Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
[de vennootschap],
5.Het geding in hoger beroep
- het tussenarrest waarbij het hof heeft bepaald dat partijen gelegenheid wordt geboden voor pleidooi;
- het pleidooi, waarbij (de advocaten van) partijen pleitnotities hebben overgelegd en waarbij de bij H12-formulieren van 4 en 5 september 2018 namens [geïntimeerde] en [appellanten c.s.] toegezonden producties in het geding zijn gebracht.
6.De beoordeling
Topadvocatuur: in de keuken van de civiele rechtspraktijk”. In dit boek was een interview opgenomen met [advocaat van de familie c.s.] met daarin de volgende passage:
Bij grote claims leert de ervaring dat Nederlandse rechters nerveus worden. Er gaan opeens gekke dingen gebeuren, zoals rechters die uitvoerig met advocaten gaan bellen over de zaak. In de Chipshol-zaak is dat ook gebeurd met mr. [appellant] van de Haagse rechtbank”.
De Liegende Rechter”. Dit artikel vormde voor [geïntimeerde] aanleiding een anonieme brief te sturen aan (de betreffende journalist van) Nieuwe Revu. Deze brief luidde als volgt:
Naar aanleiding van het artikel in de laatste Nieuwe Revu over “de liegende rechter [appellant] ” is de hierna volgende achtergrond informatie -afkomstig uit betrouwbare bron- wellicht voor u van belang en interessant:
verzochte getuigenverhoor (…) met name gericht (…) op hetgeen is voorgevallen tot aan het vonnis van 3 mei 1996 en gaat het dan om de volgende punten:
- of mr. [voormalig rechter] en mr. [appellant] onderling over de zaken tussen verzoekers en [de twee broers] hebben gesproken en -zo ja- wat er is besproken;
- door wie en op welke gronden is beslist dat mr. [appellant] zaken van verzoekers en [de twee broers c.s.] zou behandelen en welk contact er is geweest tussen mr. [appellant] en de wederpartij van verzoekers in die procedure”.
over iets te willen praten dat mij al heel lang dwars zit. Het is wel onder strikte geheimhouding (..)”. Enkele dagen later heeft [geïntimeerde] met [oud-president] gesproken over hetzelfde onderwerp als waarover het in de anonieme brief was gegaan. [oud-president] heeft tijdens dat gesprek aan [geïntimeerde] gevraagd of zij degene was die de anonieme brief had geschreven, waarop zij bevestigend antwoordde. Vervolgens heeft [oud-president] beloofd te proberen haar identiteit niet prijs te geven, maar gezegd dat hem geen beroep op een verschoningsrecht zou toekomen mocht het zover komen. Hij heeft bovendien in overleg met [geïntimeerde] een vertrouwenspersoon om raad gevraagd en heeft de informatie vervolgens gedeeld met de toenmalige president van de rechtbank Den Haag, [toenmalige president] (hierna: [toenmalige president] ).
De Liegende Rechter”. Dat betreft dus in 2007 bij haar opgekomen herinneringen aan waarnemingen en/of indrukken die [geïntimeerde] al in of omstreeks 1994 zegt te hebben (op)gedaan. Waar [geïntimeerde] zich geroepen voelde om die toen herinnerde waarnemingen en/of indrukken (ook) in de openbaarheid te brengen, had reeds het inmiddels verstreken tijdverloop haar tot voorzichtigheid behoren te manen alvorens dergelijke zeer ernstige beschuldigingen van partijdigheid, belangenverstrengeling en machtsmisbuik aan het adres van een rechter via een anonieme brief in de openbaarheid te willen brengen. Dit geldt nog temeer waar [geïntimeerde] op 3 september 2012 getuigde:
Ik heb daar op dat moment niets achter gezocht, pas na het artikel in de Nieuwe Revu heb ik een en ander naast elkaar gelegd. Op het moment zelf heb ik het aanhoord en verder geen vragen gesteld. Ik vond het geen bijzondere opmerking”.
betrouwbare bron”, die geen (eigen) mening maar gepretendeerde feiten weergaf. Reeds met het in kapitale letters geschreven tussenkopje “
HET RECHT MOET IMMERS ZEGEVIEREN”had zij haar ingezonden anonieme brief niet alleen puur informerend maar vooral tendentieus en/of suggestief ingekleed. De door [geïntimeerde] in haar anonieme brief geuite beschuldigingen zijn gebaseerd op uitsluitend herinnerde maar gedateerde eigen waarnemingen en/of indrukken, zonder dat zij ook maar enig kritisch eigen onderzoek had verricht naar de juistheid van die na jaren opgekomen herinneringen of naar steun daarvoor in bijkomend bewijsmateriaal had gezocht. De door [geïntimeerde] in haar anonieme brief geuite beschuldigingen aan het adres van [appellant] ontberen daarentegen vrijwel iedere nadere feitelijke onderbouwing. Dat [geïntimeerde] zich begin 2007 binnen de rechtbank als toenmalige (senior) juridisch medewerkster tegenover een als gerenommeerd en machtig ervaren vice-president en rechtbankbestuur onveilig voelde, rechtvaardigt nog niet dat zij met haar ernstige beschuldigingen na zoveel jaren als anonieme justitiële insider naar buiten trad zonder zich eerst van de juistheid en volledigheid van haar gedateerde herinneringen te vergewissen, bijvoorbeeld door zich intern eerst te wenden tot de direct betrokkenen, andere rechterlijk ambtenaren en/of collega’s. Dit had zij vanuit haar toenmalige positie overigens ook redelijk onopvallend en zonder veel risico’s kunnen doen. [geïntimeerde] heeft zelfs niet geprobeerd haar gedateerde herinneringen op al deze aspecten te bezien of achteraf met verder bewijs en feiten te staven en/of de kwestie eerst met een vertrouweling binnen de rechtbank of haar vriendenkring te bespreken , alvorens haar zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van [appellant] als rechter neer te leggen in haar begin 2007 aan (een journalist van) Nieuwe Revu toegezonden anonieme brief.
In die anonieme brief stonden allemaal dingen die ik ook wist, dus ik was bang dat mijn ex-echtgenoot er misschien vanuit zou gaan dat ik die anonieme brief zou hebben geschreven”,
De Liegende Rechter” dat een misstand rond [appellant] als rechter meldde. Ook is [geïntimeerde] ’s ingeroepen rol als klokkenluider moeilijk te rijmen met haar bewering dat zij in 2010 alleen haar gemoed wilde verlichten door haar informatie in vertrouwen met [oud-president] te delen.