Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[appellant 5],
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/228826/HA ZA 16/700)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven tevens houdende vermindering van eis [met producties 71 t/m 78];
- de memorie van antwoord [met producties 71 t/m 75].
3.De beoordeling
DOEL
Uw Ministerie van Defensie is om meerdere redenen aansprakelijk voor de schade die de gedupeerden bij de uitvoering van werkzaamheden hebben opgelopen onder meer wegens het onrechtmatig niet opvolgen van de aanbevelingen, het op alle fronten niet naleven van verplichtingen van het Arbeidsomstandigheden besluit, waaronder het schenden van de informatieplicht, (het nalaten van) het medisch volgen en registreren van de gedupeerden, alsmede het niet terstond staken van de blootstelling en het verwijderen van de mensen uit die blootstelling, maar ook bijvoorbeeld wegens het niet uitvoeren van maatregelen waarvoor subsidiegelden van de NAVO in 2000 zijn betaald. Vanwege dit laatste aspect alleen al is het Ministerie van Defensie ongerechtvaardigd verrijkt voor een bedrag van fl. 2.308.734,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum betaling door de NAVO in 2000.”
U omschrijft in uw brief niet duidelijk namens wie u precies het Ministerie van Defensie aansprakelijk stelt. Doet u dit voor de Stichting waarvoor u zegt op te treden en/of een aantal specifieke gedupeerden? Indien u dit (mede) namens een aantal specifieke gedupeerden doet, is mij op dit moment niet duidelijk, wie deze gedupeerden zijn. Gelet op het voorgaande kan ik op dit moment niet beoordelen op welke vorderingsrecht(en) de aansprakelijkheid betrekking heeft. Ook omschrijft u slechts in zeer algemene bewoordingen de omstandigheden die aansprakelijkheid aan de zijde van Defensie zouden kunnen opleveren in de door u bedoelde zin. Tegen deze achtergrond verwijs ik u voor wat betreft de aansprakelijkstelling in verband met de arbeidsomstandigheden op de POMS-sites naar het onderzoek dat op dit moment door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) wordt verricht naar de relatie tussen chroom-6 en de werkzaamheden die door personeel van Defensie zijn verricht op de POMS-sites. (…) De uitkomsten van dit onderzoek zullen moeten worden afgewacht (…).”
- tijdige aandacht voor collectieve beheersmaatregelen zoals voldoende ventilatie en afscherming van werkruimtes (stralen en verfspuiten afgezonderd);
- een registratie van het gebruik van gevaarlijke stoffen, waaronder chroom-6;
- voldoende kwaliteit en beschikbaarheid van persoonlijke beschermingsmiddelen;
- effectief toezicht op de naleving van de gebruiksvoorschriften van deze persoonlijke beschermingsmiddelen;
- een structureel arbeidsgezondheidskundig onderzoek naar de effecten van het werken met chroom-6-verbindingen en andere gevaarlijke stoffen
- een invulling van de registratie op individueel niveau.”
bevoegdvan hun vorderingen kennis te nemen. Dit is door de Hoge Raad beslist in het arrest Changoe/Staat (HR 28 februari 1992, NJ 1992, 687). In dat arrest is de Hoge Raad teruggekomen op zijn eerdere rechtspraak, waarin de Hoge Raad op grond van het destijds geldende art. 3 Ambtenarenwet Pro 1929 (hierna: Aw 1929) oordeelde dat de bestuursrechter met uitsluiting van de civiele rechter exclusief bevoegd was om te oordelen over vorderingen, voortvloeiende uit de rechtsbetrekking tussen overheid en ambtenaar, voor zover daarbij sprake is van een klacht over een besluit, handeling of weigering van de overheid (zie bijv. HR 4 december 1987, NJ 1988, 295).
niet-ontvankelijkte verklaren indien een administratieve rechter voldoende rechtsbescherming biedt. Uit deze jurisprudentie volgt dat een burger, die van oordeel is dat een hem betreffend besluit van een bestuursorgaan onrechtmatig is, zich tot de bestuursrechter dient te wenden voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van dat besluit. Dit ligt voor de hand, aangezien de bestuursrechter bij uitstek deskundig is om besluiten van bestuursorganen te beoordelen. Deze beoordeling van de bestuursrechter betreft dan de rechtsvraag of de besluiten van de overheid al dan niet moeten worden vernietigd.
feitelijk handelenvan de overheid dat moet worden beoordeeld. Moeten [appellanten c.s.] , alvorens zij hun schadevordering aan de burgerlijke rechter kunnen voorleggen, de vraag naar de kwalificatie van het schadeveroorzakende feitelijk handelen van de Staat (onrechtmatig of niet?) aan de bestuursrechter voorleggen en kunnen zij in hun vordering tot beantwoording van die vraag niet bij de civiele rechter worden ontvangen?
“een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van Pro de Ambtenarenwet als zodanig (…) belanghebbende is.”
moetenvoor de kwalificatie (onrechtmatig of niet) van de schade-oorzaak? De bestuursrechter is bij uitstek bevoegd als het gaat om de beoordeling van besluiten van bestuursorganen of feitelijk handelen van bestuursorganen dat daaraan voorafgaat of daarmee verband houdt. Maar de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door ambtenaren bloot te stellen aan een gevaarlijke stof is niet een vraag die specifiek behoort tot de deskundigheid van de bestuursrechter. De beoordeling of dergelijk handelen onrechtmatig is behoort daarentegen veeleer tot de deskundigheid van de civiele rechter.
4.De uitspraak
natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is– vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van dit hof, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.5 vermelde doeleinden;