Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vennootschap 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[appellant 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[de vennootschap 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 3] ,
[appellant 5] ,
[appellant 6] ,
[appellant 7] ,
appellanten,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[V.O.F.] V.O.F.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 4] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 5] ,
[geïntimeerde 5] ,
[geïntimeerde 6] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 5 december 2017 waarbij het hof het verzoek van [accountants] Accountants tot het houden van pleidooi heeft gehonoreerd, en de daarin vermelde stukken;
- de twee producties die [accountants] Accountants bij H12- formulier van 24 mei 2018 heeft ingebracht;
- het pleidooi op 6 juni 2018, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 t/m 6] een productie hebben ingebracht, waartegen [accountants] Accountants geen bezwaar heeft gemaakt.
6.De beoordeling
1) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 t/m 6] te veroordelen om o.a. jaarstukken, belastingaangiftes, belastingaanslagen, facturen en een lijst van door Administratiekantoor [geïntimeerde 1] en door [vof] vof bediende klanten te verstrekken over de periode 1 januari 2013 t/m 1 maart 2016, dan wel inzage in deze stukken te verschaffen op straffe van een dwangsom bij niet nakoming;
2 tot en met 4) voor recht te verklaren dat [geïntimeerde 1] toerekenbaar is tekortgekomen in de nakoming van het relatiebeding, nevenwerkzaamhedenbeding en geheimhoudingsbeding en [geïntimeerde 1] onder meer te veroordelen tot betaling van in elk geval dertien maal de verbeurde boete van € 4.500,- en de schade, op te maken bij staat;
5) voor recht te verklaren dat [geïntimeerden 2 t/m 6] , althans de betreffende vennoten, onrechtmatig jegens [accountants] Accountants hebben gehandeld, aansprakelijk zijn voor haar schade en (ieder van) hen hoofdelijk te veroordelen in de geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat; en
6) met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 t/m 6] in de proceskosten.
Volgens [accountants] Accountants is [geïntimeerde 1] gebonden aan het relatiebeding, nevenwerkzaamhedenbeding en geheimhoudingsbeding uit de in 2002 gesloten arbeidsovereenkomst en heeft [geïntimeerde 1] deze bedingen meerdere malen overtreden waardoor [accountants] Accountants schade heeft geleden. [geïntimeerden 2 t/m 6] wist daarvan en heeft van de inbreuk geprofiteerd volgens [accountants] Accountants. [accountants] Accountants heeft verstrekking/inzage in administratieve stukken op grond van artikel 843a Rv gevorderd om te kunnen achterhalen of [geïntimeerde 1] nog vaker de bedingen heeft overtreden.
Tijdens de comparitie is verklaard dat [accountants] Accountants ooit begonnen is als de maatschap Accountantskantoor [accountantskantoor] , bestaande uit vader en zoon [accountants] . Aan deze maatschap, zo is tijdens de comparitie zijdens [accountants] Accountants verklaard, en dat blijkt ook uit de website van [accountants] Accountants die op internet voor iedereen toegankelijk is, zijn meermaals nieuwe maten met hun kantoororganisatie toegetreden hetgeen heeft geleid tot de nieuwe naam [accountants] Accountants en tot een aanzienlijke groei van de organisatie. De kantonrechter heeft de vraag daargelaten of sprake is van rechtsopvolging door [accountants] Accountants van [accountantskantoor] . De kantonrechter heeft vastgesteld dat in de periode tussen 2002 (het tijdstip dat het relatiebeding is overeengekomen) en 2013 het accountantskantoor een dusdanige groei heeft doorgemaakt, dat het destijds overeengekomen relatiebeding veel zwaarder is gaan wegen en daarom opnieuw had moeten worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Nu dit niet is gebeurd, kan [accountants] Accountants zich niet meer met succes op het beding beroepen en stranden alle vorderingen gebaseerd op het relatiebeding.
Verder heeft [accountants] Accountants tijdens het pleidooi in hoger beroep haar vordering tot schadevergoeding jegens [geïntimeerde 1] zoals hiervoor bedoeld onder rov. 6.2.1. sub 2 tot en met 4 - met diens toestemming - ingetrokken. Deze vordering behoeft daarom in hoger beroep geen verdere bespreking en beoordeling.
“… bevestigen wij hierbij dat je een dienstverband met de [accountants] zult aanvaarden.”). In het briefhoofd staat de naam ‘ [accountants] Accountants’ vermeld. Bij die brief is een loonbelastingverklaring ten name van ‘Mts. acc. kantoor [accountantskantoor] ’ gevoegd. Verder heeft [accountants] Accountants producties in het geding gebracht waaruit blijkt dat het loonbelastingnummer van [accountantskantoor] in 2002 bij indiensttreding van [geïntimeerde 1] hetzelfde was als het huidige RSIN-nummer van [accountants] Accountants. Als onbetwist staat vast dat een dergelijk nummer niet kan worden overgenomen en enkel door dezelfde juridische entiteit kan worden gebruikt. Op basis hiervan stelt het hof vast dat de maatschap [accountantskantoor] en [accountants] Accountants twee verschillende namen zijn voor dezelfde maatschap. Dit leidt tot de slotsom dat [geïntimeerde 1] op 1 november 2002 in dienst is getreden bij de maatschap [accountants] Accountants.
Voor de uitleg van een overeenkomst moet worden gekeken naar de letterlijke bewoordingen ervan, naar de bedoeling van partijen en naar hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Omtrent de bedoeling van partijen is - buiten de verwijzing naar de tekst van de overeenkomst - niets gesteld. In de beëindigingsovereenkomst staat dat werknemer zich zal houden aan “
het relatiebeding zoals vermeld in artikel 14 van Pro de onderhavige overeenkomst”. In deze tekst van de overeenkomst is verwezen naar artikel 14 en Pro niet slechts naar een onderdeel daarvan, waaronder 14a. Daarom dient de lezing van [accountants] Accountants te worden gevolgd dat met de verwijzing naar artikel 14 alle Pro onderdelen (dus de onderdelen 14a, 14b en 14c) van toepassing zijn verklaard, en heeft [accountants] Accountants redelijkerwijs mogen verwachten dat [geïntimeerde 1] dit ook zo zou begrijpen.
- een brief van 21 februari 2013 aan [klant 1] op briefpapier van [vof] vof over de loonheffingen in het eerste kwartaal 2013. [geïntimeerde 1] staat vermeld op de brief als behandelaar en ondertekenaar;
- een brief van 25 februari 2013 aan [klant 2] op briefpapier van [vof] vof over de loonheffingen in het eerste kwartaal 2013. [geïntimeerde 1] staat vermeld op de brief als behandelaar;
- een kennisgeving van de Belastingdienst gedateerd 13 april 2013 aan [vof] vof op BECON nummer [BECON nummer] en klantnummer [klantnummer] over de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2013 van [klant 2] .
bij beëindiging der dienstbetrekking” werkzaamheden te verrichten voor relaties van de werkgever en het dienstverband is geëindigd op 1 maart 2013. In de beëindigingsovereenkomst staat immers: “
Vanaf 1 februari 2013 tot aan het einde van het dienstverband is Werknemer vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden en Werknemer zal zich vanaf deze datum tevens onthouden van het onderhouden van contacten met relaties van Werkgever”. Hieruit blijkt dat het de bedoeling was van partijen dat het relatiebeding in elk geval gold vanaf 1 februari 2013. Dat [klant 2] al in januari 2013 zou zijn overgestapt, zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 t/m 6] stellen, laat het verbod om werkzaamheden voor [klant 2] te verrichten onverlet. Vaststaat dat [klant 2] een klant was van [accountants] Accountants en dat [geïntimeerde 1] in dienst van [accountants] Accountants werkzaamheden voor [klant 2] heeft verricht.
of[geïntimeerden 2 t/m 6] omzet heeft behaald om zo haar schade te kunnen vaststellen. Dat [accountants] Accountants daadwerkelijk omzet is misgelopen is daarmee onvoldoende gesteld. Vaststaat dat [accountants] Accountants in elk geval geen omzet is misgelopen doordat [geïntimeerde 1] gegevens van [derde 2] aan [derde 1] heeft verstrekt. Bij pleidooi heeft [accountants] Accountants bevestigd dat [derde 2] uiteindelijk niet is overgestapt naar [vof] vof en klant is gebleven bij haar. Grieven 4 en 5 falen voor zover ze de vorderingen uit onrechtmatige daad betreffen.