Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen een navorderingsaanslag vermogensbelasting 2000, inclusief vergrijpboete en heffingsrente, opgelegd door de Inspecteur. De kern van het geschil betreft de vraag of de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het voorbereiden en opleggen van de aanslag, met name in de periode tot aan het verzenden van de vragenbrief aan belanghebbende.
Het Hof stelt vast dat de Inspecteur de gegevens van ruim 2500 rekeninghouders van Van Lanschot via een projectmatige aanpak heeft verwerkt, genaamd 'Bank Zonder Naam'. Deze aanpak was noodzakelijk vanwege de omvang en complexiteit van de gegevens en het belang van rechtsgelijkheid. De periode van ontvangst van de gegevens (februari 2005) tot aan het verzenden van de vragenbrieven (maart 2007) bestond uit een onderzoeksfase, een besluit- en inrichtingsfase en een projectfase.
Het Hof oordeelt dat de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld, mede gelet op de redelijke vrijheid bij het prioriteren van werkzaamheden en de noodzakelijke zorgvuldigheid bij identificatie en verificatie. Vertragingen door een afpersingszaak en extra identificatiecontroles zijn gerechtvaardigd. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur niet voortvarend handelde omdat zijn individuele identificatie sneller had kunnen verlopen, wordt verworpen. Ook de vergelijking met een omvangrijker KB-Lux project leidt niet tot een ander oordeel.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegekend en geen griffierechtvergoeding toegewezen.