever. Ook de schadevergoeding op de voet van de voorganger van art. 7:681 (oud) BW, art. 1639s (oud) BW had deze strekking, zo volgt uit
Rutten/Breed(rov. 3.5.5). Over die strekking overwoog de Hoge Raad in het arrest
Schoonderwoert/Schoonderwoerdhet volgende: [46]
omdatde werknemer daardoor zijn baan is kwijtgeraakt. Als het verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever niet was uitgemond in het verlies van de arbeidsovereenkomst, zou er immers ook geen aanleiding zijn om de werknemer te compenseren. De verschillende wettelijke bepalingen waarin een recht op een billijke vergoeding wordt toegekend, zien ook alle op situaties waarin de werknemer zijn arbeidsovereenkomst verliest. Dat maakt het moeilijk om bij het bepalen van de billijke vergoeding geheel te abstraheren van de gevolgen van het verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever voor de werknemer.
hoevente spelen bij de billijke vergoeding (zie onder 3.28), maar niet dat dit
nooit zou mogen.
op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval’ (zie onder 3.26. 3.28, 3.29). Hieruit is af te leiden dat alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen door de rechter. Dat betekent m.i. dat ook de gevolgen van het ontslag kunnen worden meegewogen, zij het dat niet ‘gedubbeld’ moet worden met de transitievergoeding en geen gestandaardiseerde formule mag worden toegepast.
schadedie de werknemer lijdt door het verlies van de arbeidsovereenkomst, die dan niet – zoals het geval was onder het oude systeem – abstract (forfaitair), maar zoveel mogelijk concreet wordt begroot. Alleen dan kan volgens haar recht
punitief(bestraffend
) karakterheeft, althans een
punitief elementin zich heeft. Dit is, zo begrijp ik, met name afgeleid uit de eerste zin van de onder 3.26 geciteerde passage (MvT, p. 32), dat de werknemer dient te worden gecompenseerd, ‘
ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen.’ Dat de billijke vergoeding een punitief karakter of een punitief element heeft, wordt dan zo begrepen, dat de hoogte van de billijke vergoeding ook, of met name, moet worden bepaald door na te gaan welk bedrag
voor de werkgevereen afschrikwekkend karakter heeft, zodat dergelijk handelen van de werkgever in de toekomst wordt voorkomen. Zo schrijft Kruit, een pleitbezorger van deze ‘punitieve benadering’: [55]
tevenseen punitief karakter kan hebben. Dat zal het geval zijn
voor zoverde vergoeding wordt toegekend zonder dat daartegenover duidelijk aanwijsbare schade van de werknemer staat. Dat dit mogelijk is, blijkt uit de discretionaire bevoegdheid die de rechter heeft om een billijke vergoeding toe te kennen, gerelateerd aan het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In dat geval kan van een punitieve sanctie worden gesproken, omdat de vergoeding een compensatie inhoudt zonder dat daartegenover concrete schade van de werknemer staat. Om deze reden gold ook onder het oude recht dat de schadevergoeding van art. 7:681 (oud) BW
medehet karakter van een privaatrechtelijke boete had, zo schreef Stein in zijn noot onder het arrest
Schoonderwoert/Schoonderwoerd(zie hiervoor onder 3.39). [56] Deze typering was ingegeven door de door Hoge Raad in het arrest gebruikte bewoordingen ‘
compensatie voor de veronachtzaming van de belangen van de werknemer door de werkgever’, alsmede door de in de parlementaire geschiedenis gehanteerde woorden ‘genoegdoening’ en ‘pleister op de wonde’. Zoals gezegd, zijn deze kwalificaties m.i. ook van toepassing op de billijke vergoedingen van de Wwz.
bestraffingvan de werkgever. Voor die benadering zijn naar mijn mening geen aanknopingspunten te vinden in wet of wetsgeschiedenis. ‘Vergoeding’ houdt in compensatie of schadeloosstelling, en niet bestraffing of sanctie. Het vooropstellen van het punitieve karakter van de billijke vergoeding laat zich ook minder goed rijmen met het in andere aangehaalde passages vermelde uitgangspunt, dat de rechter de billijke vergoeding moet vaststellen ‘
op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval’(zie onder 3.26, MvT p. 33). Daarbij past niet dat de rechter uitsluitend of voornamelijk zou kijken naar de impact van de billijke vergoeding voor de werkgever.
compensatie van de werknemer’. Het is dus én compensatie én voorkomen van herhaling. ‘Voorkomen’ is ook niet hetzelfde als ‘bestraffen’. Er zijn geen uitlatingen in de wetsgeschiedenis (althans, ik heb ze niet kunnen vinden) waar woorden als ‘bestraffen’ in voorkomen. Men kan zich dan ook afvragen of niet bedoeld is dat het
feitdat een billijke vergoeding wordt toegekend, als compensatie voor het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, gezien kan worden als een aansporing voor de werkgever om dergelijk handelen of nalaten in de toekomst te voorkomen. Zonder het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever zou deze immers kunnen volstaan met het betalen van een transitievergoeding. [57] Deze uitleg ligt m.i. het meest in de rede.
medeeen punitief karakter hebben, namelijk wanneer er geen sprake is van aantoonbare, concrete schade van de werknemer.
“In de hoogte van deze billijke vergoeding moet dan ook tot uitdrukking komen dat, de omstandigheden van het geval in ogenschouw nemend, de vergoeding een alternatief is voor het herstel van de arbeidsrelatie.”)
5.11.11. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat het dienstverband tot 1 januari 2017 zou hebben voortgeduurd, zijnde afgerond 13 maanden x € 1.111,50 is € 14.500,00. Daarin ligt de in dezen op goede gronden tevens toe te passen punitieve component van de billijke vergoeding besloten.
medeeen factor is. Een voorbeeld van de eerste groep is het onderhavige hof-arrest. Een ander voorbeeld is:
naastandere factoren:
kunnenspelen, zij het dat geen overlap dient plaats te vinden met de gevolgen die forfaitair vergoed zijn met de transitievergoeding (althans: dient de transitievergoeding in voorkomende gevallen in mindering te worden gebracht op de billijke vergoeding);
Rutten/Breedis voorts van belang dat de rechter in zijn beslissing verantwoording dient af te leggen over de wijze waarop de billijke vergoeding is begroot, zij het dat het uiteindelijk gaat om een vergoeding ‘naar billijkheid’.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelvan de aangevoerde cassatieklacht wordt
primairaangevoerd dat het hof heeft miskend dat bij de begroting van de billijke vergoeding tot uitgangspunt moet worden genomen dat de billijke vergoeding een alternatief is voor vernietiging van de opzegging hetgeen in de begroting van de vergoeding tot uitdrukking dient te komen (randnr. 17 cassatiedagvaarding).
Subsidiairwordt aangevoerd dat het hof met de benadering dat tot uitgangspunt moet worden genomen welk bedrag voor de werkgever een punitief en preventief effect heeft is miskend dat bij de begroting van de vergoeding veeleer centraal dient te staan welk bedrag in de omstandigheden van het geval billijk is voor de werknemer. Daarbij is opgemerkt dat de door het hof gekozen benadering leidt tot ongelijke behandeling tussen werknemers omdat de mate waarin de opgelegde vergoeding een afschrikwekkend karakter voor de werkgever heeft afhangt van de omvang en financiële draagkracht van de werkgever (randnr. 18).
Meer subsidiairis betoogd dat bij de begroting alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang betrokken dienen te worden en dat bij de integrale weging daarvan moet worden vastgesteld welk bedrag aan vergoeding een punitief en preventief effect heeft op de werkgever (randnr. 19).
Uiterst subsidiairluidt de klacht als volgt. Voor zover de beslissing van het hof dat het punitief en preventief karakter uitgangspunt is, door het hof is miskend dat het zijn beslissing inzake de hoogte van de vergoeding deugdelijk moet motiveren, zodat de gedachtegang van het hof inzichtelijk is en in cassatie getoetst kan worden. Door zijn beslissing dat van een billijke vergoeding van € 4.000,- een preventief en punitief karakter uitgaat in het geheel niet toe te lichten is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd (randnr. 20). Voor zover rov. 5.9 zo moet worden begrepen dat het hof tot het bedrag van € 4.000,- is gekomen vanwege het feit dat [verzoekster] een dienstverband van een geringe omvang en een geringe loonaanspraak had, getuigt die benadering volgens het onderdeel van een geringe rechtsopvatting omdat het in de rede ligt om bij de bepaling van de vergoeding geen aansluiting te zoeken bij de omvang van het dienstverband en de loonaanspraak, omdat in dat geval bij werknemers met een relatief klein dienstverband de privaatrechtelijke straf voor ontslag in strijd met de wettelijke regels beduidend lager zal zijn dan bij een werknemer met een voltijds dienstverband (randnr. 21). In randnr. 22 wordt tot slot aangevoerd dat onvoldoende gemotiveerd is waarom een billijke vergoeding van € 4.000,- een voldoende punitief en preventief karakter heeft en ertoe zal leiden dat New Hairstyle vergelijkbaar gedrag in de toekomst achterwege zal laten.
alleomstandigheden van het geval, waarbij ook de lengte van het dienstverband in aanmerking kan worden genomen. Volgens het onderdeel bestaat daartoe temeer aanleiding indien, zoals in dit geval, sprake is van een zeer langdurig dienstverband. Daarbij wijst het onderdeel erop dat de lengte van het dienstverband niet alleen een factor is bij het bepalen van de gevolgen van het ontslag maar ook bij de vraag of bepaalde gedragingen kunnen worden aangemerkt als een dringende reden voor ontslag op staande voet (vlg. HR 12 februari 1999, NJ 1999/643).
Subonderdeel Aziet op het oordeel van het hof dat de gevolgen van het ontslag bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze al verdisconteerd zijn in de transitievergoeding. Daarmee gaat het hof er volgens het onderdeel aan voorbij dat in de wetsgeschiedenis diverse malen is overwogen dat de aanspraak op ten onrechte niet genoten loon kan worden verdisconteerd in de billijke vergoeding (randnr. 25-26). Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof bovendien innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk, omdat in rov. 5.20 wordt overwogen dat de gevolgen van het ontslag geen rol dienen te spelen bij de bepaling van de hoogte van het vergoeding terwijl in rov. 5.9 is overwogen dat de bespaarde loonkosten de werkgever geen financieel voordeel mogen opleveren (randnr. 27).
punitief en afschrikwekkend karaktermoet hebben (rov. 5.9). Noch uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat dit hét bepalende gezichtspunt dient te zijn bij het begroten van de billijke vergoeding van art. 7:681 BW Pro. In de wetsgeschiedenis is slechts overwogen dat
‘de werknemer dient te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen’.Daaruit is af te leiden dat het
compenseren van de werknemervoorop moet staan bij de billijke vergoeding.
‘voorbijgaat aan de niet nader toegelichte stelling van [verzoekster] dat in deze vergoeding tot uitdrukking moet komen dat zij haar dienstverband bij New Hairstyle tot haar pensioengerechtigde leeftijd zou hebben kunnen voortzetten, mede in het licht van het feit dat een arbeidsovereenkomst geen levensverzekering is’, geldt het volgende. Voor zover onderdeel 3 sub B inhoudt dat het hof hiermee miskent dat uit het feit uit het feit dat de werknemer kan kiezen tussen vernietiging van de opzegging of een billijke vergoeding, volgt dat bij de billijke vergoeding van art. 7:681 BW Pro óók in ogenschouw moet worden genomen in welke situatie [verzoekster] zou zijn komen te verkeren indien zij had gekozen voor herstel van de arbeidsovereenkomst, slaagt het. Voor zover verdedigd zou worden dat in een geval als het onderhavige dan altijd zou moeten worden uitgegaan van voortzetting van de arbeidsovereenkomst tot de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer, faalt het. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld wat een billijke uitkomst is, gegeven de specifieke feiten en omstandigheden van het geval.
dieprocedure. [84] In het onderhavige geval gaat het echter om kosten die zijn gemaakt in verband met eerdere handelingen van de werkgever, die losstaan van de latere opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat het oordeel van het hof dat de gevorderde kosten onder art. 237 Rv Pro vallen, niet juist is.
in verband metde betreffende wettelijke bepaling. Voor wat betreft de billijke vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dit uitvoerig beargumenteerd door Sagel. [85] Naar mijn mening geldt hetzelfde voor de billijke vergoeding van art. 7:681 BW Pro.
om alle mogelijke vorderingen die bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst of herstel daarvan kunnen worden ingesteld”. [86] Als voorbeelden zijn genoemd de vordering tot betaling van achterstallig loon, vorderingen met betrekking tot een concurrentiebeding of tot terugbetaling van een eerder toegekende transitievergoeding. Volgens Vestering & Wetzels kan ervan uit worden gegaan dat ook vorderingen op basis van het algemeen vermogensrecht onder de bepaling vallen. [87] Door het mogelijk te maken dat deze vorderingen bij verzoekschrift (of verweerschrift) kunnen worden ingesteld, is beoogd een dubbele rechtsgang te voorkomen. [88] Tegen deze achtergrond zie ik geen reden waarom niet in hetzelfde verzoekschrift als waarin om de billijke vergoeding wordt verzocht, een verzoek kan worden gedaan tot vergoeding van gemaakte advocaatkosten in verband met gesteld eerder verwijtbaar handelen van de werkgever. Ook dit is immers een vordering ‘
die bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst of herstel daarvan kan worden ingesteld.’ Aldus wordt voldaan aan het doel van de wetsbepaling, namelijk voorkoming van dubbele procedures.