Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het procesverloop
Kamerstukken I, 33818, C, p. 96).
Kamerstukken I,33818, C, p. 97).
3.De gestelde prejudiciële vragen
begrijp – vooral gevallen waarin de AOW-gerechtigde werknemer geen volledige AOW-uitkering ontvangt, omdat hij enige tijd in het buitenland heeft verbleven of op latere leeftijd in Nederland is komen wonen. Kennelijk is het idee achter de vragen dat het ontslag in een dergelijk geval op de AOW-gerechtigde leeftijd nadelig voor de werknemer kan uitpakken en dat nadeel (geheel of gedeeltelijk) opgevangen zou kunnen worden door een recht op een gehele of gedeeltelijke transitievergoeding. De Richtlijn zou er in die gedachtegang in zo’n situatie toe kunnen dwingen dat de rechter na vaststelling van het nadeel beslist in hoeverre er een recht op een transitievergoeding dient te bestaan. De situatie van een onvolledige AOW-uitkering doet zich in het door de kantonrechter te berechten geval niet voor. [verzoeker] heeft immers juist recht op een volledige AOW-uitkering (en een pensioen).
4.Enkele bouwstenen voor de beantwoording van de prejudiciële vragen
NJ2012/547 (KLM/VNV) waarin de Hoge Raad in rov. 4.1 het volgende overwoog:
NJ2012, 547 (KLM/VNV):
Rosenbladt), C-45/09,
LJNBO1980,
NJ2011/2, punt 38, 41). (…)” [52]
6.De beantwoording van de prejudiciële vragen
7.De conclusie
onder 6.