Belanghebbende diende een verzoek in tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de behandeling van bezwaar, beroep en hoger beroep in een belastingzaak over het jaar 2006.
De procedure begon met een aanslag IB/PVV en bijbehorende heffingsrente en boetebeschikking, waartegen bezwaar en beroep werden ingesteld. De Rechtbank deed uitspraak na ruim drie jaar, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof vernietigde de uitspraak deels en heropende het onderzoek voor een nadere uitspraak over het verzoek tot immateriële schadevergoeding.
Het Hof oordeelde, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad, dat de totale redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar, beroep en hoger beroep in deze zaak op 48 maanden moest worden gesteld. De totale duur bedroeg ruim 47 maanden, waarmee de redelijke termijn niet was overschreden. Het verzoek tot vergoeding werd daarom afgewezen. Tevens werden geen proceskosten toegekend.