Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2408121 CV EXPL 13-6615)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties 51 tot en met 58;
- de memorie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel met producties 12 tot en met 17;
- de memorie van antwoord voorwaardelijk incidenteel appel met producties 59 tot en met 66;
- het pleidooi gehouden op 6 april 2017, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H12-formulier van 21 maart 2017 door [geïntimeerde] toegezonden productie 18, die hij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht;
- de fax van 17 mei 2017 waarbij [Marine & Offshore] bericht dat partijen niet tot een schikking zijn gekomen en dat zij het hof dan ook verzoeken om arrest te wijzen.
3.De beoordeling
grieven 2 tot en met 12zijn gericht tegen de bewijswaardering door de kantonrechter in het eindvonnis. In dit verband heeft [Marine & Offshore] een onderzoeksrapport van een forensische IT analyse van [Advisory] Advisory N.V. ( [Advisory] ) overgelegd (productie 58 bij de memorie van grieven). Uit dat rapport volgt volgens [Marine & Offshore] – in reactie op hetgeen de kantonrechter in het eindvonnis onder rov. 2.6.2 heeft overwogen – dat de producties 45-50 wel degelijk authentiek zijn.
Sinopacific is een belangrijke relatie van [Marine & Offshore]” en vervolgens in rov. 3.9.2 van dat tussenvonnis dat “
als onbetwist vaststaat dat Sinopacific sinds 2010 verreweg de grootste afnemer van [Marine & Offshore] was”.
grief 2heeft de kantonrechter in rov. 3.9.1 van het tussenvonnis van 6 augustus 2014 ten onrechte overwogen dat benadering door [geïntimeerde] van een bestaande relatie in beginsel een overtreding vormt, zonder daarbij de door de kantonrechter gebruikte woorden “
binnen de begrenzing van het relatiebeding” nader uit te werken, in die zin dat de kantonrechter heeft vastgesteld wat het relatiebeding nu eigenlijk exact verbiedt.
afwezigheid van alle schuld”. Tijdens het pleidooi heeft [geïntimeerde] dit standpunt gewijzigd en toegelicht dat hij een beroep doet op artikel 6:92 lid 3 BW Pro (“
De schuldeiser kan geen nakoming vorderen van het boetebeding, indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend”). Het hof zal het onderhavige verweer van [geïntimeerde] daarom als een beroep op artikel 6:92 lid 3 BW Pro behandelen. [Marine & Offshore] heeft dit beroep bestreden.
dienente realiseren, mede gezien het in artikel 20 van Pro de arbeidsovereenkomst expliciet genoemde internationale karakter van zijn functie van Area Sales Manager. Ten slotte overweegt het hof dat waar [geïntimeerde] aanvoert dat hij zich alleen heeft geconcentreerd op de Amerikaanse markt, en Sinopacific een Chinese relatie was, hij miskent dat het relatiebeding geen territoriale beperking kende. Op grond van het voorgaande wijst het hof het beroep van [geïntimeerde] op artikel 6:92 lid 3 BW Pro af. Hieruit Uit het voorgaande volgt ook dat de grieven 2 tot en met 12 van [Marine & Offshore] slagen.
poging tot” overtreding. [Marine & Offshore] heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelwijze van [geïntimeerde] valt onder het relatiebeding. Gelet op de aard en de inhoud van de e-mails is het hof van oordeel dat het versturen daarvan als een overtreding van het relatiebeding moeten worden aangemerkt. Door middel van deze e-mails heeft [geïntimeerde] Sinopacific immers benaderd voor een mogelijke toekomstige samenwerking tussen Sinopacific en CargoFlexX. Dit moet worden begrepen als het “
op enigerlei wijze […] bevorderen” van een zakelijke relatie als bedoeld in artikel 12.1 van het relatiebeding. Dat Sinopacific niet op de uitnodiging van [geïntimeerde] is ingegaan, doet daarbij niet ter zake. Ook in zoverre faalt grief 2 van [geïntimeerde] .
indien de billijkheid zulks klaarblijkelijk eist”. De rechter dient deze bevoegdheid terughoudend te hanteren. Matiging is alleen aan de orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (ECLI:NL:HR:2007:AZ6638).
4.De uitspraak
- in eerste aanleg op € 112,- aan griffierecht en € 2.800,- aan salaris advocaat,
- in principaal hoger beroep op € 79,47 aan explootkosten, € 5.160,-- aan griffierecht en € 3.474,- aan salaris advocaat,