Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 4422290 CV EXPL 15-5275)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
ecli:nl:hr:2014:2806, het fixatiebeginsel. Het ligt daarbij op de weg van de werkgever te bewijzen dat díe ontslaggrond zich feitelijk heeft voorgedaan en dat die kwalificeert als dringende reden, vgl. onder meer HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, rov. 3.4.3. Een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 in Pro verbinding met artikel 7:678 BW Pro voor de werkgever bestaat in 'daden, eigenschappen of gedragingen' van de werknemer die ten gevolge hebben dat 'van de werkgever redelijkerwijs niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren'. Bij de beoordeling van de vraag òf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben, aldus HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849, NJ 1999, 643.
door de deur naar buiten” maar om (met fysiek geweld terzijde) duwen;