Uitspraak
hierna aan te duiden als [verweerder] , als erfgenaam van
[betrokkene],
laatst gewoond hebbende te [woonplaats] , hierna aan te duiden als [betrokkene] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het per fax gestuurde beroepschrift ingekomen ter griffie op 11 mei 2018;
- het per post gestuurde beroepschrift met procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 14 mei 2018;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 juli 2018;
- een V6-formulier van mr. Dijk met producties, ingekomen ter griffie op 13 september 2018;
- een V8-formulier van mr. Pals met een fax van 20 september 2018 met bijlage, ingekomen ter griffie op 21 september 2018;
3.De beoordeling
- op 1 januari 2001 in dienst getreden van [de vennootschap 2] , in de functie van bedrijfsleider;
- op 1 april 2005 in dienst getreden van [de vennootschap 4] , in de functie van assistent filiaalchef; en
- op 1 januari 2006 in dienst getreden van [de vennootschap 5] (hierna: [de vennootschap 5] ), in de functie van assistent filiaalchef/eerste verkoper.
Het is mij: [betrokkene] (…) Bekend, dat door mijn gedrag (bij herhaling) klanten in het filiaal [vestigingsplaats vennootschap 5] weg blijven, en dat nu terug keer op de werkvloer hier geen optie meer is. Mij wordt hierbij een allerlaatste kans geboden in de winkel te [vestigingsplaats appellante] . Ik zeg dan ook hierbij met onmiddellijke ingang en met wederzijds goed vinden mijn dienstverband op met [de vennootschap 5] en ga een nieuwe arbeidsovereenkomst aan voor bepaalde tijd bij [appellante] (…)”.
- betaling van € 2.138,40 bruto als schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging;
- betaling van een billijke vergoeding van € 18.000,- bruto;
te vermeerderen met wettelijke rente, onder afgifte van een specificatie en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
Grief I mist voor het overige belang, nu deze grief niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden.
enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever”.
zodanige banden” als voornoemd bestaan. In art. 7:668a lid 2 BW is bepaald dat opvolgend werkgeverschap kan bestaan “
ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer”.
In het verlengde daarvan is deze – ruimere – maatstaf voor opvolgend werkgeverschap ook opgenomen voor de zogenoemde Ragetlie-regel in art. 7:667 lid 5 in Pro verbinding met lid 4 BW en voor de regeling van de transitievergoeding in art. 7:673 lid Pro 4, aanhef en onder b, tweede volzin, BW (HR 17 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:2905).
€ 20.493,- bruto onderbouwd met een berekening, die is gebaseerd op een datum van indiensttreding op 1 januari 2001. Volgens [appellante] komt hem dit bedrag niet geheel toe, omdat niet bij alle werkgeverswisselingen sprake is van opvolgend werkgeverschap.