Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2017:954

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 maart 2017
Publicatiedatum
9 maart 2017
Zaaknummer
200.199.022_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep wegens minnelijke regeling in arbeidsrechtelijke transitievergoedingzaak

In deze zaak stond appellant in hoger beroep tegen Dairy Industry B.V. met betrekking tot een arbeidsrechtelijk geschil over de transitievergoeding en de uitsluiting van AOW-gerechtigden hiervan. Het hof had eerder overwogen prejudiciële vragen te willen stellen aan de Hoge Raad over mogelijke leeftijdsdiscriminatie.

Na het verzoek van het hof om stukken over re-integratie en het oordeel van de bedrijfsarts te overleggen, hebben partijen op 22 februari 2017 gezamenlijk een minnelijke regeling getroffen. Hierdoor werd het hoger beroep ingetrokken en droeg iedere partij de eigen kosten.

Het hof verklaarde appellant daarop niet-ontvankelijk in het hoger beroep en zag af van verdere inhoudelijke beoordeling. De beschikking werd op 9 maart 2017 openbaar uitgesproken door drie raadsheren.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens intrekking na minnelijke regeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 9 maart 2017
Zaaknummer : 200.199.022/01
Zaaknummer eerste aanleg : 5017613 AZ VERZ 16-164
5017972 AZ VERZ 16-165
5017997 AZ VERZ 16-166
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. B. van Meurs te Heerlen,
tegen
de besloten vennootschap [Dairy] Dairy Industry B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna aan te duiden als [Dairy] ,
advocaat: mr. J.A.J. Hooymayers te Breda,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenbeschikking van 2 februari 2017 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, sector kanton, locatie Roermond gewezen beschikking van 30 juni 2016.

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de tussenbeschikking van 2 februari 2017;
  • het door mr. Van Meurs ingediendeV4-formulier, ingekomen ter griffie op 22 februari 2017;
  • de faxbrief van mr. Van Meurs, ingekomen ter griffie op 22 februari 2017.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald.

6.De verdere beoordeling

6.1.
Bij beschikking van 2 februari 2017 heeft het hof:
a. a) [Dairy] opgedragen om alle stukken van haar arbodienst in het geding te brengen, waaruit blijkt wat is gedaan aan re-integratie en wat het oordeel is geweest van de bedrijfsarts over de mogelijkheden van [appellant] om te hervatten in passende arbeid;
b) partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de in r.o. 3.25 voorgestelde vragen.
De opdracht onder b) hield verband met de stelling van [appellant] dat de uitsluiting van AOW-gerechtigden van een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 7 aanhef Pro en onder b BW) een verboden onderscheid oplevert naar leeftijd. Het hof heeft het voornemen uitgesproken hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Om die reden zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over voorgestelde vragen.
6.2.
Bij faxbrief van 22 februari 2017 heeft mr. Van Meurs namens beide partijen medegedeeld dat zij tot een minnelijke regeling zijn gekomen, dat om die reden het hoger beroep wordt ingetrokken en dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Mr. Hooymayers heeft deze faxbrief voor akkoord mede ondertekend.
6.3.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat het hof op processuele gronden niet meer toekomt aan een (nadere) inhoudelijke beoordeling van de zaak en dat [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7.De beslissing

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Ham, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.