Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2876366/VV EXPL 14-25)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met 9 grieven en producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de verwijzing naar mediation;
- de ambtshalve doorhaling van de zaak op 3 maart 2015;
- de akte van [appellante] van 16 juni 2015 met de mededeling dat de mediation zonder resultaat is geëindigd en met het verzoek tot hervatting van de zaak.
3.De beoordeling
“(…) Het is de werknemer verboden direct, dan wel indirect, al dan niet tegen betaling werkzaamheden te verrichten voor cliënten van de werkgever, gedurende een termijn van 2 jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bij overtreding van bovenstaand omschreven verbod verbeurt werknemer ten behoeve van werkgever een dadelijk opvorderbare boete van € 2.500,-- voor elke dag, dat hij in overtreding is (…)”.
Primair: bepaling dat [appellante] geen rechten kan ontlenen aan het tussen [geïntimeerde] en HVB gesloten relatiebeding;
in conventiede primaire en subsidiaire vordering afgewezen omdat dit declaratoire vorderingen betreffen die naar hun aard niet voorlopig kunnen zijn en voorts de (tweede) meer subsidiaire vordering aldus toegewezen, dat de werking van het relatiebeding, zoals opgenomen in de overeenkomst met HVB d.d. 27 december 2007, met ingang van 1 april 2014 is geschorst totdat in een bodemprocedure daarover bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zal zijn beslist, onder bepaling dat in afwachting daarvan geen boete zal worden verbeurd. Verder is [appellante] in de proceskosten veroordeeld en is het meer of anders gevorderde afgewezen.
in reconventiede vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld.