Conclusie
derde middelklaagt dat het hof bij de bewezenverklaring buiten de grenzen van de tenlastelegging in de inleidende dagvaarding is getreden door de in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde strafverzwarende omstandigheid “terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend” in de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit op te nemen.
vierde middelklaagt dat het hof het medeplegen van dood door schuld heeft bewezenverklaard, maar daarbij niet is ingegaan op het verweer van de verdachte dat hij als bijrijder in leven wilde blijven.
tweede middelklaagt, zo begrijp ik, dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden.