Belanghebbenden, middellijk aandeelhouders van een wokrestaurant, werden geconfronteerd met navorderingsaanslagen en boetes over de jaren 2010, 2011 en 2012, omdat de Inspecteur vermoedde dat zij gebruik maakten van een afroommodule in het kassasysteem om omzet te verzwijgen.
De Rechtbank vernietigde de aanslagen en boetes over 2010, matigde de boetes over 2011 en 2012 en kende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zowel belanghebbenden als de Inspecteur gingen in hoger beroep, waarbij de Inspecteur ook incidenteel hoger beroep instelde.
Het Hof oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur ontvankelijk was en dat de bewijslast voor 2011 en 2012 omgekeerd en verzwaard moest worden vanwege het aannemelijk gebruik van de afroommodule. De schatting van de Inspecteur werd als redelijk beoordeeld en het verzwaarde tegenbewijs door belanghebbenden faalde. De boetes van 40% werden passend geacht, met inachtneming van matiging wegens termijnoverschrijding. De immateriële schadevergoeding en griffierechtvergoeding werden gehandhaafd. Het hoger beroep van belanghebbenden en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur werden ongegrond verklaard.