Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en drie producties, ingekomen ter griffie op 20 maart 2017;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 mei 2017;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 9 november 2016;
3.De beoordeling
grief I faalt voor zover die grief inhoudt dat niet aan het “zodanige banden-criterium” wordt voldaan. Ook grief II faalt. [de vennootschap 1] dient te worden aangemerkt als opvolgend werkgever. Aan beide criteria uit het arrest Van Tuinen/Wolters is voldaan. Ten aanzien van [verweerster] is het hof van oordeel dat door [de vennootschap 1] van [verweerster] ‘wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden’ worden gevergd als voorheen door [de vennootschap 3] / [de vennootschap 1] . Ten aanzien van [de vennootschap 3] / [de vennootschap 1] en [de vennootschap 1] geldt dat de vereiste ‘zodanige nauwe band’ bestaat. Daartoe overweegt het hof als volgt, waarbij mede wordt gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep.
wezenlijkdezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden van [verweerster] . Naar de kern genomen ging het in het oude bedrijf, net zo als in het nieuwe bedrijf om de uitlevering van producten. Dat er in het nieuwe bedrijf meer via internet wordt gewerkt en dat er grotere nadruk is komen te liggen op de administratieve verwerking van retourzendingen past binnen de maatschappelijke ontwikkelingen ten aanzien als producten waar het hier om gaat. Dezelfde ontwikkeling (aanpassingen) zouden ook binnen het oude bedrijf kunnen hebben plaatsgevonden. Overigens is gesteld noch gebleken dat de betreffende veranderingen hebben geleid tot een (wezenlijke) verandering in de te verrichten administratieve logistieke werkzaamheden. Zo heeft [de vennootschap 1] niet betwist dat [verweerster] bij de uitvoering van de werkzaamheden gebruik maakte van dezelfde computers en programmatuur.