Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende had vorderingen op zijn broer ter hoogte van € 500.619, die hij stelde tijdelijk te hebben uitgeleend vanuit overtollige liquide middelen van zijn tandartspraktijk. Het hof stelde vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze gelden tijdelijk en binnen het kader van de onderneming waren uitgeleend. De broer had geen rente of aflossingen betaald en de financiële situatie van diens bedrijf [F] B.V. was slecht, wat het tijdelijk karakter van de lening betwistte.
Daarnaast stelde belanghebbende dat hij een aparte onderneming dreef met zijn broer en [F] B.V., waarbij hij substantiële werkzaamheden verrichtte in ruil voor een winstaandeel. Het hof vond dit niet aannemelijk omdat geen winstuitkering had plaatsgevonden en de werkzaamheden niet vanuit een onderneming werden verricht.
Ook werd beoordeeld of de werkzaamheden konden worden gekwalificeerd als resultaat uit overige werkzaamheden die het normale actief vermogensbeheer te boven gaan. Het hof oordeelde dat belanghebbende dit niet had bewezen, aangezien de werkzaamheden vooral gericht waren op het behoud van de lening en niet op het behalen van bovengemiddelde voordelen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het hof wees verzoeken tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak dat de vorderingen niet tot het ondernemingsvermogen behoren.