Belanghebbende, een B.V. binnen een concern dat golfbanen exploiteert, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting en een vergrijpboete opgelegd wegens niet-betaling van €174.152 over de tweede helft van 2011. De rechtbank matigde de boete tot €87.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende en de inspecteur gingen in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat slechts voor €125.875 van het bedrag opzet bewezen kon worden, omdat de inspecteur geen onderzoek had gedaan naar de overige €48.277. De boetegrondslag betreft het handelen ten tijde van de aangifte, niet het nalaten van suppleties achteraf. Belanghebbende was zich bewust van de verschuldigdheid van omzetbelasting over de verhuur van een golfbaan, maar koos ervoor deze niet te voldoen.
De inspecteur stelde dat sprake was van strafverzwarende omstandigheden zoals recidive, maar dit werd niet bewezen. De financiële situatie van belanghebbende en het feit dat de dochtermaatschappij geen teruggaaf verzocht, rechtvaardigen geen matiging. De boete werd door het hof passend geacht op €62.500, maar vanwege overschrijding van de redelijke termijn werd deze verminderd tot €60.000.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, matigde de boete tot €60.000, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.