ECLI:NL:GHSHE:2018:610

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 februari 2018
Publicatiedatum
13 februari 2018
Zaaknummer
200.226.024_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 lid 2 RvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late betekening dagvaarding in kort geding

In deze zaak ging het om een hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in een kort geding. Appellant stelde dat de dagvaarding in hoger beroep tijdig was betekend en voerde aan dat door omstandigheden, waaronder het niet toezenden van een afschrift van het vonnis aan hemzelf maar aan zijn gemachtigde, en zijn verblijf in het buitenland, het hoger beroep alsnog ontvankelijk moest worden verklaard.

Het hof oordeelde dat de wettelijke termijn van vier weken voor het instellen van hoger beroep in kort geding strikt moet worden nageleefd. De dag van het vonnis was 13 september 2017, waardoor de termijn eindigde op 11 oktober 2017. De dagvaarding in hoger beroep was echter op 12 oktober 2017 betekend, dus te laat.

Hoewel appellant stelde dat hij door omstandigheden niet tijdig op de hoogte was, vond het hof dit geen bijzondere omstandigheid die een uitzondering rechtvaardigde. Bovendien was mr. Janssen als gemachtigde tijdig geïnformeerd en had hij het vonnis ontvangen.

Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hem in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op €760,-. De gevorderde werkelijk gemaakte kosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late betekening van de dagvaarding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.226.024/01
arrest van 13 februari 2018
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. C.C.J. van Pol te Echt,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.T.M. Horst te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 12 oktober 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 september 2017, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/234065 / KG ZA 17-175)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de rolbeslissing van 14 november 2017;
  • de akte uitlating ontvankelijkheid van [appellant] ;
  • de antwoordakte uitlating ontvankelijkheid van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3.De beoordeling

3.1.
Bij genoemde rolbeslissing is [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het gegeven dat het exploot van dagvaarding niet is uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 2 Rv Pro voor een vonnis in kort geding voorgeschreven termijn van vier weken. In zijn akte stelt [appellant] zich kort gezegd op het standpunt dat de appeldagvaarding wel tijdig is betekend.
Verder stelt [appellant] dat op grond van een samenloop van omstandigheden van overwegend feitelijke aard, de redelijke verwachtingen die hij onder deze omstandigheden omtrent het verdere verloop van de procedure mocht verwachten en zijn recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro in deze alsnog dient te worden ontvangen in het hoger beroep. Hij voert hiertoe het volgende aan. De voorzieningenrechter en geïntimeerde hebben ter zitting in eerste aanleg ingestemd dat mr. M.M.T.H. Janssen, niet zijnde advocaat, namens [appellant] het woord voerde. Van het vonnis is geen afschrift toegezonden aan [appellant] , maar wel, zoals achteraf blijkt, aan mr. Janssen voornoemd. [appellant] stelt dat dit in strijd is met artikel 13.4 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie. Op grond van dit artikel moet de griffier een afschrift van het vonnis aan de in de procedure verschenen partijen verstrekken. Mr. Janssen heeft echter alleen namens [appellant] in kort geding ter zitting voor hem het woord gevoerd en geldt niet als een in het proces verschenen partij als bedoeld in het procesreglement.
Aangezien [appellant] reeds lange tijd ziek was en thuis in België verbleef heeft hij in september en begin oktober 2017 geen contact gehad met mr. Janssen voornoemd. Direct nadat hij kennis had genomen van het bestreden vonnis heeft hij opdracht gegeven om hoger beroep in te stellen, wat nog diezelfde dag op 12 oktober 2017 is geschied.
Op grond van het vorenstaande, met name gezien het in casu handelt om een in het buitenland woonachtige partij aan wie door de rechtbank in strijd met het procesreglement geen afschrift van het bestreden vonnis is toegezonden is [appellant] van mening dat hij alsnog in het hoger beroep dient te worden ontvangen. Dit geldt temeer aangezien de wederpartij vrijwillig in het geding is verschenen. Bij een onverhoopte niet-ontvankelijkheid komt [appellant] in de onmogelijkheid te verkeren aanspraak te maken op de door de Belgische rechter in een tweetal vonnissen toegewezen kinderalimentatie en aanverwante kosten van de kinderen.
3.2.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.3.
Op grond van artikel 339 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedraagt de termijn waarbinnen hoger beroep van een kort geding vonnis kan worden ingesteld vier weken, te rekenen vanaf de dag van het vonnis dan wel de dag van de mondelinge uitspraak. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9906 volgt dat onder dag van de uitspraak wordt verstaan de dag waarop de rechterlijke beslissing openbaar wordt gemaakt. Indien op de dag van openbaarmaking een afschrift van de uitspraak aan de procesvertegenwoordiger van een partij wordt verzonden, is deze, aldus de Hoge Raad in genoemd arrest, ermee bekend dat het vonnis is uitgesproken en behoort het tot zijn taak ervoor zorg te dragen dat het rechtsmiddel binnen de daarvoor geldende termijn wordt ingesteld.
Uit de brief van mr. Janssen voornoemd van 21 april 2017(procesdossier eerste aanleg) aan de rechtbank blijkt dat hij als gemachtigde [appellant] wilde bijstaan. Uit de overgelegde pleitnota uit eerste aanleg blijkt ook dat mr. Janssen als gemachtigde heeft opgetreden, aangezien de pleitnota eindigt met:

Namens gedaagde dhr. [appellant]
Gemachtigde, Mr. M.M.T.H. Janssen
Het hof is dan ook van oordeel dat, nu tussen partijen niet in geschil is dat mr. Janssen voornoemd het vonnis toegezonden heeft gekregen, [appellant] het vonnis tijdig heeft bereikt.
In de onderhavige zaak dateert het vonnis waarvan beroep van woensdag 13 september 2017. De termijn van vier weken eindigt derhalve op woensdag 11 oktober 2017. Aangezien de appeldagvaarding is uitgebracht op 12 oktober 2017, is de appeldagvaarding te laat uitgebracht en is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast. Daarbij is uitgangspunt dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en dat aan rechtsmiddelentermijnen strikt de hand moet worden gehouden. In zijn arrest van 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1307, heeft de Hoge Raad herhaald dat op dit uitgangspunt slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten (vgl. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1097, NJ 2005/372, en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131). Het hof is van oordeel dat wat [appellant] in zijn akte heeft aangevoerd over de verschoonbare termijnoverschrijding niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in deze zin.
3.4.
De conclusie is dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten conform het liquidatietarief. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de door [geïntimeerde] gevorderde werkelijk gemaakte proceskosten toe te wijzen.

4.De uitspraak

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 313,-- aan griffierecht en op € 447,-- aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 februari 2018.
griffier rolraad