Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de Nieuwe Revuop 31 januari 2007 een artikel onder de kop “De Liegende Rechter”. Dit tijdschriftartikel was voor de medewerkster aanleiding om anoniem een brief te sturen aan de betreffende journalist. De inhoud van de anonieme brief is geciteerd in het bestreden arrest. [2] De journalist van de
Nieuwe Revuheeft deze brief doorgezonden aan [partij 1]
vonnis van 23 juli 2015heeft de rechtbank Den Haag de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Amsterdam. De rechtbank overwoog dat dit aangewezen is om elke schijn van vooringenomenheid te vermijden, nu zowel de eisende partij (de oud-rechter) als de gedaagde (de medewerkster) werkzaam is (geweest) bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank overwoog dat de rechtbank Amsterdam zal fungeren als nevenzittingsplaats van de rechtbank te Den Haag. [6]
vonnis van 22 juni 2016heeft de rechtbank Den Haag (nevenzittingsplaats Amsterdam) bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering gewezen op de maatstaf in HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1031, NJ 2012/530 m.nt. E.A. Alkema (zie rov. 4.3 Rb.). De rechtbank was van oordeel dat de medewerkster onrechtmatig jegens de oud-rechter heeft gehandeld door het schrijven en versturen van de anonieme brief. De rechtbank overwoog dienaangaande:
daarnaastschade heeft geleden als gevolg van dit onrechtmatig handelen van de medewerkster: de anonieme brief heeft geleid tot verscheidene juridische procedures tegen de oud-rechter. De rechtbank liet in het midden of de medewerkster onrechtmatig heeft gehandeld door haar beschuldigingen later als getuige onder ede te herhalen (rov. 4.8 - 4.9 Rb.). De rechtbank verwees de zaak naar de rol voor het nemen van een akte en een antwoordakte over de hoogte van de schade als gevolg van extra kosten van rechtsbijstand tijdens het voorlopig getuigenverhoor en de strafzaak.
eindvonnis van 23 november 2016heeft de rechtbank de tijd die de oud-rechter aan het voorlopig getuigenverhoor en aan de strafzaak heeft besteed niet aangemerkt als vermogensschade die op grond van art. 6:96 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komt (rov. 2.5 Rb). De rechtbank heeft de reis- en verletkosten van voor het voorlopig getuigenverhoor en de strafzaak begroot op € 400,- en heeft de medewerkster veroordeeld om dit bedrag aan de oud-rechter te vergoeden.
arrest van 11 april 2017heeft dit hof, onder verwijzing naar art. 62b RO, de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Na deze verwijzing heeft de medewerkster verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld.
eindarrest [7] van 30 oktober 2018heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de vonnissen van 22 juni en 23 november 2016 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat de medewerkster onrechtmatig heeft gehandeld jegens de oud-rechter en zijn vennootschap door het opstellen en verzenden van de anonieme brief met beschuldigingen begin 2007 en door het als getuige (onder ede) herhalen van die beschuldigingen in 2011 en 2012. Het hof heeft de medewerkster veroordeeld om aan de oud-rechter en aan zijn vennootschap de schade, geleden als gevolg van dat handelen, te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente.
de Nieuwe Revu) onder de aandacht wilde brengen, gaat zij eraan voorbij dat haar anonieme brief (ook) ernstige beschuldigingen van partijdigheid, belangenverstrengeling en machtsmisbuik aan het adres van de oud-rechter bevatte. Bovendien presenteerde de medewerkster in haar anonieme brief zichzelf niet als een privépersoon, maar als een anonieme “betrouwbare bron” van deze feiten. De geuite beschuldigingen waren gebaseerd op gedateerde eigen waarnemingen en/of op indrukken die zij zich herinnerde, zonder dat zij ook maar enig kritisch onderzoek heeft verricht naar de juistheid van die na jaren opgekomen herinneringen, en zonder te zoeken naar steun daarvoor in bijkomend bewijsmateriaal. De in de brief geuite beschuldigingen aan het adres van de oud-rechter missen vrijwel iedere nadere feitelijke onderbouwing (rov. 6.10).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
De verwijzing op grond van art. 62b RO
Subonderdeel 1.1houdt in dat het hof miskent dat verwijzing op grond van art. 62b RO uitsluitend mogelijk is indien behandeling van de zaak door een ander gerechtshof gewenst is wegens betrokkenheid van het verwijzende gerechtshof.
Subonderdeel 1.2klaagt dat indien het hof bedoelt dat behandeling door een ander gerechtshof gewenst is vanwege betrokkenheid van het gerechtshof Den Haag, niet kenbaar is waaruit die betrokkenheid bestaat. De klacht
onder 1.3houdt in dat zonder nadere motivering niet valt in te zien hoe de (hierboven geciteerde) verwijzing naar “een eerdere zaak in deze kwestie” de beslissing tot verwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zou kunnen dragen. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
Artikel 46b
op een andere grondslag dan de oud-rechter had aangevoerdtot het oordeel te komen dat de medewerkster onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens
subonderdeel 2.1heeft het hof aan zijn onrechtmatigheidsoordeel ten grondslag gelegd (i) dat de medewerkster verplicht was haar openlijk geuite ernstige beschuldigingen aan het adres van een rechter voldoende feitelijk te onderbouwen en vooraf op hun merites te onderzoeken; (ii) dat het tijdsverloop de medewerkster tot voorzichtigheid had behoren te manen; (iii) dat de herinneringen van de medewerkster op het eerste gezicht de nodige vragen oproepen. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat sprake was van opzettelijk tegen de oud-rechter gerichte
onwareen onterechte beschuldigingen van partijdig en onprofessioneel rechtersgedrag. Volgens het middelonderdeel was dát de grondslag van de vordering, zoals het hof ook zelf vermeldt in rov. 6.6.2.
Janowski/Polen, waarin was geklaagd over een veroordeling wegens belediging van een ambtenaar in functie. De klager had twee stadswachters die zich volgens hem in strijd met de regels gedroegen, uitgemaakt voor (in vertaling) ‘domkoppen’ en ‘uilskuikens’. Hij voerde aan dat ambtenaren in functie vergelijkbaar zijn met politici en daarom meer dan gemiddeld kritiek moeten kunnen verdragen. Het EHRM oordeelde daarover anders: [19]
Pedersen en Baadsgaard/Denemarken, waarin het Hof het volgende overwoog: [20]
De Haes en Gijsels/België, die betrekking had op kritiek die journalisten in een tijdschriftartikel hadden geleverd op individuele leden van de rechterlijke macht. Het EHRM stelde voorop: [21]
Morice/Frankrijk heeft het EHRM de reden voor deze bescherming van rechters nader uiteengezet. Het Hof overwoog als volgt: [22]
Tavares de Almeida Fernandes en Almeida Fernandes/Portugal het volgende met betrekking tot een rechter die verkozen was tot president van het Hooggerechtshof in dat land: [24]
Morice/Frankrijk overwoog: [25]
margin of appreciation. Zo kon de toetsing in de hiervoor besproken zaak
Janowski/Polen terughoudend zijn omdat de zaak slechts betrekking had op een scheldpartij en er geen onderwerp van algemeen belang in geding was. Is dit anders, dan zal het bepalen van de
margin of appreciationlastiger zijn. De vraag is dan of het kunnen berichten over onderwerpen van algemeen belang zwaarder weegt dan het belang van het behoud van vertrouwen in de ambtenarij of de rechterlijke macht. In sommige gevallen laat het EHRM de precieze omvang van de
margindan in het midden, zoals het deed in zijn in 2.21 hiervoor genoemde arrest in de zaak
De Haes & Gijsels/België. Nadat het had beredeneerd dat de rechterlijke macht een sterkere bescherming behoeft, benadrukte het EHRM dat het ging om berichtgeving door de pers over een onderwerp van algemeen belang. Het koos ervoor om geen expliciete keuze te maken over de resulterende omvang van de nationale beoordelingsvrijheid, maar te volstaan met de volgende overweging:
Bilgiç/Turkije [27] rekening met het feit dat de beledigende brieven die klager aan een aantal rechters had gericht, niet in de openbaarheid waren gekomen en dat zij waren geschreven door iemand die geen idee had van de gewoonten en gebruiken binnen rechterlijke procedures. Gelet daarop, vond het EHRM het niet redelijk om sancties aan de klager op te leggen. Tot zover mijn inleidende opmerkingen bij onderdeel 3.
subonderdeel 3.3dat bovengenoemd oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: in het algemeen, in elk geval indien sprake is van een uiting die gebaseerd is op een niet-verifieerbare gebeurtenis, zoals hier aan de orde, is de oprechtheid van de herinneringen en is de vraag in hoeverre deze herinneringen in verband kunnen worden gebracht met andere gegevens, van belang voor het oordeel over de onrechtmatigheid van de meningsuiting.
subonderdeel 3.4blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat dit juist wel van belang is. Subsidiair wordt geklaagd over een ontoereikende motivering omdat het hof niet voldoende (kenbaar) is ingegaan op het betoog van de medewerkster dat haar uitingen waren gebaseerd op oprechte herinneringen en met andere gegevens stroken. Hetgeen het hof in rov. 6.12 omtrent deze herinneringen overweegt vormt volgens de klacht niet een voldoende respons op dit argument.
vóór het verzendenvan de door haar opgestelde anonieme brief “met haar ernstige beschuldigingen na zoveel jaren als anonieme justitiële insider naar buiten trad zonder zich eerst van de juistheid en volledigheid van haar gedateerde herinneringen te vergewissen”. In dat verwijt komt geen verandering door het feit dat de medewerkster achteraf zich alsnog tot de oud-president heeft gewend en dat – volgens haar stelling – zowel de oud-president als diens opvolger als rechtbankpresident de mededelingen van de medewerkster serieus hebben genomen. Het bestreden oordeel behoefde dan ook geen nadere motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn.
whistleblower’) pleegt in dit verband te worden bedoeld: een werknemer of ex-werknemer die misstanden in een organisatie in de openbaarheid brengt. [30] In de wettelijke terminologie gaat het om het intern of extern melden van een vermoeden van een misstand. [31] Een klokkenluider kan behoefte hebben aan (rechtspositionele) bescherming, in het bijzonder wanneer de klokkenluider nog steeds werkzaam is binnen de desbetreffende organisatie. Deze beschermingsbehoefte heeft het hof onder ogen gezien. Het hof vermeldt immers met zoveel woorden de stelling van de medewerkster dat zij de brief schreef als klokkenluider. [32] Het hof vermeldt in rov. 6.10 ook haar stelling dat zij zich begin 2007 binnen de rechtbank als toenmalige (senior) juridisch medewerkster tegenover een als gerenommeerd en machtig ervaren vice-president en rechtbankbestuur ‘onveilig’ voelde, waarmee kennelijk werd bedoeld dat haar optreden als klokkenluidster rechtspositioneel nadelige gevolgen voor haar zou kunnen hebben.
.het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de werknemer bij zijn werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis die de werknemer heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een ander bedrijf of een andere organisatie, en
op de wijze waaropde medewerkster deze ernstige beschuldigingen in een anonieme brief aan een journalist naar buiten heeft gebracht, in bewoordingen die volgens het hof niet puur informerend, maar “vooral tendentieus en/of suggestief [waren] ingekleed”. Het hof heeft de stelling van de medewerkster verworpen dat zij geen reële andere mogelijkheid had dan het sturen van deze anonieme brief. Het hof overweegt dat zij zich − vanuit haar toenmalige positie redelijk onopvallend en zonder veel risico − intern had kunnen wenden tot de direct betrokkenen, andere rechterlijk ambtenaren en/of collega’s. Zij heeft niet eens geprobeerd haar gedateerde herinneringen met bewijs te staven of de kwestie eerst met een vertrouweling binnen de rechtbank of in haar vriendenkring te bespreken, aldus het hof. Deze beoordeling berust op een waardering van de feiten die aan het hof is voorbehouden. De redengeving kan de beslissing van het hof dragen en is niet onbegrijpelijk. Subonderdeel 3.6 treft daarom geen doel.
in de openbaarheidheeft willen brengen, onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van haar stelling dat zij een journalist informatie heeft willen aanreiken waarmee deze journalist nader onderzoek zou kunnen doen. [36] Voor zover het hof met zijn oordeel dat door de anonieme brief de informatie in de openbaarheid kon komen (en vervolgens ook openbaar is geworden), niet relevant acht dat geen sprake is geweest van een
rechtstreeksepublieke uiting van de medewerkster, klaagt zij dat deze omstandigheid rechtens wel degelijk rechtens relevant was. Verder heeft het hof volgens dit middelonderdeel miskend dat
feitelijke gevolgenvan een gedraging niet van belang zijn voor het antwoord op de vraag of de gedraging – het verzenden van de anonieme brief − onrechtmatig was.
Nieuwe Revu. Het hof vermeldt dat dit tijdschrift kort tevoren een spraakmakend en beschuldigend artikel over de oud-rechter had gepubliceerd (onder de kop “De Liegende Rechter”). Het hof heeft – op zich voldoende begrijpelijk – in rov. 6.10 tot uitdrukking gebracht dat de medewerkster onder deze omstandigheid rekening ermee had moeten houden dat haar beschuldigingen in de anoniem verzonden brief een groter publiek zouden bereiken dan alleen de journalist aan wie zij deze brief had verstuurd. Daarin ligt besloten de verwerping van de stelling van de medewerkster dat zij slechts informatie heeft willen aanreiken aan deze journalist. Dat de medewerkster zelf niet de hand heeft gehad in de verdere verspreiding van deze informatie, behoefde het hof niet beslissend te achten. Volgens het hof had zij met dat mogelijke gevolg rekening moeten houden. De klachten stuiten hierop af.
Subonderdeel 5.2is gericht tegen de zojuist geciteerde overweging. De klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat getuigen (in beginsel) verplicht zijn om een verklaring af te leggen en naar beste vermogen te antwoorden op de aan hen gestelde vragen. In beginsel wordt niet vereist dat getuigen, ter voorbereiding op een door hen af te leggen verklaring, hun geheugen opfrissen: getuigenverklaringen moeten betrekking hebben op uit eigen waarneming bekende feiten.
verplichtzou worden om, ter voorbereiding van de door hem af te leggen verklaring, een onderzoek in te stellen naar feiten en omstandigheden die hem niet uit eigen wetenschap bekend zijn. Dit geldt temeer indien een persoon als getuige wordt opgeroepen met de bedoeling dat door middel van zijn getuigenverklaring toegang wordt verkregen tot bronnen die anders niet toegankelijk zouden zijn voor de partij die de getuige oproept. [39]
Subonderdeel 5.4mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft hier verder geen bespreking.
afdoendebevestiging heeft mogen zien van de zeer ernstige beschuldigingen die zij aan het adres van de oud-rechter had geuit, is feitelijk van aard. De waardering van het bewijs is voorbehouden aan het hof als hoogste rechter die over de feiten oordeelt. Het bewijsoordeel behoefde geen nadere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn.
per schadepostmoet worden beoordeeld of deze zich zou hebben voorgedaan in de hypothetische situatie zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis, althans dat het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Subsidiair zou het hof onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom voor alle gestelde schade geldt dat deze niet zou zijn opgetreden als de door het hof aangenomen onrechtmatige daden van de medewerkster achterwege zouden zijn gebleven.
mogelijkheidvan schade aannemelijk is geworden. [40] Wat betreft de gestelde
immateriëleschade, heeft het hof geoordeeld dat zodanig verband bestaat tussen de beschuldiging in de brief van februari 2007 en de herhaling daarvan door de medewerkster als getuige in 2011 en 2012, dat de schade, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de aard van de schade (namelijk beschadiging van eer en goede naam en aantasting van de persoon), als een gevolg van deze handelingen aan haar
kanworden toegerekend (rov. 6.25). Daarmee heeft het hof slechts het verweer verworpen dat ieder oorzakelijk verband bij voorbaat uitgesloten is. Voor het overige heeft het hof zich beperkt tot het oordeel dat de mogelijkheid dat de oud-rechter hierdoor immateriële schade heeft geleden aannemelijk is geworden (rov. 6.26). Hetzelfde heeft het hof overwogen met betrekking tot diverse gestelde
materiëleschadeposten. Op die grond kon het hof partijen verwijzen naar een schadestaatprocedure. Zowel de rechtsklacht als de subsidiaire motiveringsklacht stuiten hierop af.
Subonderdeel 7.1klaagt dat het hof een stap overslaat, omdat daarmee nog niet gegeven is dat – en waarom − deze daad aan de medewerkster kan worden toegerekend. Subsidiair wordt geklaagd over een ontoereikende motivering. Ter toelichting op deze klachten is aangevoerd dat de medewerkster zich heeft beroepen op de authenticiteit van haar herinneringen, op haar zuivere motief en op haar goede trouw toen zij haar uitingen deed. Door dit verweer niet op de toerekeningsvraag te betrekken, heeft het hof zijn plicht geschonden om de rechtsgronden, zo nodig ambtshalve, aan te vullen.
Subonderdeel 8.1houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of de medewerkster toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vennootschap van de oud-rechter. Voor het geval dat dit oordeel in het arrest besloten ligt, klaagt het middelonderdeel over een ontoereikende motivering: het hof heeft geen afzonderlijke overwegingen gewijd aan de betekenis van het handelen van de medewerkster jegens de vennootschap. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het gedrag van de medewerkster jegens de oud-rechter ook jegens diens vennootschap onrechtmatig is.
Subonderdeel 8.2herhaalt de klacht dat het hof niet is ingegaan op het betoog dat de reputatie van de oud-rechter in de periode juni 2009 – maart 2010 al zeer ernstig was aangetast, zodat de anonieme brief en de daarop volgende getuigenverklaringen geen afzonderlijke schade voor de vennootschap hebben veroorzaakt.
Subonderdeel 8.3dient ter afsluiting en mist zelfstandige betekenis.
Subonderdeel9.1klaagt dat dit oordeel onjuist is, voor zover het hof hierbij tot uitgangspunt heeft genomen dat ook voor schending van de goede naam geldt dat daarvan sprake kan zijn vóórdat derden van de beschuldiging kennisnemen. Subsidiair wordt geklaagd over ontoereikende motivering, nu het hof niets heeft vastgesteld over kennisname door derden van deze beschuldiging. Over een andersoortige aantasting van de persoon heeft het hof niets overwogen.
Subonderdeel 9.4bouwt slechts voort op de voorafgaande subonderdelen.
subonderdeel 10.1geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof dit bewijsaanbod niet ter zake dienende heeft geacht, althans heeft het hof dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. Met name is het hof voorbijgegaan aan de specificatie van het bewijsaanbod van de medewerkster in de gedingstukken. [45]
subonderdeel 10.3dat daaraan niet is voldaan met het noemen van de te bewijzen stellingen en de mogelijke getuigen.