Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende exploiteert een mini-camping in Zeeland met vaste en niet-vaste standplaatsen voor mobiele kampeeronderkomens. Over 2013 is een aanslag toeristenbelasting opgelegd van €12.266,10, welke na bezwaar en beroep door de Rechtbank werd bevestigd. Het Hof behandelt het hoger beroep tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betreft de vraag of de aanslag in strijd is met artikel 1 van Pro het eerste Protocol bij het EVRM (fair balance en individuele buitensporige last), artikel 1 van Pro het twaalfde Protocol bij het EVRM, artikel 26 van Pro het IVBPR (discriminatieverbod) en het gelijkheidsbeginsel uit de Grondwet. Belanghebbende stelt dat de heffing onevenredig en discriminerend is, en dat de forfaitaire berekeningswijze niet op haar niet-vaste standplaatsen kan worden toegepast.
Het Hof overweegt dat de gemeenteraad een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van het tarief en dat het ontbreken van tariefdifferentiatie binnen die marge valt. Er is geen sprake van een individuele en buitensporige last, omdat belanghebbende geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond. Ook is het hanteren van een uniform tarief niet in strijd met het discriminatieverbod, aangezien het onderscheid gebaseerd is op objectieve en redelijke gronden. Ten slotte is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden omdat de niet-vaste standplaatsen op de mini-camping niet gelijk zijn aan de strandslaaphuisjes, die deels particulier worden gebruikt.
De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Het griffierecht wordt niet vergoed en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag toeristenbelasting bevestigd.